In de praktische opdracht voor Onderzoek 2 heb ik de bloemenmarkt... - Essay Marketplace

In de praktische opdracht voor Onderzoek 2 heb ik de bloemenmarkt…

1.1 Introductie

In de praktische opdracht voor Onderzoek 2 heb ik de bloemenmarkt markt & branche gekozen als omgeving deskresearch. Mijn onderwerp over literatuurstudie hierbij is internationale handel.

De sierteeltsector heeft mij sinds jongs af aan al geïnteresseerd, mede omdat bijna mijn gehele familie in de branche werkzaam is. Als bijbaan werk ik op terrein van Royal Flora Holland, de plek waar ieder jaar honderden miljarden stelen bloemen en potten planten binnenkomen en worden verhandeld. In de volgende hoofdstukken analyseer ik als eerst de bloemenmarkt in Nederland, gevolgd door de literatuurstudie internationale handel. Het laatste onderdeel van het portfolio is de enquête.

2.1 Deskresearch

2.1.1 Ontwikkelingen & trends

2.1.1.1 Bloemen als merk

Silke Tijkotte verteld haar verhaal over de ervaringen in de bloemen- en plantensector in een artikel van NRC. Volgens haar loopt Nederland achter op innovatie in de sector. “Om koffie is een hele lifestyle gebouwd, dat kan ook met bloemen en planten”, vertelt Tijkotte in het nieuwsartikel (Wout, 2016).

Er zijn bijvoorbeeld weinig merken in bloemen en planten. Merken waarmee de consument geassocieerd wilt worden. Zo worden koffiedrinkers graag gezien in de Starbucks en rook(te) je Marlboro als je mannelijk en ruig bent (Stuivenwold, 2016). Ook ontbreekt vaak het verhaal rond bloemen dat minimaal in de markt wordt gebracht door kwekers en telers van allerlei soorten bloemen. “En dat terwijl de jonge doelgroep in de stad graag producten met een verhaal koopt. Communicatie is heel belangrijk.”, vult Silke aan.

2.1.1.2 One-stop-shopping

Veranderend consumentengedrag zorgt steeds vaker voor one-stop-shopping. Dit principe houdt in dat de consument zoveel mogelijk producten op een plek kan kopen. Supermarktketens spelen hierbij een belangrijke afzetmarkt voor de consument die graag een bloemetje koopt tijdens het boodschappen doen. (Onbekend, 2016)

2.1.1.3 Focus op eindgebruiker

Telers van snijbloemen en planten gebruiken steeds vaker sociale media om de sierteelt weer onder de aandacht van de consument te brengen. Coca-Cola bijvoorbeeld, maakt reclame gericht op de eindgebruiker. En dat terwijl de eindgebruiker niet rechtstreeks Coca-Cola kan inkopen op de site van Coca-cola. Door middel van de reclame creëert Coca-Cola vraag naar hun product, die dan in een plaatselijke supermarkt kan worden aangeschaft.

Een dergelijk voorbeeld kan ook omgedraaid worden naar de bloemensector. Verschillende kwekers maken samen collectieve reclame(s) en proberen daarmee vraag te creëren naar snijbloemen in zijn geheel, die op hun tijd allen tezamen een boeket vormen bij de plaatselijke bloemist, tuincentrum, markt of supermarkt. (Steijger, 2014)

2.1.1.4 Gardening

Tenslotte: Gardening, een trending topic op het social media platform Pinterest. Hierbij delen mensen foto’s van hun beplante tuin met hun omgeving en geïnteresseerden. Ook dit is een opkomende trend in de sierteeltsector waarbij een dosis creativiteit en groene vingers een vereiste zijn. Het gaat in deze tijd daarom niet meer om de prijs van de bloemen en/of planten, maar de beleving en uitstraling van het geheel. Dat is wat mensen willen ervaren en delen met familie, kennissen en de rest van hun sociale omgeving. (Onbekend, Pinterest, 2017)

Screenshots van topics over #gardening

2.1.2 Cijfers in de sierteeltsector

2.1.2.1 Detailhandel

In 2016 bedroeg de omzet in bloemenwinkels en supermarktketens 796 mln. euro excl. btw. Daarmee bezitten zij een marktaandeel van 11% in Huis & Tuin, die zelf met 7.315 mln. euro 7% van de gehele detailhandelsmarkt uitmaakte, gedurende 2016. Tuincentra zijn niet meegenomen in bovenstaande omzetrealisatie, vandaar dat de omzet op de volgende pagina niet overeenkomt met bovenstaande omzet.

