Is er een verband tussen de mate van eenzaamheid en Social Media gebruik bij jongvolwassenen? - Essay Marketplace

Is er een verband tussen de mate van eenzaamheid en Social Media gebruik bij jongvolwassenen?

De onderzoeksvraag bij deze vragenlijst luidt als volgt: ‘Is er een verband tussen de mate van eenzaamheid en Social Media gebruik bij jongvolwassenen?’. Niet alleen bejaarden hebben last van eenzaamheid. Eenzaamheid komt in alle leeftijdscategorieën voor, maar deze lijkt te pieken bij de twintigers (De Morgen, 2017). Volgens Leen Heylen speelt social media een rol. Bij mensen die zich al een beetje eenzaam voelen, versterken Facebook en Instagram dat eenzame gevoel nog eens. En dat terwijl de twintigers deze kanalen vaak juist als instrument zien om eenzaamheid tegen te gaan (Moody, E., 2001).
 
Definities van de begrippen:

Eenzaamheid

Eenzaamheid is je niet verbonden voelen. Je ervaart een gemis aan een hechte, emotionele band met andere mensen. Het kan ook zo zijn dat je minder contact met andere mensen dan je graag zou willen. Eenzaamheid gaat gepaard met kenmerken als negatieve gevoelens van leegte, verdriet, angst, ervaren van zinloosheid en met lichamelijke en/of psychische klachten.

Iedereen ervaart eenzaamheid anders, het is daarom een persoonlijke ervaring. De een heeft bijvoorbeeld meer betekenisvolle relaties of een groter sociaal netwerk nodig dan de ander (Nie, Hillygus & Erbing, 2002). Anderen kunnen moeilijk aan de buitenkant zien of iemand zich eenzaam voelt. Zij zien meestal niet dat iemand ontevreden is over het contact met vrienden, familie of andere mensen (Moody, E., 2001). Vaak vinden mensen het ook moeilijk om relaties te verbeteren, het komt vaak genoeg voor dat mensen gewoon al de moed hebben opgegeven. Het feit dat eenzaamheid moeilijk kan worden opgemerkt maakt het ook moeilijk om de mate ervan in te schatten, het is een persoonlijke ervaring dus alleen de persoon zelf voelt dit het beste.

Iedereen kan zich wel eens eenzaam voelen. Dit gevoel gaat in veel gevallen ook weer vanzelf weg (Eijnden & Vermulst, 2006). Eenzaamheid word een probleem op het moment dat mensen langdurige sterke eenzaamheidsgevoelens hebben. De kans bestaat dat deze mensen in een neerwaartse spiraal terecht komen (Caplan, S., 2007).

Gelet moet worden op het feit dat eenzaamheid niet hetzelfde is als alleen zijn. Het kan wel samen voorkomen, als iemand bijvoorbeeld geen of nauwelijks sociale contacten heeft. Sociale relaties met andere mensen zoals familieleden, vrienden en kennissen zijn belangrijk in het dagelijks leven. Ze vormen het ‘sociale fundament’ van elk mens en dragen bij aan het gevoel van een zinvol leven (Eijnden & Vermulst, 2006).

Social Media

Social media is een overkoepelde naam voor alle internet-toepassingen waarmee het mogelijk is om informatie met elkaar te delen op een gebruiksvriendelijke wijze. Het gaat hier niet alleen om informatie in de vorm van tekst , maar je moet ook denken aan geluid en beeld. Deze worden gedeeld via social media platforms. Anders gezegd, social media staat voor ‘Media die je laten socialiseren met de omgeving waarin je je bevindt’ (Caplan, S., 2003).

Bekende voorbeelden van wereldwijde social media platforms zijn Facebook, YouTube, Instagram en Twitter, maar bijvoorbeeld ook Snapchat en MySpace. Bij social media draait het vooral om de bezoeker. De bezoeker is degene die voor de inhoud van het platform zorgt, men noemt dit ook wel user generated content.

Het social media platform zorgt voor de rangschikking van de content, zo komen vanzelf de belangrijkste berichten op de startpagina. Op de verschillende platforms vindt er veel interactie plaats. Mensen komen op social media samen om bijvoorbeeld te communiceren over onderwerpen die zij leuk, interessant of belangrijk vinden, dit doen zij het liefst met mensen die dezelfde interesses delen.

Het vertrouwen in onze ‘peers’ neemt steeds meer toe, dit houdt in dat we meer waarde hechten aan de mening van ons netwerk dan aan die van organisaties of merken. Omdat men met deze peers continue informatie uit wisselt kan er op een gegeven moment, als er eenmaal een kritische massa is bereikt, een sneeuwbaleffect (dit is een viral effect) optreden waardoor er steeds meer mensen op het platform afkomen.

