OE42: Literatuurstudie - Essay Marketplace

OE42: Literatuurstudie

Maarten Verzijl

555103

Klas 203 BBS

Begeleider:

Docenten: Mevrouw Smulders & Meneer Rambhadjan

Inholland Den Haag

Datum 29-5-2016 

Inhoud

Inleiding 3

Hoofdstuk 1. Probleemanalyse 4

Afbakening onderzoeksterrein 5

Beschrijving kennisbehoefte 5

Hoofdvraag & Deelvragen 6

Hoofdstuk 2. Literatuurstudie 7

Hoofdstuk 3. Methodologie 11

Hoofdstuk 4. Interview & Uitkomsten 12

Hoofdstuk 5. Conclusie & Reflectie 13

Bibliografie 14

Inleiding

Het vak individueel onderzoek/literatuurstudie gaat over het doen van een individueel onderzoek, met als resultaat een onderzoeksrapport met uitkomsten van een literatuurstudie en praktijkonderzoek. Maarten, je spreekt hier over praktijkonderzoek; moet dat nog uitgevoerd worden? Dit onderzoeksrapport gaat over een beroepsgericht thema van je afstudeerrichting.

De doelstelling van dit onderzoeksrapport is dat er aan het eind van deze opdracht wordt aangetoond dat je op systematische wijze een onderzoek kunt opzetten, kunt uitvoeren en erover kan rapporteren. Daarnaast heeft dit onderzoek ook als bedoeling dat je keuze voor je afstudeerrichting wordt bevestigd “door je zelf” heb ik weggehaald

Mijn afstudeerrichting is Banking & Insurance, het onderwerp van dit onderzoeksrapport zal moeten komen uit deze hoek. Vandaar dat mijn onderwerp zal gaan over hoe de overheid zich bemoeit met de financiële sector. Al jaren gaat het over de invloed van de overheid op de financiële sector. Dit is zowel een economisch als een politiek debat. Vooraf denk ik dat de overheid een te grote vinger in de pap heeft, daarom ben ik benieuwd of dat eigenlijk wel zo is.

Daarnaast is het ook interessant om te kijken waar die overheidsbemoeienis vandaan komt en in welke vormen deze aanwezig kan zijn.

Hoofdstuk 1. Probleemanalyse

In 2008 gebeurde het voor de eerste keer in de Nederlandse historie dat de overheid een Nederlandse bank nationaliseerde om ervoor te zorgen dat deze bank niet failliet zou gaan. ABN AMRO dacht dat ze het uitstekend voor elkaar had, maar toch ging het mis. Voor deze overname van ABN AMRO door de Nederlandse overheid werd 16,8 miljard euro betaald. Uiteindelijk zijn de kosten berekend, door de Algemene Rekenkamer, op 27,955 miljard euro. De staat moest de kapitaalmarkt op om het geld te lenen, aldus de voormalige minister van Financiën Bos.

(Oomkes, 2008)

Waarom bemoeit de Nederlandse overheid zich met dit soort praktijken? Het levert veel minder op dan het kost. Het omvallen van een bank als ABN AMRO zou schadelijk zijn voor de economie en zou de stabiliteit van de economie volledig verstoren. Er zit hier niet alleen een financieel belang aan, maar ook een maatschappelijk belang. Er zouden immers ook heel veel mensen hun baan verliezen en daarmee zou de overheid opnieuw: weglaten nieuwe problemen aantrekken.

(Overname ABN Amro, 2015)

Maar wat is de overheid nou feitelijk? De overheid is in ruime zin: ‘het geheel van overheidsinstellingen. Hieronder vallen de Rijksoverheid en de lagere overheden, zoals gemeenten, provincies, waterschappen en zelfstandige organisaties met een publieke taak’.(Bos, 2015)

De overheid bestaat uit delen die wel of niet rechtstreeks gekozen kunnen worden. De burgers kiezen voor politieke partijen die hun mening geheel of gedeeltelijk verdedigen. Elke periode wordt er wel een nieuwe politieke partij in bijvoorbeeld het kabinet of een gemeenteraad verkozen. Dit heeft invloed op het bestuur en de keuzes die worden gemaakt. Ditzelfde geldt voor de overheid en hun bemoeienis, het hangt heel erg af van de politieke partij hoe Nederland wordt bestuurd.