De werkgelegenheid bedroeg 9.711 werkplekken in bloemenwinkels. Dit is 21% van de gehele Huis & Tuin sentiment, die op zichzelf weer met 47.329 banen 9% van de detailhandelsmarkt uitmaakte, gedurende het jaar 2016.

Het aantal winkels in Huis & Tuin was in 2016 13.389 die daarmee 14% van de detailhandelsmarkt bezit. 3.921 van de 13.389 zijn bloemisten (29% van Huis & Tuin sentiment).

(McQ)

Omzetkengetallen

2014 2015 2016

Omzet per winkel x €1.000 208 219 222

Omzet per m2 WVO 1.234 1.289 1.289

Omzet per FTE 80.896 81.964 81.972

Omzet per werkzame persoon 58.844 59.527 59.601

Aantal winkels naar type winkelgebied

2014 2015 2016

Aantal verkooppunten 4.100 3.992 3.921

– Hoofdwinkelcentra 1.636 1.590 1.566

– Ondersteunende winkelcentra 1.011 1.009 984

– Verspreide winkels 1.400 1.350 1.326

– Grootschalige concentraties 53 43 45

(Bron: Detailhandel.info)

Met een stijging van de omzet per winkel in 2016, vergeleken met voorgaande twee jaren, is de vraag naar snijbloemen en potplanten gestegen naar een gerealiseerde omzet van 222.000 euro per verkooppunt. Aangezien snijbloemen een luxeproduct zijn, is in tijden van economische crisis en laagconjunctuur de omzet van detailhandelaren en supermarktketens aanzienlijk laag vergeleken met jaren waarin de economie aantrekt en er hoogconjunctuur is. Zo ook in 2016, waarin Nederland langzaam maar zeker uit de economische crisis is gekropen.

Toch is de totale omzet van snijbloemen en potplanten in Nederland afgenomen de afgelopen jaren. Meer winkels hebben een faillissement aangevraagd dat leidde tot een aantal verkooppunten van 3.921 in 2016 vergeleken met 3.992 in 2015. In cijfers is dat een omzetdaling van 874.248 (x €1000) tot 870.462 (x €1000). (Onbekend, Detailhandel.info, 2016)

2.1.2.2 Consument

2.1.2.2.1 Inkomen per hoofd

Het Centraal Plan Bureau publiceert vier keer jaarlijks een schatting van het toekomstig verwachte inkomen per inwoner. In 2015 was dit totaal geschat op €35.500 euro per hoofd. In 2016 is dit €36.500 euro per hoofd. (Onbekend, Gemiddeld-inkomen, 2016)

2.1.2.2.2 Bloemen inferieure goederen

Met de cijfers uit het hoofdstuk ‘Detailhandel’ en cijfers uit bijhorende tabellen kunnen we de inkomenselasticiteit berekenen. Die geeft aan in welke mate de vraag naar een bepaald product veranderd in verhouding tot de inkomensveranderingen in een jaar. Inkomenselasticiteit = (%Δvraag)/(%Δinkomen) , geeft aan of het product een luxeproduct (uitkomst => 1), een noodzakelijk goed (uitkomst 0 – 1), een indifferente goed (uitkomst = 0) of een inferieur goed (uitkomst <= 0) is. In het geval van snijbloemen en potplanten is de uitkomst: ((((870.462-874.248)/874.248)x100%)/((((36.500-35.500)/35.500) x100%) = (-0,43%)/(2,82%) = -0,15

In het rekenvoorbeeld is de omzet gebruikt als indicator voor de gevraagde hoeveelheid en zijn de inkomens gebaseerd op modaal inkomen (CBS.nl).

De uitkomst is zeer opmerkelijk: bloemen zijn een inferieur goed. De gevraagde hoeveelheid goederen stijgen bij een dalend inkomen, en dalen bij stijgend inkomen.

Aangezien hier de omzet is gebruikt als indicator voor de procentuele verandering van de vraag, is de uitkomst mindervalide en betrouwbaar dan bij een werkelijke vraaghoeveelheid. De werkelijke vraaghoeveelheid is in dit onderzoek niet tot de beschikking gekomen. Daarnaast is de uitkomst van de formule niet representatief genoeg voor voorgaande en komende jaren, uitgezonderd dit onderzoeksjaar 2016 (Onbekend, sd), (Onbekend, Detailhandel.info, 2016).

