‘’Het in kaart brengen van het LOB beleid van het Singelland College gericht op loopbaancompetenties’’ - Essay Marketplace

‘’Het in kaart brengen van het LOB beleid van het Singelland College gericht op loopbaancompetenties’’

Aanleiding

Leerlingen wisselen vaak van opleiding tijdens het eerste jaar op het Mbo. Heeft dit te maken met een verkeerde beslissing, of zijn er andere motieven waarom studenten wisselen van opleiding tijdens het eerste jaar? Uit onderzoek van het DUO in 2015, is gebleken dat studenten wisselen van opleiding, omdat de studie niet aan hun verwachtingen voldoet. Het Singelland in Surhuisterveen telt op dit moment 515 leerlingen. 15% van de leerlingen volgt vmbo-basis, 44,3% de kaderberoepsgerichte leerweg en 40,7% vmbo-(g)tl. Het Singelland in Surhuisterveen is een typische plattelandsschool. De meeste leerlingen wonen in Surhuisterveen. Ook op het Singelland College in Surhuisterveen, waar dit onderzoek plaatsvindt, is gebleken dat veel leerlingen tijdens hun eerste jaar op het Mbo gewisseld hadden van opleiding. Uit onderzoek is gebleken dat leerlingen vooral kiezen op basis van afstrepen (Neuvel, 2005). Leerlingen kiezen vooral op basis van wat ze niet willen. Leerlingen kiezen dan vervolgens op basis van wat er overblijft. Er wordt niet gekozen op basis van wat leerlingen wel willen en waar ze moeite voor willen doen. Een onderzoek uit 2008 heeft laten zien dat driekwart van de ondervraagde studenten aangeven, dat het beeld van de voorlichting niet klopte of dat zij van te voren niet goed hadden nagedacht. (Voncken & Breemers, 2008) Er deden 254 studenten mee aan het onderzoek. Andere onderzoeken geven aan dat de loopbaankeuzes van leerlingen geen weloverwogen processen zijn. Zo hebben leerlingen vaak geen realistisch beeld van werk in het algemeen en zijn ze zich niet goed bewust van hun eigen kunnen en wat ze nou eigenlijk willen (den Boer, Mittendorff & Sjenitzer, 2004); Luken & Newton, 2004; Bakker, 2007).

Ik wil onderzoeken op welke manier het Singelland College in Surhuisterveen loopbaancompetenties kan inzetten voor de vormgeving van het Loopbaan Oriëntatie en -Begeleiding-programma (LOB). Het Singelland College in Surhuisterveen wil graag weten waarom er veel leerlingen tijdens hun eerste jaar op het mbo wisselen van opleiding. Mentoren die LOB tijdens mentoruren aanbieden zullen belang hebben bij dit onderzoek, aangezien zij degenen zijn die de leerlingen begeleiden in het maken van een weloverwogen keuze. Het Singelland College wil namelijk een goede aansluiting met het mbo waarborgen. De resultaten van het onderzoek moeten hier inzicht in geven.

Oriënteren

De locatie in Surhuisterveen is onderdeel van de scholengemeenschap Singelland in Friesland. Binnen het vmbo zijn vier leerwegen. Op het Singelland in Surhuisterveen kunnen leerlingen op het vmbo drie leerwegen volgen; de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg en de theoretisch/gemengde leerweg. Het Singelland biedt ook extra uitdaging voor leerlingen die de theoretische leerweg volgen, de tl-plus-klas. Leerlingen volgen dan een extra vak, de ‘top-uren’, waarin de leerling aan vakoverstijgende projecten werkt. Leerlingen met een havo-advies kunnen op het Singelland de onderbouw van havo volgen.

Met ingang van 2016 is het vmbo veranderd, en dan vooral in de beroepsgerichte afdelingen. Een leerling kan kiezen uit tien verschillende profielen. De nieuwe beroepsgerichte programma’s moeten er voor zorgen dat er een betere aansluiting is met het mbo. De website vernieuwing vmbo (http://nieuwvmbo.nl/vernieuwing-vmbo/) geeft hier meer informatie over. Toch is er een groot aantal leerlingen dat tijdens het eerste jaar van het mbo wisselt van opleiding. Tijdens een terugkomdag in september 2015 bleek dat maar liefst 17 van de 19 leerlingen gewisseld hadden van opleiding. Het is niet duidelijk naar welke opleidingen de leerlingen waren gewisseld. De locatie Surhuisterveen wil graag weten waar dit mee te maken heeft en of het ook mogelijk is om leerlingen een bewustere keuze te laten maken door het LOB-programma aan te passen.

De probleemstelling over het maken van een keuze voor een vervolgstudie wordt in deze alinea uitgewerkt aan de hand van de 5 W’s + H methode (van der Donk & van Lanen, 2012). Het probleem ontstaat wanneer leerlingen een keuze maken voor een vervolgopleiding. Veel leerlingen maken een verkeerde beslissing bij het kiezen van een vervolgopleiding, waardoor ze tijdens het eerste jaar wisselen van opleiding. Uit cijfers blijkt dat studenten die gewisseld zijn van opleiding vaker studie vertraging hebben en vaker uitvallen zonder diploma (http:/onderwijsincijfers.nl/themas/transities-in-het-onderwijs). Het probleem treedt op wanneer studenten in het eerste jaar van het mbo zich realiseren dat ze een verkeerde keuze hebben gemaakt. Niet alleen de school, maar ook scholieren willen goed LOB. Een onderzoek uitgevoerd door Onderwijs Innovatie Groep (OIG) en het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) van november en december 2012 laat zien dat leerlingen vooral behoefte hebben aan het opdoen van ervaringen zoals stages en meeloopdagen, en de mogelijkheid om deze ervaringen te bespreken. Het onderzoek laat ook zien dat er een behoefte is voor een integrale aanpak van LOB. Het gaat dan om duidelijke rollen voor decaan, mentor en vakdocent. Elk met een eigen bijdrage aan specifieke loopbaancompetenties (Schut, Kuijpers & Lamé, 2013). Het onderzoek laat verder zien dat leerlingen tijdens de tussenjaren, klas 2 en 3 behoefte hebben aan interesse en capaciteiten -testen en informatie voor loopbaanoriëntatie. Tijdens de laatste twee jaren van het Vmbo is er vooral behoefte aan het opdoen en uitwisselen van ervaringen, en het bezoeken van open dagen van een vervolgopleiding.