Het onderzoek is gedaan naar aanleiding van het vierdejaars vak Onderzoek en Advies II, dit vak is onderdeel is van de opleiding Toegepaste Psychologie, Fontys Hogescholen te Eindhoven. Als eerste zal er beschreven worden wat de aanleiding is van het onderzoek, deze word aangevuld door een beschrijving van de probleemanalyse, de doelstelling en de vraagstelling. Als tweede zal er een theoretisch kader geschetst worden en als derde zal de methode uitgebreid beschreven worden. Onder de methode vallen de volgende deelaspecten: respondenten informatie, procedure omschrijving, omschrijving van de meetinstrumenten en de conclusie. Als laatste zal er een advies gegeven worden aan Het Rode Kruis, op basis van de onderzoeksresultaten en conclusies.

aanleiding

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Het Rode Kruis Eindhoven. Het Rode Kruis heeft als globaal uitgangspunt dat zij iedereen en overal ter wereld proberen te helpen om mensenleed te voorkomen of te verzachten (Het Rode Kruis, n.d.). Het Rode Kruis Eindhoven houdt zich voor het grootste gedeelte bezig met EHBO interventies, ondersteuning van de zelfredzaamheid van mensen en het opzetten van andere verschillende soorten actieplannen, interventies, cursussen en informatiebijeenkomsten (Het Rode Kruis, n.d.). Het Rode Kruis wilt graag meer inzicht krijgen in de mate van zelfredzaamheid van mensen met verschillende achtergronden uit Eindhoven en de randgemeenten. Om hier inzicht in te krijgen hebben studenten van de HRM & Psychologie opleiding een vragenlijst verspreid onder inwoners van Eindhoven en de randgemeenten van Eindhoven. Deze lijst is verspreid op twee manieren, namelijk via de e-mail en fysiek. Het onderzoek richt zich op twee onderdelen van de vragenlijst die origineel uit vier onderdelen bestaat, namelijk stress, angst, eenzaamheid en welbevinden. Het onderzoek richt zich op stress en welbevinden.

Via dit onderzoek hoopt Het Rode Kruis meer inzicht te krijgen hoe het met de zelfredzaamheid bij de verschillende bevolkingsgroepen gesteld is, en bij welke bevolkingsgroep(en) er (meer) behoefte is aan ondersteuning bij de zelfredzaamheid vanuit Het Rode Kruis.

probleemstelling

Zoals bij de aanleiding beschreven is, zet Het Rode Kruis zich in voor het bevorderen van de zelfredzaamheid van mensen. Zij willen mensen ondersteunen bij het sterker en zelfredzamer worden in noodsituaties, maar zij helpen mensen ook om hun netwerken en vaardigheden uit te breiden en te versterken. Ook maken zij de mensen bewust van risico’s en hoe mensen hiermee om moeten gaan. Het Rode Kruis definieert zelfredzaamheid als: ”Het vermogen om zelfstandig je leven te leiden, en om je eigen problemen op te lossen”. Mensen moeten volgens het WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) in dergelijke mate geestelijk, lichamelijk en financieel vermogen bezitten om voldoende

zelfvoorzienend te zijn, zodat deelname in de normale maatschappelijke samenleving mogelijk is (Movisie, 2013). Zelfredzaamheid is een actueel onderwerp. De kijk op de huidige samenleving en de rol wat de overheid en de burgers hierin vervullen is aan het veranderen, en het verandert snel. Nederland als een verzorgingsstaat is peperduur en daarom probeert men nu steeds meer te veranderen richting een Participatiesamenleving waarin zelfredzaamheid een grote rol zal spelen. De rol van de overheid in de zorg en ondersteuning zal kleiner worden, zij zal zich meer gaan focussen op de rol van ”vangnet voor de meest kwetsbare burgers”, waar de burgers meer op zichzelf en hun naasten aangewezen zullen zijn (Movisie, 2015).

doelstelling

Dit onderzoek heeft als eerste het doel om een duidelijk beeld te schetsen van de bestaande mate van zelfredzaamheid in de verschillende bevolkingsgroepen in Eindhoven. Ten tweede word er ook gekeken naar de mate van behoefte aan (meer) ondersteuning bij de zelfredzaamheid in de verschillende bevolkingsgroepen. Het Rode Kruis kan via deze weg effectiever ondersteuning aanbieden op gebied van zelfredzaamheid.

vraagstelling

Zelfredzaamheid, eigen kracht en zelfregie zijn ook bij Het Rode Kruis onderwerp van de dag. Zij hebben een vragenlijst laten opstellen door studenten van de opleiding HRM & Psychologie. Aan de hand van deze vragenlijst hopen zij meer inzicht te krijgen in de huidige mate van zelfredzaamheid en de behoefte aan (meer) zelfredzaamheid in de verschillende bevolkingsgroepen woonachtig in Eindhoven en de randgemeenten.