2.1.3 Conclusie

Bovenstaande gegevens hebben een duidelijk beeld geschetst over de bloemenmarkt markt & branche in Nederland. Actuele ontwikkelingen en cijfers tonen aan dat de vraag naar de producten tot dusver aan het dalen is. De consument gaat bij een hoger besteedbaar inkomen vaker op zoek naar iets wat hen meer in behoefte voorziet. Hieruit zou je dus kunnen concluderen dat een bosje bloemen niet meer wordt gezien als iets bijzonders of exclusiefs. Op die ontwikkeling spelen retailers dus nog niet (genoeg) in.

In het besproken hoofdstuk met trends & ontwikkelingen kwam naar voren dat de consument tegenwoordig graag wordt geassocieerd met een bepaalde lifestyle. Bloemen als merk zou dus een goede investering kunnen zijn voor retailers. Een merk dat past bij een bepaalde lifestyle van de consument. Investeren in marketing speelt daarbij een belangrijke factor om bloemen als merk een succes te laten worden.

2.1.4 Literatuurlijst

Tijdens mijn deskresearch heb ik verschillende websites bezocht en gebruikt in mijn onderzoek. Hieronder nog duidelijk de links naar de websites:

Bron A: (Julsing)

Bron B: APA-richtlijnen

Bron C: https://www.one4marketing.nl/blog/bid/157405/Brand-personality-ontmaskerd-hoe-menselijk-kan-een-merk-zijn

Bron D: https://www.nrc.nl/nieuws/2016/05/18/gezocht-bloemisten-van-de-toekomst-1619326-a1210812

Bron E :https://www.rabobankcijfersentrends.nl/index.cfm?action=branche&branche=Groothandel_in_bloemen_en_planten

Bron F: https://www.frankwatching.com/archive/2014/01/30/niet-concurreren-op-prijs-maar-uitstraling-sierteelt-storytelling/

Bron G: https://nl.pinterest.com/explore/tuinontwerp-901468450490/

Bron H: http://detailhandel.info/index.cfm/branches/huis-tuin/bloemenwinkels/

Bron I: http://www.gemiddeld-inkomen.nl/schatting-inkomens/)

Bron J: https://www.economielokaal.nl/inkomenselasticiteit-2/

Op basis van de bronnen heb ik in onderstaande tabel een overzicht gemaakt van de actualiteit, validiteit, betrouwbaarheid, relevantie en onafhankelijkheid van de bronnen, gebaseerd op: Zeer Slecht (ZS), Slecht (S), Matig (M), Goed (G), Zeer Goed (ZG).

Bron Actualiteit Validiteit Betrouwbaarheid Relevantie onafhankelijkheid

A ZG ZG ZG ZG ZG

B ZG ZG ZG ZG ZG

C G G ZG M M

D ZG G G ZG G

E ZG ZG ZG G ZG

F G G G G G

G ZG ZG ZG ZG ZG

H G M M M ZG

I G G M G M

J N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

3.1 Literatuurstudie

3.1.1 Internationale handel

3.1.1.1 Definitie

Internationale handel is een groot omschreven begrip dat is gericht op handel tussen verschillende landen wereldwijd. Export is gericht op het uitvoeren van goederen of diensten naar een ander land, Import daarentegen is gericht op het invoeren van goederen of diensten van een ander land.

Al eeuwenlang bedrijft Nederland handel met landen wereldwijd. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) is een goed voorbeeld van internationale handel in de geschiedenis. Die werd in 1602 opgericht om wereldwijde handel te voeren en zo alle bedrijven in Nederland een gelijke kans te geven om het maximale uit hun omzet te halen.

Internationalisering ofwel globalisering is de laatste tientallen jaren zeer in trek. Mede door internet is globalisering een feit geworden. Door internationalisering van de handel, stijgt de welvaart en gaat iedereen erop vooruit. Schommelingen van wisselkoersen werden bijvoorbeeld verleden tijd bij het ontstaan van de Europese Unie. Invoerrechten werden realiteit en daardoor konden Europese landen zonder invoerbelasting met elkaar handelen.

3.1.1.2 Wetenschappelijke artikelen

3.1.1.2.1 Internationale handel in ontwikkelingslanden

Linnemann, H. (1992). Internationale handel en economische groei in ontwikkelingslanden. Research Memorandum, 1992, 28.

(Bron bibliografie Linnemann: https://www.iss.nl/about_iss/honorary_fellows/hans_linneman/)

Bovenstaande tekst lijkt erg interessant voor ieder land, immers: welk land wilt nu niet een goede welvaart? Toch zijn hier ook kanttekeningen bij te plaatsen, blijkt uit het wetenschappelijke artikel van Linnemann .