De belangrijkste reden voor studenten om te wisselen van opleiding is dat de opleiding niet voldoet aan de verwachtingen (Allen & Meng, 2010). Het Singelland streeft er naar om een goede aansluiting met het mbo te waarborgen. Daarnaast wil het kabinet het aantal vroegtijdig schoolverlaters in 2016 terugdringen tot maximaal 25.000. De focus moet hierbij liggen op goed onderwijs, loopbaanoriëntatie en een soepele doorstroom van het vmbo naar het Mbo. ‘Goed’ vmbo onderwijs is realiseerbaar met docenten die kennis van hun vak hebben en van het werkveld. Daarnaast beschikt een goede docent over specifieke pedagogische en didactische competenties. Het gaat erom dat het effectief didactisch handelen van de docent moet leiden tot de ontwikkeling van de leerlingen in een breed perspectief, het gaat om meer dan de score op een toets, maar ook om leerlingen te motiveren voor een beroep en het ontwikkelen van een arbeidshouding. Het is de bedoeling dat leerlingen zich ontwikkelen op het gebied van kennis, vaardigheden, houding, motivatie en identiteit. Op het vmbo wordt er een groter beroep gedaan op de pedagogische en didactische vaardigheden dan in het havo en vwo. De vakdocent op het vmbo moet het onderwijs aantrekkelijk maken voor praktisch ingestelde leerlingen (Onderwijsraad, 2011). LOB speelt hierin een belangrijke rol. Leerlingen moeten worden voorbereid op hun verdere studieloopbaan en een realistisch beeld krijgen van het werkveld. Uit onderzoek van stichting Platforms Vmbo in 2011 is gebleken dat leerlingen moeilijk goede keuzes kunnen maken in hun leerloopbaan en dat docenten moeite hebben om dit te begeleiden. Er wordt te weinig gepraat met leerlingen over hun toekomst. In 2010 is er een professionaliseringstraject samengesteld met als doel om docenten te leren praten met hun leerlingen over hun toekomst. Marinka Kuijpers, sinds 2012 werkzaam als bijzonder hoogleraar ‘Leeromgeving en leerloopbanen in het vmbo’ aan de Open Universiteit, heeft het project loopbaanreflectiegesprekken opgezet. Op de website leerloopbanen wordt deze theorie verder uitgelegd (http://www.leerloopbanen.nl).

Het Singelland College te Surhuisterveen wil weten of het LOB-beleid verbetert kan worden en naar aanleiding daarvan is besloten om te onderzoeken in hoeverre Surhuisterveen loopbaancompetenties kan inzetten voor de vormgeving van het Loopbaan Oriëntatie en -Begeleiding-programma (LOB).

Het doel van dit onderzoek is:

1. Inzicht krijgen in het LOB-programma van Marinka Kuijpers;

2. Inzicht krijgen in het huidige LOB-programma op het Singelland te Surhuisterveen;

3. Inzicht te bieden hoe leerlingen uit klas 4 bezig zijn met LOB gericht op loopbaancompetenties;

4. Aanbevelingen te doen over hoe het LOB-programma op het Singelland College te Surhuisterveen verbeterd kan worden;

Het onderzoek begint met literatuuronderzoek. Er wordt onderzoek gedaan naar de loopbaancompetenties zoals die zijn omschreven door Marinka Kuijpers, om er achter te komen wat goed LOB beleid is. Het literatuur en praktijkonderzoek richt zich op het inzicht bieden in het huidige LOB-programma op het Singelland te Surhuisterveen. Vanuit het literatuuronderzoek wordt een enquête opgesteld die gebruikt wordt bij het praktijkonderzoek. De enquête wordt bij 4e jaar leerlingen afgenomen en richt zich op het gebruik van loopbaancompetenties. Het doel is vanuit het literatuur- en praktijkonderzoek aanbevelingen te maken om het LOB-programma te verbeteren.

Richten

Het probleem van het maken van een verkeerde studiekeuze ontstaat tijdens de fase waarin de leerling zich oriënteert en een keuze maakt voor een vervolgopleiding. Op het mbo realiseren sommige studenten zich dat ze een verkeerde keuze hebben gemaakt. Dat leerlingen stoppen of wisselen van opleiding tijdens het eerste jaar van het mbo wordt gezien als een probleem voor het Singelland. De school wil namelijk leerlingen voorbereiden op het wereldburgerschap en leerlingen voorbereiden op de wereld van werk en vervolgstudie. Het onderzoek moet een bijdrage leveren aan het oplossen van het praktijkprobleem, door leerlingen beter te begeleiden in het maken van een bewuste keuze. De opbrengst van het onderzoek moet een beeld opleveren van het huidige LOB-beleid op het Singelland in Surhuisterveen en in hoeverre het huidige LOB-beleid van het Singelland aansluit bij de loopbaancompetenties van Kuijpers. Ook moet het onderzoek inzicht geven in hoeverre leerlingen gestimuleerd worden tijdens LOB om na te denken over hun kwaliteiten en hoe leerlingen hun kwaliteiten kunnen inzetten bij het maken van een studiekeuze.