Om te kijken of geslacht invloed heeft op de mate van stress en het ervaren van welbevinden onder de inwoners van Eindhoven is de eerste onderzoeksvraag als volgt opgesteld: ‘Is er een verband tussen de ervaren eenzaamheid en het ervaren welbevinden bij de inwoners van de gemeente Eindhoven?’. Bij deze onderzoeksvraag zijn er twee hypotheses opgesteld:

H0= Er is geen verband tussen de ervaren stress en het ervaren welbevinden bij de inwoners.

H1= Er is wel een verband tussen de stress eenzaamheid en het ervaren welbevinden bij de inwoners.

De tweede onderzoeksvraag die gesteld werd in dit onderzoek is als volgt opgesteld: ‘Is er een verschil tussen mannen en vrouwen ten aanzien van de dimensies stress en welbevinden?’. Ook bij deze onderzoeksvraag zijn er twee hypotheses opgesteld:

H0= Mannen en vrouwen verschillen niet van elkaar ten aanzien van de dimensies stress en welbevinden.

H1= Mannen en vrouwen verschillen wel van elkaar ten aanzien van de dimensies stress en welbevinden.

Theoretisch kader

De term zelfredzaamheid wordt veel gebruikt. Toch is het een term die door veel mensen als complex beschouwd wordt. De term bevat veel overlappingen en gelijkheden met concepten zoals zelfregie, eigen verantwoordelijkheid, eigen kracht, en self empowerment (Cattaneo, B. & Chapman A., 2010). In de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) word zelfredzaamheid gedefinieerd als: ‘Het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken’.

Bij zelfredzaamheid gaat het voornamelijk over het zelfstandig kunnen functioneren in de maatschappij (Tweede Kamer, 2005). Dit kan op meerdere niveaus worden opgevat, namelijk op een individueel level en op een groepslevel. Op een individueel level kan een persoon dus als zelfredzaam worden beschouwd wanneer men zonder compenserende voorzieningen of aanvullende hulp mee kan draaien in de samenleving (Movisie, 2013). Daarnaast kan zelfredzaamheid dus ook op een groepslevel worden opgevat, dit noemt men ‘samenredzaamheid’. Deze term houdt in dat een individu wel verminderd zelfredzaam mag zijn maar dat deze persoon aan de hand van zijn of haar sociale netwerk en de eventuele informele zorg, toch kan deelnemen aan het normale samenlevingsverkeer, wat ervoor zorgt dat deze mensen als groep zelfredzaam zijn (Movisie, 2013).

Zelfredzaamheid is een onderwerp wat vandaag de dag erg actueel is. De huidige samenleving is aan het veranderen, en daar bij ook de rol van de burgers en de overheid. Een verzorgingsstaat is veel te duur geworden de laatste jaren en men probeert dan ook de omschakeling te maken richting een participatie samenleving (Movisie, 2013). Zelfredzaamheid zal hierin een grote rol gaan spelen, mensen zullen meer dan ooit op zichzelf en hun sociale omgeving aangewezen zijn. De overheid zal haar rol in de zorg en ondersteuning sector kleiner inzetten, en zich vooral meer gaan focussen op de ondersteuning van de meest kwetsbare burgers van de maatschappij (Movisie, 2013).

Zelfredzaamheid hangt nauw samen met de begrippen zelfregie en empowerment (Cattaneo, B. & Chapman A., 2010). Zelfregie en empowerment beschrijven het proces waarin mensen meer controle over hun leven krijgen, dit geeft mensen op meer zicht op hun doelen en de manier waarop men de doelen kan bereiken, ook ontwikkelt men in deze periode capaciteiten en vaardigheden zodat ze de gestelde doelen ook daadwerkelijk kunnen bereiken (Zimmerman, M.A. 1995). Zelfredzaamheid kan worden beschouwd als het resultaat van het proces van empowerment. Het proces waarmee Het Rode Kruis mensen helpt hun zelfredzaamheid te vergroten is dus een vorm van zelfregie en empowerment. Toch is dit proces is niet altijd gemakkelijk te doorlopen voor mensen. Zij krijgen vaak te maken met complicaties die het proces ernstig kunnen belemmeren. Stress kan een van die complicaties zijn. De aanwezigheid van stress kan het proces naar, en de mate waarin iemand zich zelfredzaam voelt, beïnvloeden (Cattaneo, B. & Chapman, A., 2010).