Kortgezegd komt het erop neer dat eigen economisch belang van landen vaak voor (moeten) gaan aan internationale belangen. Internationale handel zorgt ook voor nadelen op nationaal gebied. Een voorbeeld is dat banen dreigen te verdwijnen. Om dit te voorkomen leggen landen beperkingen op aan invoer van producten. Importbelasting is een bekende.

“Handel als motor van de economie” is een belangrijke visie als het gaat om de uitbreiding van de economische groei. Samen met de productiefactoren kennis, kapitaal en technische kennis zorgt handel voor groei van de nationale economie.

In ontwikkelingslanden is echter weinig sprake van kennis, kapitaal en technische kennis. Dergelijke landen zijn daarmee afhankelijk van andere landen die hun productie willen richten op goedkopere, en dus ontwikkelingslanden. Handel is dus slechts een hulpje, een dienstknecht, als het gaat om het belang van de nationale economische groei. Een gelijkmatig groeiende binnenlandse markt is allereerst noodzaak voor ontwikkelingslanden, gepaard met importsubstitutie. Daarnaast is productiviteitsgroei een aandachtspunt en moeten politieke rente en prijsdistorsie volledig bestreden worden. De laatste twee punten komen regelmatig voor in ontwikkelingslanden, omdat de overheid daar veelal corrupt is.

Een nieuwere theorie van de internationale handel wordt in het wetenschappelijke artikel zeer uitgebreid uitgelegd in taal die voor menigeen moeilijk is te begrijpen. Helder en met een begrijpbare woordenspeling: Voor een cruciale verbetering van de economische groei en handelspositie in ontwikkelingslanden zijn “man-made advantages” nodig. Dit zijn onnatuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan een productieproces. Comparatieve voordelen worden hierdoor dus overruled. Er is weinig natuurlijks aan horloges uit Zwitserland, auto’s uit Japan of kunstmest uit Nederland.

3.1.1.2.2 Anders globaliseren

Cedric Ryngaert, Anders globaliseren, Mensenrechten, milieu en internationale handel (uitgeverij ACCO te Leuven/Voorburg – 2007). ISBN: 978-90-334-6597-0.

(Bron: https://www.globalinfo.nl/Recensies-enzo/recensie-voorzichtig-anders-globaliseren)

(Bron: Anders globaliseren, boek uit bibliotheek De Haagse Hogeschool).

In Anders globaliseren gaat Cedric Ryngaert in op het probleem dat in de huidige situatie van globaliseren, of internationaliseren, de mensenrechten en het milieu voorbijgaan en volgens Cedric geen belangrijk aspect spelen. Commercialisering is de blokkade voor deze twee vergeten aspecten in de mondialisering. “Zonder een juridisch kader zou de wereld ten prooi kunnen vallen aan het dictaat van de economie en zouden sociale cohesie en duurzame ontwikkeling op de heling komen te staan. Over dit mondiaal juridisch kader gaat dit boek.”, schrijft Ryngaert.

Momenteel worden vaak arbeids- en milieunormen overschreden door multinationals die produceren in het Zuiden, en het hoofdkantoor hebben gevestigd in het Noorden. Deze multinationals overtreden dikwijls de wet. Overheden treden weinig tot niet op. Dit heeft twee hoofdredenen: de overheid beschikt niet over de middelen om op te treden tegen de overtredingen van de bedrijven of kijkt toe naar hoe deze multinationals hun gang gaan omdat de overheid daar haar eigen voordeel bij heeft. Cedric noemt in zijn boek een mogelijke oplossing voor dit probleem: een onafhankelijke rechtbank in het Noorden die de capaciteiten heeft om de overtreders van de wet in het Zuiden te straffen. Met de nadruk op het Noorden, omdat daar de hoofdkwartieren gevestigd zijn.

In deel twee van Anders globaliseren legt Ryngaert verband tussen duurzame ontwikkeling en vrijhandelsregels. Hierbij veronderstelt hij dat hoge milieunormen in het Noorden de ontwikkeling van landen in het Zuiden belemmeren. Het Zuiden kan niet voldoen aan de verwachte producteisen van de multinationals uit het Noorden. ‘Verkapt protectionisme’ noemt Cedric het netjes in zijn boek. Oplossingen volgens hem zouden zijn dat het Noorden het Zuiden tegemoet moet komen door te investeren in een schonere energie in het Zuiden.

Bovenstaande lijkt een onschuldig idee. Toch is hier een kanttekening aan te plaatsen: wie zegt dat politiek Noorden baat heeft bij een snelgroeiende industrie in het Zuiden dat op den duur concurreert met hoogwaardige industrie in het Noorden?

3.1.1.2.3 Vrijhandel en globalisering

Van Dun, F. (2004). Vrijhandel en globalisering. Libertarian. nl.