Onderzoeksvragen

Hoofdvraag:

• In hoeverre kan het programma van Kuijpers de basis vormen voor het LOB-beleid op het Singelland College te Surhuisterveen?

Mijn deelvragen bij deze hoofdvraag:

1. Welke elementen van het programma van Kuijpers komen overeen met het LOB-beleidsplan van het Singelland College te Surhuisterveen?

2. Zijn er elementen van het programma van Kuijpers die ontbreken in het beleidsplan van het Singelland College te Surhuisterveen?

3. Zijn er elementen van het programma van Kuijpers die conflicteren met het LOB-beleidsplan van het Singelland College te Surhuisterveen?

4. Welke elementen uit het programma van Kuijpers worden door de leerlingen belangrijk geacht?

Plannen

Het probleem in de praktijk

Het Singelland College in Surhuisterveen wil nagaan in hoeverre het LOB-beleid leerlingen voldoende laat nadenken over het maken van een studiekeuze met betrekking tot loopbaancompetenties. Het Singelland College vindt het belangrijk dat leerlingen een bewuste keuze maken voor hun vervolgopleiding. Daarnaast wil het Singelland in Surhuisterveen een soepele aansluiting met het mbo waarborgen. Dat 17 van de 19 leerlingen gewisseld waren van opleiding wordt niet als een soepele aansluiting met het mbo ervaren. Tijdens het schooljaar 2014, 2015 was het ook voorgekomen dat leerlingen tijdens het eerste jaar wisselden van opleiding. LOB wordt in de bovenbouw aangeboden tijdens de mentorlessen. Dit betekent dat mentoren uitgerust moeten zijn om deze taak op zich te nemen. Tijdens de mentoruren maken leerlingen LOB-opdrachten, bespreken ze stages en oriënteren de leerlingen zich op een vervolgopleiding en het werkveld. Het is van belang dat de leerlingen weten wat hun kwaliteiten zijn en hoe ze deze willen inzetten in hun verdere studieloopbaan. Met het praktijkonderzoek wordt de praktijksituatie van LOB in de bovenbouw op het Singelland in Surhuisterveen in kaart brengen.

Daarnaast richt het onderzoek zich op het programma van Kuijpers. In hoeverre kan het programma van Kuijpers de basis vormen voor het LOB-beleid op het Singelland in Surhuisterveen? Het onderzoek moet zich richten op docenten en het beleidsplan. De uitkomsten van het onderzoek kunnen leiden tot een aanbeveling of kunnen een startpunt vormen voor het ontwikkelen van een nieuw beleid.

Het beleidsplan van het Singelland in Surhuisterveen geeft een deel van de kaders aan van het LOB- programma in Surhuisterveen. Aan de hand daarvan wordt een enquête voor leerlingen ontworpen, gericht op de kwaliteiten van de leerling. Deze resultaten worden geanalyseerd zodat er een beeld ontstaat van de uitwerking van het huidige LOB beleid. De resultaten worden vergeleken met de voorstellen die Kuijpers doet.

Methode

Voor het praktijkonderzoek worden leerlingen uit klas 4 benaderd. Leerlingen worden tijdens pauzes, tussenuren en op de gang benaderd om een enquête in te vullen. Op deze manier hoeft er geen extra tijd vrij gemaakt worden om de enquête te realiseren. Het doel is om 30 leerlingen de enquête in te laten vullen. Op deze manier is er genoeg data voor een kwantitatief onderzoek. Hieruit moet duidelijk worden op welke manier leerlingen geprikkeld worden om na te denken over hun kwaliteiten en hoe zij deze kwaliteiten kunnen inzetten bij de verdere studieloopbaan. Aan de hand van het literatuuronderzoek is een enquête opgesteld.

Onderzoeksactiviteiten

In dit hoofdstuk worden de onderzoeksvragen behandeld. Om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden zijn bijbehorende deelvragen geformuleerd. Dit onderzoek zoekt naar antwoorden op deze vragen. De hoofdvragen met bijbehorende deelvragen worden in dit hoofdstuk uiteengezet. Elke deelvraag wordt hier afzonderlijk toegelicht.

Mijn hoofdvraag voor dit onderzoek is:

‘’In hoeverre kan het programma van Kuijpers de basis vormen voor het LOB beleid op het Singelland College te Surhuisterveen?’’

Om deze vraag te kunnen beantwoorden wordt gebruik gemaakt van de volgende theoretische en praktische deelvragen.

1. Welke elementen van het programma van Kuijpers komen overeen met het LOB-beleidsplan van het Singelland College te Surhuisterveen?

Deze theoretische vraag is van belang om een goed beeld te vormen van het LOB-plan op het Singelland College te Surhuisterveen en het programma van Kuijpers. Door middel van verzamelen van gegevens maar ik een analyse. Ik ga vergelijken welke elementen van het programma van Kuijpers terug te vinden zijn in het beleidsplan op het Singelland College. Dit doe ik aan de hand van literatuuronderzoek en door gebruik te maken van de documenten omtrent LOB aanwezig op het Singelland.

2. Zijn er elementen van het programma van Kuijpers die ontbreken in het beleidsplan van het Singelland College te Surhuisterveen?