(Overheid , 2016)

De overheid bemoeit zich met meer zaken dan alleen de financiële sector. De overheid houdt zich ook bezig met de zorggerelateerde (opvang arbeidsongeschikten) , arbeidgerelateerde zaken (arbeidsmarkt en ondersteuning werkenden), leeftijd gerelateerde zaken (zorg voor ouderen), belastingheffing enzovoort.

(Kloosterman, 2013)

De financiële sector in Nederlands is een heel diverse en omvangrijke markt. Onder de financiële markt vallen niet alleen banken en verzekeraars, maar ook accountantskantoren, belastingadviseurs, investerings- en participatiemaatschappijen, financiële adviesbureaus en assurantiekantoren. Doordat er in de financiële sector niet alleen ‘financiële’ producten zijn maar ook ‘branchevreemde’ zoals ziektekostenverzekeringen en pensioenen, komen deze financiële instellingen steeds meer in aanraking met de sociale zekerheid sector. Daarnaast bieden sociale zekerheidsinstellingen en pensioenfondsen ook financiële producten aan. Het komt er op neer dat de grenzen tussen deze sectoren langzamerhand verdwijnen.

(Financiele sector, 2009)

Afbakening onderzoeksterrein

In dit onderzoek wordt overheidsbemoeienis in de financiële sector in de breedste zin van het woord gehanteerd. Daarin wordt dus ook onderzoek gedaan naar de visie van de verschillende politieke partijen op het handelen van de overheid in de financiële sector. Het onderzoek is erop gericht om te bepalen op welke wijze de overheid zich met de financiële sector bemoeit. Daarbij wordt er gekeken naar: weglaten welke vormen van overheidsbemoeienis er bestaan, wat de aanleiding is geweest voor het huidige overheidsbeleid en welke visies de politieke partijen hebben op het overheidsbeleid ten aanzien van de financiële sector.

Beschrijving kennisbehoefte

De informatie over de financiële sector is in zeer grote mate aanwezig. Hierover zijn vele boeken geschreven, wetenschappelijke artikelen gepubliceerd en hebben commissies onderzoek gedaan. Er zal onderzoek gedaan worden naar wat de aanleiding is geweest tot het overheidsbeleid wat het nu is. Ook zal er onderzoek moeten worden gedaan naar wat de verschillende politieke partijen denken over het beleid van de overheid in de financiële sector.

Hoofdvraag & Deelvragen

Hoofdvraag:

Op welke wijze bemoeit de Nederlandse overheid zich met de financiële sector?

Deelvragen:

Welke vormen van overheidsbemoeienis bestaan er?

Wat is de aanleiding voor het huidige overheidsbeleid voor de financiële sector?

Hoe kijken de verschillende politieke partijen aan tegen overheidsbemoeienis met de financiële sector?

Hoofdstuk 2. Literatuurstudie

De literatuurstudie begint met definities van het begrip overheidsbemoeienis. Hiermee zullen direct een aantal vormen van overheidsbemoeienis aan bod komen. Vervolgens zullen de trends besproken worden die hebben geleid tot het huidige overheidsbeleid en de kijk van verschillende politieke partijen, zowel coalitie partijen als oppositie partijen, op het beleid van de overheid op dit moment. Hiermee kan een betrouwbaar antwoord worden gegeven op de probleemstelling.

De definitie van overheidsbemoeienis van Keynes is niet in een zin te vertalen. Volgens Keynes moet de overheid ervoor zorgen dat er altijd voldoende vraag is, om maximale productie bij volledige werkgelegenheid te bewerkstelligen. Om ervoor te zorgen dat dit werkelijkheid wordt, moet de overheid extra bestedingen doen zoals het bouwen van collectieve goederen (bruggen, scholen enz.). Dit zorgt voor een stimulering van de effectieve vraag met als gevolg dat de investeringen en besparingen in evenwicht komen. Ten tijde van een economische crisis moet de overheid niet stilzitten, maar zich actief bemoeien met de economie.

(Theorie Keynes, 2013) (Vrije, 1983)

De definitie van overheidsbemoeienis volgens het Monetarisme is tegengesteld aan die van de Keynesiaanse. De overheid moet zich er slechts op richten het economische verkeer te voorzien van de noodzakelijke liquiditeiten bij constante prijzen. Het is van belang dat er voldoende geld in omloop is en dat de omvang van de liquiditeit stijgt met hetzelfde percentage als waarmee de productie groeit.