(Bron: https://biblio.ugent.be/publication/290771/file/6774235.pdf)

Het tijdperk van factormobiliteit. Dat is in een zin samengevat wat Frank van Dun heeft geschreven in zijn wetenschappelijk artikel Vrijhandel en globalisering. Een hele interessante en informatievolle artikel die iets bij heeft gebracht wat voorlopig niet weg te denken is. Vooral omdat dit artikel, die in 2004 is verschenen, anno 2017 zeer relevant is op politieke en economische sancties van de nieuwe president van de Verenigde Staten van Amerika.

Frank begint in zijn artikel met een voorbeeld over Peravië waar slechts appels geteeld kunnen worden en Appelonië waar slechts peren geteeld kunnen worden. Wat echter als de productiviteit van appels en peren in Appelonië hoger ligt dan bij Peravië? Dan lijkt het alsof Appelonië een absoluut voordeel heeft in de productie van beide fruitsoorten. Toch moeten we niet slechts naar absolute voordelen, maar ook naar relatieve voordelen kijken. Als het kostenverschil niet even groot is, ook al kan Appelonië nog zoveel peren produceren, is handel tussen beide landen nog steeds aantrekkelijk om de welvaart onderling te stimuleren. Deze zogeheten comparatieve voordelen zijn in een theoretisch kader hierboven uitgelegd, afkomstig van David Ricardo (1772 – 1823). Het verhaal van Ricardo is in het artikel een leidraad voor het verhaal van Frank van Dun.

Van Dun verteld kortgezegd in zijn artikel de opkomst van machines en goedkope communicatie die zorgden voor specialisatie in onder andere technische kennis van Westerlingen. Hogere productie zorgde weer voor hogere afzet en daarmee hogere lonen voor de westerlingen vergeleken met lage lonen voor de Derdewereldlanden. Investeringen in die landen konden pas gedaan worden vanaf de jaren ’70 toen Oosterse landen als Japan zich openstelde voor investeringen waar goedkope en welwillende arbeidskrachten klaar stonden om te werken. Dat veranderde nog meer nadat in 1980 het communistische China haar economisch beleid veranderde en tien jaar later het communistische blok uiteenviel.

Deze ‘relocatie’ zorgt uiteraard voor lagere consumentenprijzen in het Westen, wat weer voordelig is voor kostenbesparingen die op hun tijd hier weer geïnvesteerd kunnen worden in nieuwe bedrijfstakken waarvoor in het Westen een groot relatief kostenvoordeel bestaat. Vooralsnog geen punt om ons zorgen te maken. Zodra die besparingen leiden tot investeringen in andere werelddelen, is de situatie anders. De Westerse investeerders hoeven zich geen zorgen te baren, maar het grootste deel van de Westerse bevolking, dat uit werknemers bestaat, trekken aan het kortste eind. Ze moeten werk zoeken in andere branches zoals de dienstverlenende sector, al is niet iedereen geschikt om te werken in de dienstverlenende sector.

Concluderend uit bovenstaande alinea zouden we kunnen opmaken dat het Westen is beland in een diensteneconomie, waarin niet ‘middelen’ (goederen) maar ‘waarden’ (diensten als knippen) worden geruild. Middelen raken in zo’n economie langzaam maar zeker op, waardoor meer middelen geïmporteerd moeten worden uit lagelonenlanden waar Westerse bedrijven zich hebben gevestigd. Het is uiteraard logisch dat de financieringsbron waar de diensteneconomie mee van start is gegaan, de enige bron is om middelen, die op den duur vervangen moeten worden (denk aan een schaar bij een kapper), te kunnen financieren. Langzaam maar zeker wordt de geldstroom zo minder en raakt het Westen steeds meer geld kwijt aan landen waarin middelen geproduceerd worden. Zonder productie van middelen houdt de mogelijkheid tot consumeren dus op den duur op.

Als de veronderstelling hierboven waarheden zou bevatten, dan moeten de Westerlingen er rekening mee houden dat de vrijhandel weleens niet in het voordeel van de Westerse welvaartsstaten zou kunnen werken. Logisch dus dat de ‘antiglobalistische mentaliteit’, zoals Frank het noemt, in deze tijd heerst. De welvaartsstaten zullen dus op zowel sociaal als economisch gebied bijgestuurd moeten worden. Of dit politiek gezien uitvoerbaar is, is nog maar de vraag.