Aan de hand van de uitkomsten uit de eerste deelvraag kan antwoord gegeven worden op de tweede deelvraag. Het gaat hier om een analyse van de theorie van Marinka Kuijpers en de praktijksituatie van LOB op het Singelland College. Tot slot geeft deze deelvraag inzicht in theorie van loopbaan competenties en hoe de theorie kan bijdragen aan het LOB beleid van het Singelland te Surhuisterveen.

3. Zijn er elementen van het programma van Kuijpers die conflicteren met het LOB- beleidsplan van het Singelland College te Surhuisterveen?

Door de theorie van Marinka Kuijpers en het beleidsplan van het Singelland naast elkaar te leggen kan er een beeld geschetst worden van de uitwerking van de theorie van Marinka Kuijpers. Deze theoretische deelvraag is opgenomen om te bepalen hoe de huidige situatie op het Singelland College zich verhoud met de theorie over loopbaan competenties.

4. Welke elementen uit het programma van Kuijpers worden door de leerlingen belangrijk geacht?

Deze praktische deelvraag is opgenomen in het onderzoek om te bepalen welke elementen leerlingen belangrijk vinden tijdens LOB. Door het huidige LOB beleid in beeld te brengen met behulp van literatuuronderzoek en het afnemen van een enquête onder leerlingen uit de vierde klas kunnen gerichte aanbevelingen worden gegeven voor een verbetering van het huidige LOB beleid op het Singelland.

Betrokkenheid van anderen.

Voor mijn onderzoek heb ik de medewerking nodig van leerlingen uit klas vier. Een andere belanghebbende in dit onderzoek is Dhr. De Boer, een medestudent. Aanvankelijk was er het idee dat wij het onderzoek samen zouden uitvoeren. De samenwerking bestaat nog wel, maar we hebben besloten dat we beiden voor een andere uitwerking kiezen. De Boer is momenteel LIO-stagiaire op het Singelland in Surhuisterveen, hij zal de enquête onder de leerlingen afnemen.

Planning

onderzoeksvragen Onderzoeksactiviteit Wanneer:

Hoofdvraag 1 Literatuur / praktijkonderzoek Juni-juli 2017

Deelvraag 1 Literatuur onderzoek Mei/juni 2017

Deelvraag 2 Literatuur onderzoek 22-05-17 tot 28-08-17

Deelvraag 3 Literatuuronderzoek 22-05-17 tot 28-09-17

Deelvraag 4 Praktijkonderzoek 1-07-2017 / 15-10-2017

Randvoorwaarden

Bij het afnemen van enquêtes onder vierde klas leerlingen zal voldoende tijd ingepland moeten worden. Ik ga uit van minimaal tien minuten per ingevulde enquête. Ik maak gebruik van gesloten vragen, het gaat om een kwantitatief onderzoek. Het afnemen van de enquêtes kan plaatsvinden in de gangen en openbare ruimten van het Singelland College in Surhuisterveen.

3. Theoretisch kader

Het theoretisch kader richt zich op het programma van Kuijpers. Het hoofdstuk is opgedeeld in twee verschillende paragrafen. De eerste paragraaf gaat in op de loopbaancompetenties en hoe LOB vormgegeven kan worden aan de hand van de theorie van Kuijpers. Hierbij wordt gekeken hoe de loopbaancompetenties aangeleerd kunnen worden zodat leerlingen voorbereid worden op hun loopbaan. De tweede paragraaf gaat in op hoe LOB op dit moment wordt vormgegeven op het Singelland College te Surhuisterveen.

3.1 Het programma van Kuijpers.

In deze paragraaf worden de doelen van LOB beschreven. De doelstellingen zijn ontleend aan diverse recente onderzoeken naar loopbaangerichte leeromgevingen (Meijers, Kuijpers & Bakker, 2006; Kuijpers, Meijers & Bakker: Meijers, Kuijpers & Winters, 2010). Het doel van veel scholen is het aanbieden van een samenhangend en doorlopend LOB programma waarin loopbaancompetenties worden aangeleerd waardoor leerlingen leren te onderzoeken, keuzes te maken en leren sturing te geven aan hun loopbaan. In tabel 1 staan de loopbaancompetenties weergegeven.

Tabel 1 Loopbaancompetenties en hun betekenis.

Loopbaancompetenties betekenis

Kwaliteitenreflectie

De leerling leert zichzelf kennen, onderzoek wat zijn kwaliteiten zijn en krijgt zich op zijn eigen wensen en (on)mogelijkheden.

Motievenreflectie

De leerling onderzoek wat zijn interesses en motieven zijn en ontdekt wat hij / zij belangrijk vindt in het leven.

Werkexploratie

De leerling onderzoekt wat voor beroeps- en opleidingsmogelijkheden er zijn en ontdekt wat hem wel en niet interesseert en waarom.

Loopbaansturing

De leerling ontdekt wat hij (nog) nodig heeft aan kennis, houding en vaardigheden om zijn doelen te realiseren en oefent daarop invloed uit; hij maakt keuzes en verantwoord keuzes.

Netwerken

De leerling ontdekt dat anderen van betekenis kunnen zijn voor zijn toekomst; hij legt contacten en onderhoud contacten.

3.1.1 De loopbaancompetenties

Kwaliteitenreflectie

Bij deze competentie helpt de docent de leerling bij het nadenken en ontdekken van zijn of haar sterke kanten. Leerlingen leren hun sterke kanten kennen in verschillende situaties. Dit kan zijn; tijdens de schooltijd of tijdens een stage, maar dit is ook buiten de school van toepassing, bijvoorbeeld tijdens het beoefenen van een hobby of sport. Voorbeelden van vaardigheden, sterke kanten dus zijn; creativiteit, een inlevend vermogen, praktisch inzicht, nauwkeurigheid, een probleem oplossend vermogen, handig zijn met gereedschap, dienstbaarheid, mensenkennis of stressbestendigheid.