(Griffiths, 2007)

Net als de definitie van Keynes is de Klassieke visie op overheidsbemoeienis niet in een zin te vertalen. De overheid moet volgens deze theorie zich helemaal niet bemoeien met de economie, ze moet alleen collectieve goederen leveren, omdat de markt dit zelf niet kan. In een economische crisis moet de overheid de markt zijn gang laten gaan en niet ingrijpen. Er zijn verschillende mechanismes die ervoor zorgt dat de markt de problemen zelf oplost.

(Lweo, 2008)

In dit onderzoeksrapport is het niet van belang dat er een definitie gekozen wordt, aangezien alle mogelijkheden open gehouden moeten worden. Het is belangrijker om het begrip overheidsbemoeienis zo breed mogelijk te benaderen, zodat er geen tunnelvisie ontstaat. Uiteindelijk zal er na de literatuurstudie een keuze gemaakt worden welke definitie het beste van toepassing is.

Om de vormen van overheidsbemoeienis te benoemen moet er gekeken worden naar een groter geheel. Met dit grotere geheel wordt bedoeld de visies op de economie. Daarin komt niet alleen het aspect overheidshandelen naar voren, maar ook andere aspecten die te maken hebben met de economie. Zo wordt er een duidelijker beeld geschapen in wat voor soort situatie de overheid handelt of juist niet handelt.

Zoals eerder besproken speelt bij de Keynesiaanse theorie de effectieve vraag een centrale rol. Keynes stelde dat als de effectieve vraag kleiner was dan normale bezetting van de productiecapaciteit er sprake was van een laagconjunctuur of onderbesteding. In deze situatie doen consumenten niets, waardoor de prijzen blijven dalen, wat resulteert in een dalende vraag en een toename van de werkloosheid. Is de effectieve vraag groter dan de normale bezetting van de productiecapaciteit dan is er sprake van een hoogconjunctuur of overbesteding. Hierin is een vraagoverschot, de prijzen stijgen en de werkloosheid daalt.

Bij onderbesteding moet de overheid zorgen voor extra bestedingen, terwijl bij overbesteding de vraag moeten worden afgeremd.

(Theorie Keynes, 2013)

Het volgend model laat zien hoe het model van Keynes werkt.

Maarten zou je in de grafiek het woordje “hoogconjunctuur” boven golvende lijn kunnen zetten?

2x

Als de golvende lijn boven de trendlijn uitkomt is er sprake van hoogconjunctuur, dan moet er voor worden gezorgd dat de vraag wordt afgeremd. Is er sprake van een laagconjunctuur dan moet de vraag worden gestimuleerd door extra bestedingen van de overheid.

(Lweo, 2008)

Het uitgangspunt bij de Klassieke Theorie volgens (Smiths, 1776) is “the invisble hand”. Deze houdt in dat alles zichzelf oplost. Kijkend naar de arbeidsmarkt, waarbij als er werkloosheid is, het aanbod groter is dan de vraag naar arbeid. Het gevolg is dat de lonen dalen, dit is gunstig voor de werkgever, die nu juist meer vraag heeft naar werknemers en hierdoor daalt het aanbod. Vanzelfsprekend neemt de werkloosheid af. (Smiths, 1776)

Ook op de kapitaalmarkt werkt dit mechanisme. In dit geval ook wel de Wet van Say genoemd. Wanneer er meer wordt gespaard dan geïnvesteerd is het aanbod van kapitaal veel groter dan de vraag naar kapitaal. Dit heeft als gevolg dat de rente daalt. Wanneer de rente daalt, is er minder neiging om te sparen en wordt er meer geleend. Hierdoor stijgt de vraag naar kapitaal en daalt het aanbod. Het probleem lost zichzelf op.