Tenslotte kort nog even terugkomend op de laatste zin in de eerste alinea. Daar staat dat anno 2017 dit artikel van toepassing is op het (komend) beleid van President Trump. Tijdens de verkiezingen kwam Trump op voor de boze blanke, ietwat oudere, man. De man die zijn baan dankzij internationalisering en automatisering was verloren. Trump kwam op voor menig man en heeft beloofd de handel met andere landen te verminderen en verhogende importbelastingen te heffen op importgoederen en diensten. Een goed voorbeeld bij de gevolgen van factoormobiliteit en de overstap naar diensteneconomieën.

3.1.1.2.4 Model duurzaamheid

(Bron: http://stephanievandevijvererzl.blogspot.nl/p/natuur.html)

De historie van het 3P-model is begonnen in Engeland onder de term Tripple Botom Lines (TBL). Dit werd voor het eerst in 1981 genoemd door Freer Spreckey in de publicatie ‘Social Audit – A Management Tool for Co-operative Working’. In die publicatie ging het merendeels ging om het begin van duurzaam ondernemen waarin de prestaties van bedrijven werden gemeten.

Daarna werden de 3P’s een slogan die John Elkington in de wereld zette. People, Planet, Profit werd de slogan. Het was een mengelmoes van de TBL en de Duurzame Ontwikkeling waar verschillende internationale wetenschappers in de jaren ’80 en ’90 jarenlang onderzoek naar hebben gedaan. (bron: http://www.vibaexpo.nl/home/people—planet—profit#TOC-Historie)

Onze maatschappij is een maatschappij met overschot, waarin men kan kopen wat die wilt en waarin onze gedachten steeds meer wordt gedreven door hebzucht. Die hebzucht heeft onder andere gezorgd voor een toename van milieuonvriendelijke productieprocessen en meer consumptie in de maatschappij. We willen allemaal zoveel mogelijk geld verdienen en aanzien krijgen (profit), een hoge status creëren en geluk hebben in de liefde etc. (people) en tenslotte willen we allen tezamen gezond zijn en gezonder worden met minder uitstoot van gassen (planet). Dat geeft kort samengevat het 3P-model weer.

Bovenstaand model is een model dat behoort tot het duurzaam ondernemen waarin People, Planet en Profit centraal staan. Terugkomend op het stukje van onder andere Cedric Reyngaert, die met zijn boek een standpunt wilde neerzetten dat globalisering van nu moet ophouden en door moet gaan op een andere manier. Mensenrechten en het milieu gaan voorbij aan bedrijven die zich slechts op commercialisering focussen.

Daarnaast is de ‘relocatie’ van fabrieken waar Frank van Dun het in zijn stukje over heeft, een onderdeel van het model. Door de relocatie van fabrieken naar lagelonenlanden gaan bedrijven zo goedkoop mogelijk produceren en houden daarmee volkomen geen rekening met de vervuiling en arbeidsomstandigheden waarin de arbeiders zich verkeren. De vervuiling en arbeidsomstandigheden hebben betrekking op People, Planet en Profit.

Alle drie de cirkels overlappen, en hebben dus verband met elkaar. Dit zorgt ervoor dat het model bruikbaar is in de operationalisatie van de enquête in de komende pagina’s.

3.1.2 Conclusie

Zowel de eerste, tweede als derde artikel die in dit hoofdstuk van het onderzoek zijn betrokken, hebben een belangrijke boodschap en verhaal die de internationalisering van handel op verschillende punten benadelen en een enkele aanmoediging. Alle artikelen komen min of meer neer op dezelfde conclusie: globalisering in de huidige situatie geeft geen zonnig toekomstperspectief. Oneerlijke spreiding van de welvaart in de wereld, overschrijding van milieunormen, het gevaar van factormobiliteit en de oneerlijke omgang met ethiek. Een kleine opsomming van wat de drie heren al enige tijd geleden bekend maakten.

Egoïsme en arrogantie zijn belangrijke, meetbare factoren als het gaat om de manier van mondialisering van nu. Rijken worden rijker, armen worden armer. Geld zorgt voor politieke macht, en politieke macht zorgt voor geld. Dit laatste geldt voornamelijk voor corrupte overheden in ontwikkelingslanden.

De, misschien ietwat harde en ruwe, conclusie is merendeels gebaseerd op veronderstellingen en speculaties. Ik stel voor het met een korreltje zout te nemen. Een bijpassend en bekend gezegde van Albert Einstein luidt: “If we knew what it was we were doing, it would not be called research.”

3.1.3 Literatuurlijst

Tijdens het zoeken ben ik op verschillende sites terechtgekomen. Google Scholar heeft mij grotendeels op weg geholpen in m’n literatuurstudie. Daarnaast heeft de bibliotheek van De Haagse Hogeschool geholpen.