Bij kwaliteitenreflectie focust de leerling op de positieve kant van loopbaanontwikkeling. De leerling kijkt voor wat er goed gaat tijdens de LOB activiteit. Het is de taak van de LOB-begeleider dat de leerlingen geholpen worden bij het leren (her)kennen van zijn of haar kwaliteiten. De leerling kan dan deze kwaliteiten bewust verder ontwikkelen en inzetten tijdens moeilijke situaties of leeropdrachten. Het doel is dat de leerling zijn of haar kwaliteiten kan gebruiken bij het maken van loopbaankeuzes.

Motievenreflectie

Leerlingen leren bij deze competentie nadenken over hun interesses, wensen en waarden die van belang zijn voor hun eigen loopbaan. Het gaat hierbij om dat leerlingen bewust worden over wat zij eigenlijk belangrijk vinden in hun eigen leven, wat voldoening geeft, en wat iemand nodig heeft om prettig te kunnen werken(https://vo-lution.nl/wat-zijn-de-vijf-loopbaancompetenties-van-marinka-kuijpers/). De leerling ontdekt deze wensen en waarden door middel van ervaring opdoen. Ervaringen die de leerling zijn bijgebleven zijn voor hem of haar belangrijk.

Het is de bedoeling dat deze ervaringen met de LOB-begeleider worden besproken. Tijdens LOB leert de leerling om deze ervaringen te verwoorden en om te zetten naar wensen voor de toekomst. leerlingen kunnen tijdens LOB, stages, bij het maken van opdrachten op school en tijdens buitenschoolse activiteiten, situaties ervaren waarin zij merken welke waarden belangrijk zijn, en of deze waarden bij een toekomstige werkplek passen. Deze waarden kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op hoe mensen met elkaar omgaan of hoe problemen worden aangepakt. Conflicten en dilemma’s en geluksmomenten kunnen door de LOB-begeleider gebruikt worden om de leerling te helpen diens waarden te achterhalen.

Werkexploratie

Bij werkexploratie denken leerlingen na over een werksituatie waarin zij zich prettig zouden voelen. Voorbeelden kunnen zijn; houd je ervan om buiten te zijn? Vind je het prettig om in een kantooromgeving te werken? Heb je graag mensen om je heen tijdens je werk? Vind je het leuk om mensen te helpen? Werkexploratie kan over onderwerpen gaan zoals taken in het werk, de dagindeling of werkplek. Daarnaast komen er meer complexe onderwerpen aan bod, zoals werkcultuur, ontwikkelingen in de arbeidsmarkt en arbeidsmogelijkheden.

Loopbaansturing

Bij loopbaansturing leren leerlingen toekomstgericht plannen en het beïnvloeden van het leer- en werkproces. Dankzij de ontwikkeling van de voorgaande competenties, weten leerlingen beter welke kant zij op willen gaan. De LOB-begeleider helpt de leerlingen te kijken wat er moet gebeuren om dat doel te bereiken, en daagt de leerlingen uit om stappen in die richting te zetten. De leerling leert keuzes te maken, doet ervaringen op en verzameld bewijzen van wat je kunt doen om later werk te vinden dat beter aansluit bij de interesses van de leerling.

Het is de bedoeling dat leerlingen worden gemotiveerd in dit proces door kleine, maar uitdagende stappen te zetten die haalbaar zijn; ‘Wat ga je hier morgen mee doen?’ Om deze stappen voor leerlingen haalbaar te maken is het van belang dat de leerling de stappen zoveel mogelijk zelf bepaald. Dit kan betrekking hebben op;

• oriëntatie; op onderzoek uitgaan, met mensen praten, ergens gaan kijken

• oefenen; iets nieuws leren war de leerling nieuwsgierig naar is

• bewijzen: laten zien wat je kunt.

Loopbaansturing betekent dat leerlingen uitgedaagd worden om binnen de context waar dingen moeten, iets op te pakken wat ze willen leren of kunnen bewijzen.

Netwerken

Deze competentie gaat over het opbouwen, gebruiken en onderhouden van een netwerk. De LOB-begeleider bespreekt met een leerling hoe een netwerkcontact benaderd kan worden. Maar ook hoe een netwerk kan worden ingezet en wat de leerling kan doen om het contact te behouden.

De LOB-begeleider en de leerling kunnen samen nagaan:

• Wie de leerling kent die hij direct kan benaderen om hem hierbij te helpen, bijvoorbeeld een netwerk rondom die vraag in kaart te brengen

• Wie meer over het onderwerp weet maar die hij niet persoonlijk kent en hoe de leerling met die persoon in contact kan komen.

• Hoe de leerling iemand kan benaderen, bijvoorbeeld: via welk contact, wat een goed moment is, welk communicatiemiddel te gebruiken, regels die de leerlingen hanteren of oefenen om in 1 minuut te kunnen zeggen wie hij is, wat hij wil, waarom hij die persoon benadert, wat hij van diegene vraagt en wat de leerling er tegenover stelt.

• Hoe de leerling zijn netwerk kan onderhouden; op de hoogte houden, iets voor zijn netwerkcontact kan betekenen etc.

3.1.1 De drie kenmerken van een loopbaan-oriënterend programma

Meijers en Kuijpers geven drie condities waaraan een effectief loopbaan-oriënterend programma en een loopbaangerichte leeromgeving aan moet voldoen. Volgens Meijers en Kuijpers wordt het ontwikkelen van loopbaancompetenties gestimuleerd in een leeromgeving die praktijknabij en vraag-gestuurd is. in deze leeromgeving vindt reflectie plaats op de opgedane ervaringen door met leerlingen een dialoog te hebben over die ervaringen.