Stress kan dus een belemmering zijn. Maar wat is stress nu eigenlijk? Stress kan omschreven worden als een chemische reactie als wij in contact komen met iets wat op een bepaalde manier een vorm van spanning en/of druk veroorzaakt (Diener, E. 1999). Stress zorgt ervoor dat het lichaam in een staat van paraatheid komt zodat men sneller en efficiënter kan reageren in noodsituaties. Dat is ook gelijk de reden waarom lichte mate van stress bevorderend kan zijn voor werken, sporten of studeren. De problemen ontstaan wanneer de draaglast van mensen groter wordt dan de aanwezige draagkracht (Diener, E. 1999). Op dat moment zijn de eisen die aan iemand worden gesteld of die men aan zichzelf stelt groter dan wat diegene daadwerkelijk aankan, het evenwicht word verstoord. Het evenwicht tussen de factoren die spanning veroorzaken, stressoren, en de mogelijkheden om stress te voorkomen of er mee om te gaan, slaan door naar de verkeerde kant (de Jong, 2014). Deze belastende omstandigheden kunnen heel verschillend zijn, en variëren van alledaagse stresssituaties tot ingrijpende levensgebeurtenissen (Hoogland, A. 2012). Stressoren bedreigen het welbevinden van een persoon, de stress reactie wat men ervaart is in principe een methode om de disbalans in het lichaam te herstellen (Tuenter, A. 2013). Naast stress behandeld dit onderzoek ook het onderdeel welbevinden omdat het welbevinden van mensen een belangrijk onderdeel is van zelfredzaamheid en stress volgens de theorie invloed uitoefent op het welbevinden.

Welbevinden word door de World Health Organisation (WHO) gedefinieerd als: ‘bewustzijn van eigen vaardigheden, om kunnen gaan met normale levensstress, productief kunnen werken en in staat zijn om een bijdrage te kunnen leveren aan de maatschappij’. In dit onderzoek word er gekeken naar het subjectieve welbevinden van de mensen. Subjectief welbevinden wordt gedefinieerd als de persoonlijke cognitieve en affectieve evaluatie van het eigen leven. De evaluaties zijn gebaseerd op emotionele reacties die plaatsvinden na aanleiding van gebeurtenissen en ze worden ook gebaseerd op de inschatting van de eigen persoonlijke tevredenheid (Diener, Lucas & Oishi, 2000). Subjectief welbevinden kan niet door een andere persoon, ook niet door experts beoordeeld worden, want het betreft hier een persoonlijke mening van iemand. De persoonlijke mening is in deze situatie bepalend en is voor iedereen verschillend, omdat niet iedereen dezelfde waarden heeft. Gelijke leefsituaties kunnen door mensen verschillend ervaren worden in relatie tot hun welbevinden.

Methode

Procedure

Het onderzoek is in opdracht van Het Rode Kruis Eindhoven en word uitgevoerd door vierdejaars studenten van de opleiding Toegepaste Psychologie, onderdeel van de Fontys Hogescholen. Het onderzoek is onderdeel van het vak Onderzoek en Advies 2. De vragenlijst is door de studenten verspreid onder de inwoners van Eindhoven en de randgemeenten. De respondenten zijn benaderd en geworven middels de Snowball-techniek en door middel van convenience sampling. De vragenlijst werd op twee manieren verspreid, namelijk digitaal en fysiek uitgedeeld aan deelnemende respondenten. De vragenlijst bestaat in totaal uit 60 items welke onderverdeeld zijn in vier dimensies, namelijk stress, angst, eenzaamheid en welbevinden. De verzamelde data is in een SPSS bestand aangeleverd voor de onderzoekers.

Respondenten

De respondenten van dit onderzoek zijn geworven via de Snowball-techniek en door middel van convenience sampling. In totaal hebben er 146 personen (N= 146) meegedaan aan dit onderzoek waarvan 86 vrouwen (58.9 procent) en 60 mannen (41.1 procent). De leeftijd van de respondenten was gemiddeld 32.63 jaar (SD= 13.51, range 14-63). De opleidingsniveaus waren onder deze groep respondenten erg verdeeld. 12 respondenten gaven aan dat hun hoogst genoten opleiding VMBO was (8.2 procent), 14 respondenten gaven aan dat HAVO hun hoogst genoten opleiding was (9.6 procent), ook gaven 14 respondenten aan dat VWO hun hoogst genoten opleiding was, voor 32 respondenten was dit het MBO (21.9 procent), voor 56 respondenten was het HBO de hoogst genoten opleiding (38.4 procent) en voor 18 respondenten was het WO de hoogst genoten opleiding (12.3 procent).