Tijdens het online surfen naar bronnen kwam ik een bekend onderwerp in het boek Onderzoek doen! tegen. In het boek wordt namelijk verteld dat het bij het doen van onderzoek soms moeilijk is respondenten te vinden voor jouw onderzoek, omdat deze doelgroep moeilijk te bereiken is o.i.d. Als je eenmaal iemand hebt gevonden kan je vaak diegene vragen of die iemand kent die relevant kan zijn voor je onderzoek. Ook ik heb dit principe meegemaakt tijdens mijn literatuurstudie. Tijdens het lezen van artikelen kwam ik steeds dieper in de ‘wereld’ van het onderwerp en kwam ik steeds meer relevante artikelen tegen waar ik iets mee kon.

Kort een opsomming van mijn gebruikte bronnen:

Bron A: Linnemann, H. (1992). Internationale handel en economische groei in ontwikkelingslanden. Research Memorandum, 1992, 28.

Bron B: (Bron bibliografie Linnemann: https://www.iss.nl/about_iss/honorary_fellows/hans_linneman/)

Bron C: Cedric Ryngaert, Anders globaliseren, Mensenrechten, milieu en internationale handel (uitgeverij ACCO te Leuven/Voorburg – 2007). ISBN: 978-90-334-6597-0.

Bron D: (Bron: https://www.globalinfo.nl/Recensies-enzo/recensie-voorzichtig-anders-globaliseren)

Bron E: (Bron: Anders globaliseren, boek uit bibliotheek De Haagse Hogeschool)

Bron F: Van Dun, F. (2004). Vrijhandel en globalisering. Libertarian. nl.

Bron G: (Bron: https://biblio.ugent.be/publication/290771/file/6774235.pdf)

Op basis van de bronnen heb ik in onderstaande tabel een overzicht gemaakt van de actualiteit, validiteit, betrouwbaarheid, relevantie en onafhankelijkheid van de bronnen, gebaseerd op: Zeer Slecht (ZS), Slecht (S), Matig (M), Goed (G), Zeer Goed (ZG).

Relevantie Validiteit Betrouwbaarheid Onafhankelijk Actueel

Bron A ZG ZG ZG G S

Bron B ZG ZG ZG ZG ZG

Bron C ZG ZG ZG G M

Bron D ZG G G ZG G

Bron E ZG ZG ZG ZG G

Bron F ZG ZG ZG G M

Bron G ZG ZG ZG ZG ZG

4.1 Enquête

4.1.1 Operationalisatie onderwerp

Sierteelt staat decennialang in de top tien exportproducten van Nederland. Het is daarom moeilijk een centrale vraag te stellen waarin de verbetering van export in de sierteelt aandacht krijgt. Nederland heeft haar export afgelopen tientallen jaren maximaal geoptimaliseerd en geautomatiseerd.

Omdat de enquête is gericht op de consument, en het model meer gericht is op bedrijven heb ik ervoor gekozen de variabelen van het model te operationaliseren in vragen voor de consument. Met de beantwoordde vragen benader ik bedrijven met de uitslag van de enquête. ‘Profit’ heb ik niet in mijn operationalisatie meegenomen, omdat dit te veel gericht was op bedrijven. Deze heb ik overigens wel verwerkt in meerdere vragen in de vragenlijst. Vraag 7 heeft bijvoorbeeld betrekking op ‘Profit’.

Om een combinatie te krijgen tussen het besproken deskresearchonderwerp en de literatuurstudie heb ik gekozen om, omdat tegenwoordig vaker onder andere telers en kwekers zich in lagelonenlanden vestigen, mijn enquête te richten op het bewustzijn van de consument over het Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen van sierteeltbedrijven en de koopbereidheid bij prijsstijging. Mijn centrale vraag hierbij is:

Veranderd de koopbereidheid van bloemen en/of planten van de consument als door gevolg van een milieuvriendelijkere productie van de bloemen en planten en betere arbeidsomstandigheden een prijsstijging tot stand komt?

In het volgende conceptueel model zijn de afhankelijke en de onafhankelijke variabele van de centrale vraag in beeld geschetst.

Tabel operationalisatie variabele

Variabelen Indicator Indiceringmethode Vraag

People

billijk, duurzaam, welstand Zelfbeschrijving Kunt u aangeven binnen welke inkomenscategorie u valt?

Wat is uw politieke voorkeur?

Welke bloem past het best bij u? (Afbeeldingen)

Welk energiebesparend product heeft u thuis?