De drie condities van een effectief loopbaan-oriënterend programma en een goede loopbaangerichte leeromgeving (figuur 1).

1. Praktijknabij.

over het algemeen hebben leerlingen een beperkt beroeps- en opleidingsbeeld. Het is van belang dat leerlingen werk en opleiding in de breedte en/of diepte verkennen. Dit kan worden gedaan door leerlingen in contact te laten komen met de beroeps- en opleidingspraktijk en door het uitvoeren van realistische opdrachten om de kenmerken van de sectoren, werkvelden, beroepen en opleidingen te ontdekken. Leerlingen kunnen in gesprek gaan met beroepsbeoefenaren of met mede leerlingen en vrienden. Ook ervaringen die leerlingen in hun vrije tijd opdoen zijn van belang en kunnen van betekenis zijn voor het keuzeproces.

2. Vraaggestuurd.

bij het ontwikkelen van loopbaancompetenties hebben leerlingen een actieve rol in hun eigen leerproces en leren de leerlingen om zelf keuzes te maken. Vraagsturing is echter in het regulier voortgezet onderwijs lastig te realiseren. Vanuit de vakken en beroepsgerichte programma’s worden namelijk doelen en eindtermen gesteld die leerlingen moeten halen. Meijers en Kuijpers hebben het dan ook over ‘medezeggenschap’. Leerlingen krijgen gaandeweg in het LOB-proces steeds meer invloed op hun volgende (loopbaanoriënterende) stap.

3. Reflectie door dialoog.

Een voorwaarde voor het ontwikkelen van loopbaancompetentie is dat de leerling reflecteert op de opgedane ervaringen en er betekenis aan geeft. Reflectie is dan zowel een middel als een doel. Leerlingen leren reflecteren door in gesprek te gaan met anderen. In een LOB-programma reflecteert de leerling op zijn of haar kwaliteiten en motieven. De vragen die daarbij gesteld kunnen worden zijn; (Wie ben ik? Wat kan ik? Wat wil ik? Waar sta ik voor? En ook op de ervaringen die hij opdoet, Wat heb ik gedaan? Wat ging goed en wat minder goed? hoe kwam dat? Wat past bij mij en wat niet? Waar ligt mijn passie en waar wil ik mij voor inzetten?) Hiervoor is het invullen van reflectieformulieren niet voldoende; er moet ook sprake zijn van echte gesprekken met leerlingen; de dialoog is van belang.

3.1.2 Loopbaanreflectiegesprekken

Het voeren van begeleidingsgesprekken met de leerling waarin wordt gesproken over de sterke kanten, waarden en het toekomstbeeld van de leerling, draagt bij aan een actieve loopbaanontwikkeling, een betere leermotivatie en meer passende keuzes van de leerlingen (Meijers, Kuijpers & Bakker, 2006).

Om leerlingen te leren kiezen is begeleiding op het moment van richting- of studiekeuze niet toereikend genoeg. Mogelijk maakt de leerling op dat moment wel een goede keuze, maar de leerling staat voor hetzelfde probleem als de volgende keuze gemaakt moet worden.

Bij het leren kiezen is het belangrijk dat leerlingen dus ervaring opdoen en experimenteren om zo een realistisch beeld van werk en opleiding te krijgen.(Keuzes in ontwikkeling, Platforms Vmbo, p.10). Dit kan door het onderwijsprogramma (deels) praktijk in te richten (Cohen-Scali, 2003). Bij het leren kiezen op basis van praktijkervaringen is reflecteren cruciaal. Om een actieve deelname bij leerlingen te realiseren moeten leerlingen wel wat te kiezen hebben. Het onderwijs, of het LOB-programma moet dan enigszins vraaggericht zijn, zodat leerlingen de kans krijgen om keuzes te maken in het leerproces, zodat reflectie geen doel op zich is maar een middel om sturing te geven aan de eigen leerloopbaan (Weick & Berlinger, 1989).

Een effectief loopbaangesprek kent vijf onderdelen;

• Het opbouwen van een goede relatie met wederzijds vertrouwen tussen leerling en begeleider;

• Het aanbieden van juiste en relevante informatie waarin verschillende mogelijkheden worden aangereikt;

• Betekenis geven aan ervaringen door reflectie;

• Stappen zetten op basis van de uitkomsten van reflectie;

• Netwerkontwikkeling en toegang verlenen tot een netwerk (Kuijpers & Meijers, 2008, p.246).

Deze onderdelen sluiten aan op de loopbaancompetenties (Kuijpers & Meijers, 2006). Tijdens een loopbaangesprek worden de studievoortgang en leerervaringen op school en in de praktijk van de leerling als uitgangspunt genomen. Het doel is dat de leerling inzicht in zichzelf ontwikkelt. De LOB-begeleider helpt de leerling verbanden te leggen tussen successen en teleurstellingen (Keuzes in ontwikkeling, Platforms vmbo, P.12).

Het loopbaangesprek heeft zoals eerder is vermeld een dialogisch karakter. In dit dialoog staat onderzoeken van gedachten, gevoelens en gedrag centraal. De loopbaan van de leerling is het uitgangspunt van het gesprek. Het is van belang dat de leerling mede zeggenschap heeft waar het gesprek over gaat en hoe het de leerling kan helpen. Een voorwaarde is dat de LOB-begeleider zich betrokken toont in de leerling en interesse laat zien in wat de leerling echt belangrijk vindt. Het reflectieve onderdeel van een loopbaangesprek staat in het teken van bewustwording en dit te koppelen aan mogelijkheden. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten belangrijk;

• In het reflectiegesprek wordt stilgestaan bij een recente ervaring, gebeurtenis, die er voor de leerling er toe doet.

