4.1.1. Speeksel - Essay Marketplace

4.1.1. Speeksel

Speeksel heeft een groot scala aan functies die met name te maken hebben met de bescherming van de mond. Daarnaast vervult het een essentiële rol bij smaakgewaarwording en spijsvertering. Bescherming van mondweefsels, zowel mucosa als gebitselementen, is de hoofdfunctie van speeksel. Hierbij kunnen de volgende processen worden onderscheiden: bufferende werking bij veranderingen in zuurgraad in de mondholte, mechanische reiniging door spoelwerking van speeksel, bescherming tegen slijtage door vorming van een eiwitlaag op de elementen, de- en remineralisatie door calcium- en fosfaationen in het speeksel die voorkomen dat tandglazuur in oplossing gaat, antibacteriële activiteit door aanwezigheid van verschillende componenten zoals de enzymen lysozym en lactoperoxidase en regulatie van de orale microflora.

Speeksel wordt geproduceerd door verschillende speekselklieren. De secretie van speeksel wordt door verschillende prikkels en condities beïnvloed. Zure, zoete, zoute, bittere en mentholbevattende voedingsstoffen prikkelen de speekselklieren tot secretie van speeksel. Factoren die een rol spelen bij de speekselsecretie zijn bijvoorbeeld dag- en nachtritme, aard en sterkte van de prikkel, psychische toestand, dieet, hormoonspiegels, fysieke activiteit en medicijngebruik. Bij een lage speekselsecretie zijn de spoelwerking, de zuurneutraliserende en de remineraliserende werking van speeksel verlaagd. Een lage speekselsecretie vormt daarom een risicofactor voor cariës en erosie1.

4.1.2. Smaak

Het muceuze speeksel speelt een belangrijke rol bij de spijsvertering. In het speeksel start de vertering van zetmeel door a-amylase. Het speeksel speelt ook een rol in de vorming van de voedselbolus, het kauwproces en het doorslikken van voedsel. Daarnaast vervult het speeksel ook een rol bij de smaakgewaarwording: de smaakstoffen moeten opgelost zijn in speeksel zodat ze kunnen worden getransporteerd naar de smaakknoppen op de tong1. Smaakcellen delen snel en worden continu ververst.

Innervatie van smaakcellen, smaakdrempels, smaakstoornissen, (rol van zink), chemotherapie.

4.1.3. Stamceltransplantatie

Rijpe bloedcellen hebben een beperkte levensduur en moeten daarom constant worden vervangen. De nieuwvorming van bloedcellen, hemopoëse ook wel hematopoëse, vindt plaats door proliferatie en differentiatie van een populatie van ongedifferentieerde stamcellen. De hematopoëtische stamcellen bevinden zich in het beenmerg in de holle botten2.

Een stamceltransplantatie kan voor de volgende doeleinden gebruikt worden: om zieke of afwezige hematopoëtische cellen te vervangen door gezonde of om een hogere dosis chemo- en/of radiotherapie te kunnen geven. Een stamceltransplantatie kan toegepast worden bij de behandeling van bloedkanker zoals leukemie en de ziekte van Kahler (multiple myeloom). Ook bij de behandelingen van andere ziekten zoals lymfeklierkanker en niet oncologische, hematolgoische aandoeningen kan het worden toegepast3 .

Bij een stamceltransplantatie worden gezonde, bloedvormende stamcellen toegediend (getransplanteerd) in het bloed van de patiënt. Wanneer deze goed functionerende stamcellen op voorhand zijn afgenomen bij de patiënt zelf, spreken we van een autologe transplantatie genoemd. Indien de stamcellen van een donor afkomstig zijn, hebben we te maken met een allogene transplantatie4. In het geval van een allogene stamceltransplantatie is het van belang een geschikte stamceldonor te vinden. Gezocht wordt naar een HLA-identieke match, iemand met dezelfde of een zoveel mogelijk lijkende Humane Leukocyten Antigeen-typering. HLA eiwitten/antigenen komen op een groot gedeelte van de lichaamscellen voor. De kans op graft-versus-host disease en andere complicaties neemt toe wanneer de HLA-typering niet gelijk is3.

Een stamceltransplantatie bestaat globaal uit de volgende stappen:

• HLA-matching (van toepassing bij allogene stamceltransplantatie).

• Mobilisatiefase: door toediening van “Granulocyte-Colony-Stimulating Factor” wordt de aanmaak en rijping van bloedstamcellen gestimuleerd. Deze bloedstamcellen worden gemobiliseerd en verplaatsen zich van het beenmerg naar het perifere bloed.

• Aferese (‘oogsten’): de stamcellen worden uit het lichaam gehaald. Dit kunnen cellen van de patiënt zelf zijn, of van een donor.

• Conditionering: de stamcellen in het beenmerg van de patiënt worden door een behandeling met chemotherapie of radiotherapie verzwakt of vernietigd.

• (Re)infusie: de gezonde stamcellen worden getransplanteerd met als doel dat deze in het lichaam van de patiënt gaan zorgen voor de productie van nieuwe bloedcellen3.. De stamcellen migreren naar de beenmergholte in het bot waar zij weer bloedcellen kunnen aanmaken4.

• Herstelfase: periode waarin de effecten van de chemotherapie tot uiting komen en de bloedgetallen laag zijn door uitschakeling van het beenmerg. Wanneer de stamcellen zijn aangeslagen worden de bloedgetallen hoger en treedt herstel in.

Graft-versus-host (acuut/chronisch)

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.