Meetinstrumenten

Het gebruikte meetinstrument voor het verzamelen van data in dit onderzoek is een vragenlijst. De vragenlijst bestaat uit 60 vragen in totaal welke verdeeld zijn over vier dimensies, namelijk: stress, angst, eenzaamheid en welbevinden. Voorafgaand aan de vragen die bij de dimensies horen werden er algemene vragen gesteld met betrekking tot het geslacht, de leeftijd en het hoogst genoten opleidingsniveau van de respondenten. Bij elke vraag was er slechts één antwoordmogelijkheid. Dit onderzoek wijdt zich aan de dimensie Stress en de dimensie Welbevinden. De dimensie Stress werd gemeten aan de hand van 14 vragen. Deze vragen werden gescoord aan de hand van een vijfpunt Likertschaal, waarbij 1= nooit, 2= zelden, 3= soms, 4 is vaak en 5= altijd was bij 11 van de 14 vragen. Een voorbeeld van een gestelde vraag is bijvoorbeeld, ‘Hoe vaak voel jij je emotioneel?’ en ‘Hoe vaak voel jij je geïrriteerd en/of gefrustreerd?’. Bij de andere 3 vragen gold 1= zeer slecht, 2= slecht, 3= gemiddeld, 4= goed en 5= uitstekend. Een voorbeeld vraag bij deze score toekenning is ‘Wat vind jij van je eigen kunnen?’. Hoe hoger de score van de respondent op de schaal stress, des te hoger de mate van stress ervaren wordt door de respondent. Bij het berekenen van de interne consistentie werd er een te lage Cronbach’s alpha gevonden. Aan de hand van de data is er één vraag ongeldig verklaard, waardoor er 13 geldige vragen overbleven en de Cronbach’s alpha steeg naar .72. De dimensie Welbevinden werd gemeten aan de hand van 14 vragen. Deze vragen werden gescoord op een vijfpunt Likertschaal, waarbij 1= Helemaal mee oneens, 2= Mee oneens, 3= Niet eens, niet oneens, 4= Mee eens en 5= Helemaal mee eens. Een voorbeeld vraag bij de schaal welbevinden is bijvoorbeeld, ‘Ik voel mij gelukkig’ en ‘Ik voel mij sociaal geaccepteerd in de samenleving’. Hoe hoger de respondenten scoorden op de schaal welbevinden, des te hoger de mate van het gevoel van welbevinden was bij de respondenten.

Resultaten

Onderzoeksvraag 1.

Is er een verband in de mate van ervaren stress en ervaren gevoel van welbevinden bij de inwoners van de gemeente Eindhoven?

H0= Er is geen verband in de mate van ervaren stress en ervaren gevoel welbevinden.

H1= Er is wel een verband in de mate van ervaren stress en ervaren gevoel van welbevinden

De Spearman’s Rho analyse toont aan dat er een sterke negatieve correlatie bestaat tussen stress en welbevinden, rs= -.599, p <.000, two tailed, N= 140. Dit houdt in dat hoge mate van stress gepaard gaan met een mindere mate van welbevinden. Gespiegeld houdt dit in dat als de mate van stress laag zijn, er meer mate van welbevinden is. De nulhypothese wordt om deze reden verworpen en de alternatieve hypothese word aangenomen.

Onderzoeksvraag 2.

Is er verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de mate van stress en het gevoel van welbevinden?

H0= Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de mate van stress en gevoel van welbevinden.

H1= Er is wel verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de mate van stress en het gevoel van welbevinden.

Er is een Mann Whitney U analyse uitgevoerd. Deze toont aan dat mannen een lagere mate van stress ervaren ( Mean= 30.11, n= 60) dan vrouwen (Mean= 32.15, n= 84 ), en hogere mate van welbevinden, mannen (Mean= 48.32, n= 60 ) en vrouwen ( 47.78, n= 82). Er is een medium effect gevonden tussen stress en geslacht (r = -.40) en er is een klein effect gevonden tussen welbevinden en geslacht (r = -.20). Mannen ervaren volgens de Mann Whitney U analyse minder stress dan vrouwen, en hebben een hogere mate van welbevinden (dit is wel een klein effect). Er is een significant verschil gevonden bij de onderzoeksvraag, dit betekent dat de nulhypothese verworpen wordt en de alternatieve hypothese mag worden aangenomen.