(Leen, 2012) (Smiths, 1776)

Het Monetarisme is afkomstig van de theorieën over de economie van Milton Friedman. Er werd door Friedman voortgeborduurd op de overheersende Keynesiaanse theorie, maar zoals hij zei: “deze ontbeerde onderbouwing”. Friedmans theorie toonde aan dat bemoeienis met de financiële sector altijd meer schade aanrichtte dan dat het goed deed. Dat deed hij door aan te tonen dat inflatie een ‘monetair fenomeen’ is en dat interventie weinig oplevert. Volgens deze theorie kunnen de beleidsbepalers het beste een evenwichtige omgeving vormen, waarin de machthebbers zich afzijdig laten houden van interventie en zoals al bij de definitie genoemd, het geld met een vast percentage stijgen in lijn met economische ontwikkelingen op de lange termijn.

(Friedman, 1968)

Deze drie vormen van economische stromingen zijn tevens de drie belangrijkste in Nederland. Om tot het huidige beleid van de Nederlandse overheid te komen moet er ook gekeken worden naar de geschiedenis van de economie.

De manier waarop de overheid zich met de financiële sector bezighoudt is aan veranderingen onderhevig. De grote depressie, die begon in de Verenigde Staten, is één van de grootste veranderingen die invloed hebben gehad op het overheidsbeleid. Deze internationale crisis raakte Nederland hard in 1929. De effecten op de industrie, de landbouw en de handel- en transportsector waren enorm.

Het economisch beleid van de kabinetten Colijn bleek in deze crisis niet effectief. Het beleid was een aanpassingspolitiek waarbij het idee was dat de bedrijven in Nederland hun kosten moesten verlagen om zich door de crisis heen te slaan. Zelf deed de overheid daaraan mee door te bezuinigen op de uitgaven en zo de staatsbegroting sluitend te houden. Tegelijkertijd waren er niet alleen bezuinigingen, maar ook steun aan sectoren die dreigden om te vallen in de crisis. (Jong, 2012)

Het beleid van de overheid was, ongeacht de opkomst van Keynes in diezelfde jaren, gericht op intensieve bemoeienis met de economie. De investeringen van de overheid stegen in deze jaren enorm. De overheid deed in de jaren twintig al aan investeringen door projecten op te zetten. Dit ging in de jaren dertig door, mede door de grote werkloosheid die heerste als gevolg van de grote depressie, met als gevolg een zeer hoge percentage van overheidsinvesteringen die tot de dag van vandaag niet meer bereikt zijn. Door de hevige bemoeienis door middel van werkverschaffingsprojecten (het bouwen of aanleggen van bruggen, wegen, viaducten, rivieren enz.) is het beleid van de overheid in deze jaren te typeren als Keynesiaans.

(Bakker, 2008)

Vanaf de jaren 80 is er steeds meer van Keynes afgestapt en werd meer geneigd naar de klassieke theorie. Het eerste kabinet Lubbers had als lijfspreuk: ‘Meer markt, minder overheid’. Dit is een typisch voorbeeld van klassiek economisch denken. Belangrijke instrumenten om meer markt te generen waren privatisering en deregulering. Talloze acties leiden tot het vergroten van de marktvrijheid, met als belangrijkste: het aannemen van de mededingingswetgeving en het afschaffen van het algemeen verbindend verklaren van de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s).

Dit leidde tot verbeteringen in de financiële sector: daling van de hiervoor langdurende werkloosheid, het creëren van nieuwe banen en de groei van het BBP. (Delsen, 2001)

Toch was het zo dat kabinet Lubbers niet alles op zijn loop liet gaan. De overheid voerde namelijk wel veranderingen door om de werkloosheid omlaag te krijgen. Belastingen en premies werden laag gehouden, salarissen van haar eigen werknemers werden flink verlaagd, de sociale zekerheid werd afgebroken, wat mensen ertoe dwong om een baan te zoeken, lonen werden minder beschermd.

(Teulings, 1985)

Onder de kabinetten Balkenende (periode 2002-2010) werd er gestreefd naar een economie met een ondernemende, innovatieve en toegankelijke overheid. De overheid ordent alle markten, ziet toe op eerlijke concurrentie en houdt rekening met alle belangen. De overheid gaf in die tijd de ruimte aan de economie door vermindering van regels, procedures en voorschriften. Er is sprake van een actieve overheid die zich weinig bemoeit met de bancaire sector.