Koopbereidheid Koopgedrag, Gedrag Hoe vaak koopt u bloemen en/of planten?

Waarvoor koopt u voornamelijk een bloemetje of plantje?

Let u tijdens het kopen van sierteeltproducten op duurzaamheidskeurmerken?

In hoeverre zijn deze van u voor belang? (schaalvraag)

Planet Levensvatbaar, duurzaam, leefbaar, Gedragsintentie Bent u bereid meer te betalen voor een eerlijkere en milieuvriendelijkere productie van uw aankoop?

Stelling: voor een duurzaam geproduceerd boeketje bij een bloemist ben ik bereid meer uit te geven dan een niet-duurzaam geteeld boeketje bij een supermarkt. (eens/oneens)

Welstand Huisbezit, geboortejaar, opleidingsniveau, vrijetijdsbesteding, Feit Wat is uw hoogst genoten opleiding?

Bezit u een huis?

Wat is uw geboortejaar?

Bent u lid van een groep die opkomt voor het milieu?

Met hoeveel personen woont u thuis?

Wat is uw geslacht?

Wat zijn uw hobby’s?

Zit u in uw vrije tijd graag thuis of bent u graag weg van huis?

Een enkele aanvulling op bovenstaande tabel: Bij de variabele ‘People’ is gebruikt gemaakt van de indicatoren ‘welstand’, ‘billijk’ en ‘duurzaam’. De bijhorende vragen als de eerste is gerelateerd aan ‘billijk’, dit geeft namelijk aan in hoeverre een persoon vindt dat iedereen gelijke kansen moet krijgen. Een politieke voorkeur geeft een indicatie van een links (gelijkheid) of rechts (vrijheid) persoon. De laatste vraag in het vak relateert aan ‘duurzaam’. ‘Welstand’ refereert aan de inkomensvraag.  

Enquête

In opdracht van een docent van het vak Onderzoek & Methoden is dit onderzoek gemaakt door een eerstejaarsstudent van de Haagse Hogeschool. Het doel van dit onderzoek is het werven van informatie omtrent de ontwikkelingen in het Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. In dit onderzoek is specifiek gericht op de sierteeltsector. In dit onderzoek is de anonimiteit van de respondent gewaarborgd. Bij gesloten vragen kunt u het antwoord omcirkelen.

Wat is uw geboortejaar?

Wat is uw geslacht

Man

Vrouw

Wat is uw hoogst genoten opleiding?

Vmbo

Mavo

Havo

Vwo

Mbo

Hbo

Wo

Anders, namelijk

Met hoeveel personen woont u thuis?

Ik ben alleenstaand

Met een partner

Met een (of meer) kind

Met een partner en kinderen

Bezit u een huis?

Ja

Nee

Bent u lid van een groep die opkomt voor het milieu? Zo ja, welke?

Ja,

Nee

Bent u bereid meer te betalen voor een eerlijkere en milieuvriendelijkere productie van uw aankoop?

Ja

Nee

Wat is uw politieke voorkeur?

VVD

PvdA

PVV

SP

CDA

D66

ChristenUnie

GroenLinks

SGP

Partij voor de Dieren

Anders, namelijk

Hoe vaak koopt u bloemen en/of planten?

Dagelijks

Wekelijks

Maandelijks

Vrijwel nooit

Let u tijdens het kopen van sierteeltproducten op duurzaamheidskeurmerken? (Omcirkelt u hier ‘b’, kunt u vraag 11 overslaan)

Ja

Nee

In hoeverre zijn deze van u voor belang? (Schaal 1 op 10)

Stelling: voor een duurzaam geproduceerd boeketje bij een bloemist ben ik bereid meer uit te geven dan een niet-duurzaam geteeld boeketje bij een supermarkt.

Eens

Oneens

Welk energiebesparend product heeft u thuis?

Zonnepanelen

Energiezuinige lampen

Inductiekookplaat

Anders, namelijk

Waarvoor koopt u voornamelijk een bloemetje of plantje?

Voor mezelf

Voor iemand anders

Wat zijn uw hobby’s?

Zit u in uw vrije tijd graag thuis of bent u graag weg van huis?

Thuis

Ergens anders

Kunt u aangeven binnen welke inkomenscategorie u valt?

Onder modaal

Modaal

Boven modaal

Welke bloem past het best bij u? Omcirkel het antwoord.

Bedankt voor het nemen van uw tijd. Mocht u nieuwsgierig zijn naar het vervolg van de afname van deze enquêtes kunt u hieronder uw mailadres achterlaten, dan wordt u op de hoogte gehouden.

E-mail: …………………………………………………………….

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.