Conclusie

Dit onderzoek heeft de dimensie stress en de dimensie welbevinden onderzocht. De dimensies zijn onderdeel van zelfredzaamheid. Zoals in de literatuur naar voren kwam kan de aanwezigheid van stress kan het proces naar, en de mate waarin iemand zich zelfredzaam voelt, beïnvloeden. Deze chemische lichamelijke reactie vind plaats op het moment dat men in een situatie komt waar ze te maken krijgen met hoge spanningen of druk, de stressoren. Stress is de subjectieve beleving van deze stressoren. De stressoren vormen een bedreiging voor het eigen welbevinden van een persoon. Kortom, er is een verband tussen stress en de mate van welbevinden. In dit onderzoek komt naar voren dat lage levels van stress gepaard gaan met hogere levels van welbevinden. Gespiegeld gaan hogere levels van stress gepaard met lagere levels van welbevinden. Het onderzoek bevestigd bevindingen uit de literatuur, er is een verband tussen de mate van stress, die de inwoners van Eindhoven en de randgemeenten ervaren, en de mate van welbevinden die zij ervaren. De mannen uit dit onderzoek ervaren minder stress dan vrouwen en ervaren een hogere mate van welbevinden dan vrouwen.

Advies

Uit dit onderzoekt blijkt dat er een verband is tussen de mate van stress en de mate van welbevinden. Stress kan voorkomen bij alle bevolkingsgroepen, niemand is immuun en stress kan helaas niet altijd worden voorkomen. De volgende adviezen kunnen helpen om stress effectief aan te pakken.

Advies 1.

Er zou een vervolgonderzoek moeten komen om te onderzoeken in welke bevolkingsgroepen de meeste stress voorkomt, waar deze uit voort komt en om te kijken of er behoefte is aan ondersteuning bij het oplossen van dit probleem. Als eenmaal is vastgesteld in welke bevolkingsgroep de grootste problematiek voorkomt kan men specifieke interventies gaan uitwerken die rekening houden met de verschillen tussen de bevolkingsgroepen.

Advies 2.

Interventies opzetten waarin mensen coping strategieën krijgen aangeleerd en informatie krijgen over veerkracht, en hoe je die kennis kan implementeren in het dagelijks leven. Deze interventies moeten toegankelijk zijn voor alle bevolkingsgroepen, maar kunnen per bevolkingsgroep gespecificeerd worden op de belangrijkste behoeftes. Dit kan als onderdeel van advies 1 worden gezien, maar men kan ook het vervolg onderzoek overslaan en gelijk interventies over coping strategieën en veerkracht opzetten. Dit kost uiteraard minder tijd en geld, maar is wellicht wel minder effectief omdat specificeren moeilijker is op deze manier.

Analyseplan

onderzoeksvraag 1

Is er een verband in de mate van ervaren stress en ervaren gevoel van welbevinden bij de inwoners van de gemeente Eindhoven?

H0= Er is geen verband in de mate van ervaren stress en ervaren gevoel welbevinden.

H1= Er is wel een verband in de mate van ervaren stress en ervaren gevoel van welbevinden

Als eerste moet men een beeld krijgen over de respondenten. Er is gekeken naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau. Om tot de data te komen worden de volgende stappen uitgevoerd: Analyze -> Descriptive Statistics -> Frequencies

Vervolgens word de data gecontroleerd op eventuele missende of afwijkende/foute waardes in de dataset. De stappen die uitgevoerd worden zijn: Analyze -> Descriptive Statistics -> frequencies. Alle schalen worden geselecteerd. Er word gekeken naar de minimale en maximale values en naar de missing values. Er is sprake van missende en afwijkende waarden. Bij Stress_11 missen er twee waarden. De vragenlijst maakt gebruik van een 5-punts Likertschaal, de ingevulde waarden worden gecontroleerd of ze binnen de mogelijke antwoordwaardes liggen. Bij zes vragen over het welbevinden zijn er afwijkende waarden gevonden. Wel_3 t/m Wel_8 bevatten fouten. De missende en afwijkende waarden zijn vervangen in de dataset door 999.

Nu alle afwijkende en missende waarden uit de dataset zijn gehaald kan er worden gekeken of er items zijn die moeten worden hercodeerd. De schalen van de vragenlijst moeten allemaal hetzelfde meten. Er is in deze vragenlijst gebruik gemaakt van positieve en negatieve vraagstelling. De schalen krijgen een andere betekenis op het moment dat een vraag negatief gesteld is. Allereerst word nagegaan welke vragen moeten worden hercodeerd. Hercoderen gaat via de volgende stappen: Transform -> Recode into Different Variables -> de variabelen krijgen een nieuwe naam, bijvoorbeeld H_ezh_7 -> oude waarden worden omgezet naar de nieuwe waarden (old to new values). De nieuwe variabelen staan nu in de dataset. Het meetniveau word aangepast naar scale.