(Ministerie, 2007)

De financiële crisis die uitbrak in 2007 is van grote invloed geweest op het huidige beleid van de Nederlandse overheid. De oorzaken die te grond hebben gelegen aan deze crisis zijn de volgende:

– Onbalans in de Macro-economie. Overal in de wereld was er kapitaal over. Dit kapitaaloverschot leidt het niet serieus nemen van financiële risico’s en tot een zeer lage rentestand. Tevens zorgde het overvloedige kapitaal voor enorm stijgende huizenprijzen en koersen van de aandelen, terwijl dit dus een verkeerde voorstelling van zaken was.

– Het te lang te laag houden van de rente. Dit heeft ervoor gezorgd dat er een zeepbel ontstond in de prijzen van de huizen in Amerika en daarmee gezorgd voor het begin van de financiële crisis.

– Onvoldoende regulering. Toezichthouders hielden niet goed genoeg toezicht, waardoor er veel fouten zijn gemaakt die invloed hadden op de crisis.

(Michiel Bijlsma, 2009)

De gevolgen waren desastreus voor Nederland:

– Er heerste onzekerheid in de wereld. Onzekerheid gaat gepaard met laag consumentenvertrouwen en een afname van koopkracht. Dit heeft weer negatieve gevolgen voor de rest van de economie.

– De vermogensposities van Nederlandse financiële instellingen verslechterde sterk, overgrijpen van overheid was nodig.

– De Nederlandse overheid heeft tientallen miljarden geleend om te de positie van financiële instellingen te versterken; daarover moet rente betaald worden.

(Michiel Bijlsma, 2009)

De overheid heeft zijn lessen getrokken uit de mondiale financiële crisis. Het beleid wordt aangepast met daarin twee belangrijke veranderingen: regulering en controle. Regulering, het voorschrijven van processen doormiddel van regels en wetten, is zeer belangrijk geworden in het beleid van de Nederlandse overheid. Alleen is regulering niet goed genoeg, er kan namelijk meer regulering plaatsvinden, maar de controle/ het toezicht op deze regulering is op zijn minst net zo essentieel. Zonder naleving van de voorgeschreven regels, zullen er geen verbeteringen plaatsvinden in de Nederlandse economie.

(Seynaeve, 2010)

De overheid heeft in de financiële crisis haar beleid aangepast op de situatie die gaande was op dat moment in Nederland. Ze stapte af van de vrije marktwerking en gingen zich actief bemoeien met de economie. Dit is te zien aan de overheidssteun die is gedaan tijdens de financiële crisis. De overheid heeft bij verschillende Nederlandse financiële instellingen deelnemingen of overnames gedaan:

– SNS Reaal, 750 miljoen euro (deelneming).

– ING Groep, 10 miljard euro (deelneming).

– Aegon, 3 miljard euro (deelneming).

– ABN Amro, 16,8 miljard euro (overname).

– ASR, 3,7 miljard euro (overname).

– SNS Reaal, 3,7 miljard euro (overname).

In totaal heeft de overheid 37,95 miljard euro aan steun uitgegeven om deze financiële instellingen overeind te houden.

(Stortenbeek, 2015)

Naast de behandelde vormen en de historische gebeurtenissen die hebben geleid tot het huidige overheidsbeleid moet er ook gekeken worden naar de visies van de politieke partijen op bemoeienis van de overheid. De visies van de VVD, SP, PVDA en PVV worden behandeld. De VVD en PVDA zijn de twee partijen die het kabinet vormen en regeren en dus het beleid uitzetten voor Nederland op alle gebieden. De SP is een partij met een totaal tegenovergesteld beleid ten opzichte van de economie dan het huidige kabinet. PVV is, volgens de laatste opiniepeiling, de grootste partij van Nederland met 37 zetels.

(Hond, 2016)

De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) pleit voor een economie met een smalle en krachtige overheid. Niet teveel regels en verlaging van belasting leidt tot een klimaat voor gunstig ondernemen. Tegelijkertijd erkent de VVD dat de financiële sector in Nederland een essentiële economische functie vervult. Deze functie houdt in de rol van krediet- en dienstverlener in Nederland. Voor kredietverlening en efficiënte marktwerking is het van groot belang dat de financiële sector goud functioneert. Daarom is overheidssteun niet uitgesloten, om ervoor te zorgen dat de stabiliteit niet in het geding komt en groei niet bij voorbaat uitgesloten kan worden. De VVD zegt daarom: “De overheid moet economische groei niet hinderen maar ondersteunen”.