• Er wordt nagegaan of dingen die (niet) goed gingen in deze situatie ook herkenbaar zijn in andere situaties, in het verleden, buiten school en op school. Op deze wijze kan worden nagegaan of het om een kenmerk (kwaliteit, drijfveer) van de leerling gaat.

• Nieuwe inzichten van de leerling worden in verband gebracht met de toekomst door deze te relateren aan toekomstbeeld en –streven. Reflectie staat in het teken van zelfontwikkeling (Kuijpers & Meijers, 2008, p.247).

3.1.3 loopbaandialoog in de praktijk gebracht

Tijdens LOB doet de leerling kennis op over zichzelf. Deze kennis wordt verzameld in de loopbaanverzameling, een leerling kan bijvoorbeeld tijdens LOB een CV of een logboek bijhouden. Hierin staan alle vaardigheden en kennis die een leerling kan inzetten bij het maken van loopbaankeuzes. De inhoud van het CV of logboek is voor elke leerling uniek. De loopbaanverzameling groeit door ervaringen en loopbaanreflectiegesprekken. Deze ervaringen kunnen stages zijn, LOB opdrachten, opdrachten die gemaakt worden bij een bepaald vak of tijdens buitenschoolse activiteiten.

Bij het voeren van een loopbaanreflectiegesprek is het belangrijk dat de docent zich afvraagt: Vraag ik de leerling nu informatie uit zijn rugzak te halen, zoals nodig is bij een keuzemoment of sollicitatiegesprek? Of help ik hem er iets aan toe te voegen? Loopbaanreflectiegesprekken zijn bedoeld om bij te dragen aan de rugzak, om te reflecteren op concrete ervaringen en zo kwaliteiten, motieven en een beeld van werk toe te voegen. De leerling heeft dan een gevulde rugzak bij een keuzemoment (Bijgestelde-handreiking-LOB.pdf, p. 6).

3.1.4 Terugkijken en vooruitkijken

Tijdens een loopbaangesprek kunnen een of meer loopbaancompetenties besproken worden. Dit hangt af van het doel en het verloop van het gesprek. Er wordt in ieder geval teruggekeken op een concrete ervaring en vooruitgekeken naar een volgende keuze (figuur 2).

3.1.5 Reflecteren

Tijdens LOB werken leerlingen aan de vaardigheid reflecteren. Leerlingen staan stil bij een gebeurtenis en kijken hoe zij dit hebben ervaren en wat ze ervan hebben geleerd. De LOB-begeleider en de leerling praten met elkaar. Praktisch gezien kan dit lastig zijn, zeker wanneer een LOB-begeleider of mentor te maken heeft met een grote klas. Ideaal gezien vindt een loopbaangesprek plaats tussen één leerling en de LOB-begeleider. Korte gesprekken kunnen op een wat informele wijze tussentijds gevoerd worden, maar voor een echt loopbaanreflectiegesprek is tijd nodig. De school zal dan op zoek moeten naar praktische oplossingen. Zo kan een loopbaanreflectiegesprek plaatsvinden na een stage, of tijdens een toets week wanneer er geen lessen zijn. Bij het maken van LOB-opdrachten is het natuurlijk mogelijk om klassikaal te reflecteren of dat leerlingen met elkaar in gesprek gaan.

3.1.6 Conclusie

3.2 Het LOB programma op het Singelland College te Surhuisterveen in kaart gebracht.

Deze paragraaf richt zich op het LOB beleid op het Singelland College te Surhuisterveen. Aan de hand van een interview met de decaan, een LOB scan en een overzicht van de LOB activiteiten wordt er een beeld geschetst van het huidige LOB beleid. Vanuit dit overzicht is het mogelijk om vervolgens te kijken welke elementen van het programma van Kuijpers overeenkomen met het LOB-beleidsplan. Tevens biedt het de mogelijkheid om te kijken welke elementen van het programma van Kuijpers mogelijk conflicteren met het LOB-beleidsplan en welke elementen ontbreken.

3.2.1 Interview met de decaan.

Studieloopbaan en –begeleiding wordt op het Singelland College te Surhuisterveen uitgevoerd door de mentor. Tijdens mentoruren wordt aandacht besteed aan LOB en maken de leerlingen verschillende opdrachten. De vakdocent heeft op dit moment geen rol in LOB. Het komt wel sporadisch voor dat de vakdocent een bijdrage levert aan LOB, maar dit gebeurd vaak spontaan. Docenten hebben over het algemeen weinig invloed op wat een leerling kiest, de ouders hebben de meeste invloed. Wat ouders vertellen aan de keukentafel is een stuk belangrijker dan wat op school gezegd wordt of wat vrienden vertellen.

Tijdens LOB wordt er wel gewerkt aan loopbaancompetenties, maar om echt te achterhalen waarom leerlingen iets kiezen, (motievenreflectie) is erg lastig. In gesprek gaan met de leerlingen geeft natuurlijk wel een beeld daarvan. Op Het Singelland proberen we een LOB-traject aan te bieden waar een opbouw in zit. Er wordt dan samen gekeken naar wat de leerling(en) leuk vinden.

Het LOB-traject geeft de mogelijkheid om een sterkte-zwakte analyse uit te voeren waarbij leerlingen aan anderen vragen wat zij vinden wat je goed kan. Hierbij worden ouders en klasgenoten benaderd. Leerlingen worden gestimuleerd om dit te onderzoeken en te testen. Of het beter is om de sterktes te versterken of aan de zwaktes te werken is afhankelijk van de motieven van de leerling.