De volgende stap is om te kijken of de schalen van de vragenlijst betrouwbaar zijn. Betrouwbaarheid bestaat uit verschillende factoren, waaronder interne consistentie. Er moet genoeg samenhang zijn tussen de items per schaal. Deze interne consistentie word berekend aan de hand van Cronbach’s alpha coëfficiënt, hoe groter de alpha des te betrouwbaarder de schaal. Deze moet idealiter gelijk zijn aan of boven de .7 scoren. De volgende stappen worden uitgevoerd: Analyze -> scale -> Reliability Analysis. Als eerste kijkt men naar de interne consistentie van de schaal stress, deze schaal heeft een Cronbach’s alpha van .662, dat zou betekenen dat de interne consistentie van de schaal stress niet betrouwbaar is. Er word gekeken naar de tabel Item Total Statistics. Hierin staat ook de uitkomst van een alternatieve alpha als een bepaald item niet zou mee tellen. Als item stress_13 niet zou worden meegerekend zou de Cronbach’s alpha .72 zijn voor de schaal stress. Deze vraag word dan ook weggelaten waardoor de interne consistentie betrouwbaar is. Dezelfde stappen worden nagelopen voor de schaal welbevinden. De Cronbach’s alpha voor de schaal welbevinden is .88 wat duidt op een hoge interne consistentie en betrouwbaarheid. Bij deze schaal hoeven er geen vragen weggelaten te worden.

Nu de interne consistentie van de schalen is vast gesteld mogen de items worden samengevoegd. Het samenvoegen word via de stappen Transform -> compute Variable uitgevoerd. Omdat er missende waarden in de dataset zitten Gem_stress en Gem_wel zijn de twee nieuwe variabelen.

Vervolgens gaan we kijken of de variabelen normaal verdeeld zijn. Dit word volgens de volgende stappen uitgevoerd: Analyze -> Descriptive Statistics -> Frequencies om twee histogrammen te bekijken waarin een normaal verdeling getekend is. Op het oog ziet de data er niet normaal verdeeld uit. We nemen de proef op de som en gaan opnieuw rekenen: Analyze -> Descriptive Statistics -> Explore. We kijken in de Test of Normality naar de data van Shapiro Wilk. Beide variabelen hebben een significantieniveau kleiner dan 0.05. de variabele stress scoort een significantieniveau van 0.009, en de variabele welbevinden scoort een significantieniveau van 0.035. De nulhypothese word verworpen, de data is niet normaal verdeeld.

Men wilt weten of er een verband is tussen de stress wat de inwoners ervaren en de mate van welbevinden bij deze mensen. Er word gezocht naar een correlatie. Men wilt de Pearson

Productmoment Correlatie gebruiken omdat de sterkte van de relatie tussen de twee variabelen moet worden onderzocht om essentiële uitspraken te kunnen doen. Er word een negatief verband verwacht, dat wilt zeggen als de ene variabele toeneemt, de ander afneemt. In dit geval zou dat betekenen dat op het moment dat de mate van stress toeneemt, het gevoel van welbevinden afneemt.

Allereerst wordt er een Scatterplot gemaakt om te kijken naar enige overtredingen met betrekking tot de linearity en homogeniteit . Graphs -> Legacy Dialogs -> Scatter/Dot -> Simple Scatter -> Define. De scatterplot laat een neerwaartse lijn zien van links naar rechts, hieruit kan worden opgemaakt dat er inderdaad sprake is van een lineair negatief verband.

Nu volgt de procedure om te kijken naar de correlaties van Pearson r en Spearman rho. Analyze -> Correlate -> Bivariate. In beide gevallen is er sprake van een negatief verband. Bij Pearson is de correlatie -.639 en bij Spearman is de correlatie -.599. Ook kan nu de sterkte van de relatie worden bepaald aan de hand van Cohen’s richtlijnen (1988). r = -.6 wat betekent dat er een grote correlatie is tussen de twee variabelen. De volgende stap is het berekenen van de Coëfficiënt of Determination. -.6 x -.6 = .36 = 36 procent van hun variantie. De twee variabelen delen dus 36 procent van hun variantie, dit wilt zeggen dat de mate van welbevinden voor 36 procent uit te leggen is door de mate van aanwezige stress. De correlatiecoëfficiënt is -.599, dat wilt zeggen dat de p-waarde < is dan α .005, dit zorgt voor een significante correlatie.

Onderzoeksvraag 2

Is er verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de mate van stress en het gevoel van welbevinden?

H0= Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de mate van stress en gevoel van welbevinden.

H1= Er is wel verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de mate van stress en het gevoel van welbevinden.

Als eerste word er gekeken naar het meetniveau van de variabelen stress en welbevinden. Bij beide variabelen hanteert men het meetniveau scale omdat de items middels een vijfpunt Likertschaal worden gemeten. Ook is er gekeken naar de onafhankelijkheid, deze werd toegekend omdat alle respondenten maar één keer de vragenlijst invullen. De volgende stap was om te kijken naar de normaal verdeling bij de groep mannen en bij de groep vrouwen. Dat doet men eerst via Analyse -> Descriptive Statistics -> Frequencies. Er word gekeken naar de histogrammen, deze zien er op het oog niet normaal verdeeld uit. Dit word na gegaan via de volgende stappen, Analyze -> Descriptive Statistics -> Explore.