Loopbaansturing vindt plaats door met leerlingen in gesprek te gaan. In de tweede klas zeggen leerlingen bijvoorbeeld dat ze verpleegkundige willen gaan doen. Vervolgens gaan leerlingen aan de hand van opdrachten onderzoeken wat ze daar voor nodig hebben en of het wel echt bij ze past, en hoe ze dat in het derde jaar willen vormgeven tijdens de stage. Dit is op het moment erg gestuurd vanuit de school. Er kan een grote slag gemaakt worden door dit bij de leerling neer te leggen. Op deze manier zou LOB meer vraaggestuurd worden. De competentie netwerken krijgt bij ons op dit moment weinig aandacht. Leerlingen zijn nog erg op zoek naar wat ze nu echt willen doen na hun schooltijd op het Singelland, een netwerk opbouwen klinkt leuk, maar heeft een leerling in klas twee of drie hier nu echt iets aan?

Werkexploratie vindt plaats door middel van meeloopdagen met een van de ouders of bekenden. In het eerste jaar lopen leerlingen een dagdeel mee met een van de ouders of een bekende. Tijdens een mentor uur wordt hierop gereflecteerd. In de tweede klas lopen de leerlingen een hele dag mee met een van de ouders of een bekende. Tijdens het derde jaar lopen de leerlingen twee weken stage en is er een maatschappelijke stage. De leerlingen moeten aan het einde van klas 3 twintig (Mas) maatschappelijke stage hebben afgerond. 10 uren in de onder- en 10 uren in de bovenbouw. Tijdens de maatschappelijk stage en tijdens de stage in het derde jaar houden leerlingen een logboek bij. De ervaringen die de leerlingen tijdens deze stage opdoen worden tijdens een mentoruur besproken. Tot slot worden er tijdens het derde jaar verschillende bedrijven bezocht. Verder heeft het Singelland College te Surhuisterveen twee decanen. Een decaan helpt bij het keuzeproces voor het samenstellen van het vakkenpakket voor het examen. Ook geeft de decaan informatie over vervolgopleidingen.

3.2.2 De LOB-scan

Studieloopbaan en –begeleiding wordt tijdens de mentoruren aangeboden. Tijdens de voorafgaande jaren werd gebruik gemaakt van de website dedecaan.net. Op deze website zijn draaiboeken te vinden om LOB vorm te geven. Het Singelland College in Surhuisterveen heeft besloten om in 2016 geen gebruik meer te maken van deze website. De school heeft nu een eigen google-classroom waar dezelfde opdrachten op terug te vinden zijn. Aan de hand van de lob-scan wordt een overzicht weergegeven over de huidige stand van zaken op het gebied van LOB. De LOB-scan is ingevuld aan de hand van de informatie beschikbaar voor dit onderzoek.

De vier kwadranten van de lob-scan van het Singelland College (figuur 3). Figuur 4 geeft de landelijke score weer.

Visie en beleid

Oriëntatie en begeleiding

Organisatie

Samenwerking

Aan de hand van de scan.lob-vo.nl/ een overzicht maken over de huidige stand van zaken op het gebied van LOB

Om vervolgens aan de slag te gaan met de gebieden waar nog vooruitgang geboekt kan worden, kan de school de LOB-routekaart gebruiken www.lob-vo.nl/kennisbank/pilot-projecten/lob-routekaart

Een schema maken van de LOB praktijken van jaar 1 tot en met 4

LOB-competenties Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Jaar 4

Kwaliteitenreflectie

Opdracht 6: Waar ben je goed in?

Opdracht 12: Verschillende type mensen.

Opdracht 15:

Beperkingen, wat kan ik minder goed? Opdracht 8: Waar ben je goed in?

Opdracht 16: Beperkingen, wat kan ik minder goed?

Motievenreflectie

Opdracht 5: Wat vind je leuk?

Opdracht 7: Wat vind je belangrijk?

Opdracht 12: Verschillende type mensen. Opdracht 6: Wat vind je leuk?

Opdracht 9: Wat vind je belangrijk?

Opdracht 13: Verschillende type mensen

Werkexploratie

Opdracht 3: Nadenken over de toekomst.

Opdracht 4: vmbo sectoren

Opdracht 13: Beroepen checken. Opdracht 4: Nadenken over de toekomst.

Opdracht 14: Beroepen checken.

Loopbaansturing

Opdracht 8: wat kies je nog meer?

Opdracht 9: Beroepsgericht vak.

Opdracht 10: Voorlopige sectorkeuze.

Opdracht 14: Interview met een boven-bouwer.

Opdracht 16: Wat vinden anderen van jou pakket of sectorkeuze?

Opdracht 17: Afronden van je keuze.

Opdracht 18: Terugblik op voorlopige sector keuze. Opdracht 3: Wat ga je kiezen dit jaar?

Opdracht 5: Mbo-sectoren.

Opdracht 7: Domeinen mbo.

Opdracht 10: Welke vakken bij welke sector?

Opdracht 11: Beroepsgericht vak.

Opdracht 12: Voorlopige sectorkeuze.

Opdracht 15: Interview boven-bouwer.

Opdracht 17: Wat vinden anderen van jou pakket of sectorkeuze?

Opdracht 18: Afronden van je keuze.

Opdracht 20 tot en met 23: opdracht verschillende sectoren.

Netwerken

n.v.t

(stages)

4. Methode

4.1

4.2 Data verzameling

4.3 Procedure

5 Resultaten

5.2 beoordeling LOB

6. Conclusie

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.