Er word gekeken naar de variabele stress. Skewness man is -0.22, Kurtosis man is -0.28 en Skewness vrouw is 0.36, kurtosis is -0.56. De grenzen bij een 95 procent betrouwbaarheidsinterval liggen op 1.96 en -1.96. Voor beide groepen vallen de waarden binnen de betrouwbaarheidsintervallen, beide groepen zijn normaal verdeeld. De p-waarde bij mannen is .455 welke > is dan α .05, de nulhypothese kan in dit geval worden aangenomen, de data bij mannen is normaal verdeeld. De p-waarde bij vrouwen is .010 welke < is dan α .05, de nulhypothese kan in dit geval verworpen worden, de data is bij de vrouwen niet normaal verdeeld volgens de Shapiro Wilk. De Normal Q-Q Plots zien er bij beide groepen normaal verdeeld uit, bij de mannen liggen de punten wel dichter langs de lijn dan bij de vrouwen. Als er ook nog gekeken word naar de detrended Normal Q-Q plots ziet men dat zowel bij de mannen als bij de vrouwen de punten op ongeveer dezelfde manier verdeeld is, namelijk dat er bij de vrouwen iets meer van de lijn word afgeweken.

Als tweede word er gekeken naar de variabele welbevinden. Skewness man is -0.32, Kurtosis man is -0.23 en Skewness vrouw is -0.39, kurtosis is -0.67. De grenzen bij een 95 procent betrouwbaarheidsinterval liggen op 1.96 en -1.96. Voor beide groepen vallen de waarden binnen de betrouwbaarheidsintervallen, beide groepen zijn normaal verdeeld. De p-waarde bij mannen is .180 welke > is dan α .05. de nulhypothese kan ook in dit geval worden aangenomen, de data bij de mannen is normaal verdeeld. De p-waarde bij de vrouwen is .005 welke < is dan α .05, dit betekent dat de nulhypothese verworpen word, de data bij de vrouwen is niet normaal verdeeld volgens de Shapiro Wilk. De Normal Q-Q plots zien er bij beide groepen normaal verdeeld uit, bij beide groepen liggen de punten allemaal dicht langs de lijn. Genoemd moet worden dat een aantal punten bij de Q-Q plot bij de vrouwen iets meer afwijken van lijn. Ook als er gekeken word naar de Detrended Q-Q Normal plots liggen de punten bij de vrouwen iets verder van de lijn dan bij de mannen.

Er zal een Mann-Whitney U test uitgevoerd worden omdat niet allebei de groepen normaal verdeeld zijn. De z-waarde van Stress is -5.094 en de z-waarde van welbevinden is -2.5. Als er gekeken word naar de p-waarde van beide variabelen ziet men dat de p-waarde van stress .0 is en de p-waarde van welbevinden is .012. Beide p-waarden komen niet boven het significantieniveau .05 uit, er kan dus geconcludeerd worden dat het gevonden resultaat significant is. Anders gezegd vind men hier een statistisch significant verschil tussen de mate van stress en het geslacht, en is er een statistisch significant verschil gevonden tussen de mate van welbevinden en geslacht. Vervolgens is het belangrijk om de richting van het verschil te bepalen. Dit word op twee manieren gedaan, door te kijken naar de Mean Rank en door de Mediaan van beide variabelen te berekenen. Mean Rank stress voor de mannen is 51.57, voor de vrouwen is dit 87.45. Mean Rank welbevinden voor de mannen is 81.58, en voor de vrouwen is dit 64.12. Daarna word de mediaan van beide variabelen berekend.

Mediaan stress: r = z / √ N = mannen: 30.11 en voor vrouwen: 32.15

Mediaan welbevinden: r = z / √ N = mannen: 48.32 en voor vrouwen: 47.78

Uit bovenstaande berekeningen, de tabel met de gegevens van de Mean Rank en de Mediaan berekeningen kan worden geconcludeerd dat vrouwen meer stress ervaren dan mannen en zij ook een lagere mate van welbevinden ervaren. Mannen ervaren minder stress dan het vrouwelijk geslacht en zij ervaren ook een hogere mate van welbevinden. Stress heeft in dit geval een negatief effect op het welbevinden. Het verschil tussen Mannen en vrouwen op de variabele stress is een medium effect en het verschil tussen mannen en vrouwen op de variabele welbevinden is een klein effect.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.