De VVD vindt dat de markt niet zelf kan werken. Daarom pleit de VVD voor voorschriften die voldoende duidelijk zijn en een overkoepelende instantie die streng toezicht houdt op de markt. Het toezicht op de financiële sector moet worden verscherpt.

(Verkiezingsprogramma VVD, 2012)

De Socialistische Partij (SP) pleit voor een Keynesiaanse overheid, met zeer veel investeringen door de overheid. Hiermee wil de SP de economie in gang houden en de werkgelegenheid verhogen. Deze investeringen bestaan vooral uit het bouwen en onderhouden van scholen, universiteiten, dijken, wegen, woningen en spoorwegen.

Om meer controle uit te oefenen op de financiële sector wil de SP een eigen nationale investeringsbank oprichten (NIB). Deze bank verstrekt kredieten aan bedrijven die een gezonde bedrijfscultuur en organisatie hebben en daarnaast goed leiderschap hebben. De SP wil hiermee meer werkgelegenheid generen en wil ervoor zorgen dat de industrie weer geld kan investeren.

De SP perkt de vrije marktwerking in doormiddel van een verhoging van de bankenbelasting met daarbovenop een financiële transactietaks. De SP wil hiermee speculatie afremmen en het liefst voorkomen. Ook willen ze met het extra kapitaal wat vrij komt van de bankenbelasting en de transactietaks investeren in de reële economie.

(Verkiezingsprogramma SP, 2013)

De Partij Van De Arbeid (PVDA) maakt zich sterk voor een actieve overheid in de economie. Dit houdt in bezuinigen en extra investeren in de financiële sector wanneer dit nodig is. De PVDA pleit voor een scenario waarin als een burger zijn baan kwijt raakt, de burger weer snel een nieuwe baan kan vinden. De pijlers van de PVDA zijn daarom ook werkgelegenheid en verzorgingsstaat voor iedereen in Nederland.

Ook de PVDA, net zoals de SP, pleit voor een verhoging van de bankenbelasting, daardoor dragen de banken mee aan de kosten van de financiële crisis. De financiële transactietaks moet worden ingevoerd om “roekeloos flitskapitaal” te beperken. De extra inkomsten die worden gegenereerd worden hierna gebruikt om de bezuinigen die zijn ingepland te verzachten of om extra investeringen in de economie te doen.

De PVDA wil daarnaast een toezichthouder die financiële instellingen continu in de gaten houdt en zorgt voor stabiliteit en eerlijkheid. Met eerlijkheid wordt bedoeld dat de kosten die worden veroorzaakt door fouten van de financiële instelling niet bij de belastingbetaler komen te liggen, maar bij de aandeelhouders en de investeerders.

(Verkiezingsprogramma PVDA, 2013)

De Partij Van de Vrijheid (PVV) wil net zoals de VVD een kleinere overheid. Radicaler is de PVV dan de VVD, want het plan is om ontwikkelingshulp, afdracht aan de EU en vredesmissies te stoppen om de overheid kleiner te maken.

De overheid moet zich nog wel actief bemoeien met de economie, doormiddel van verlaging van de belasting. Hiermee wil de PVV de koopkracht omhoog stuwen. De belangrijkste pijler van de PVV is het verhogen van de koopkracht om daarmee de economie te stimuleren.

“We verdriedubbelen met plezier de bankenbelasting”. Hiermee duidt de PVV aan dat de bankenbelasting fors omhoog moet, dit om extra inkomsten te generen voor de burger.

(Verkiezingsprogramma PVV, 2012)

Wat nog meer???

Hoofdstukken 3,4, en 5?

Hoofdstuk 3. Methodologie

In dit hoofdstuk wordt beschreven welke methode van onderzoek geschikt is om tot een gedegen onderzoeksrapport te komen.

1.Welke vormen van overheidsbemoeienis bestaan er?

Deze deelvraag is beantwoord door middel van literatuuronderzoek, dit is beschreven in de literatuurstudie. In Hoofdstuk 2 van dit onderzoeksrapport wordt beschreven welke vormen van overheidsbemoeienis er bestaan. Het gaat hierbij om Keynes, Monetarisme en de Klassieke theorie van Smith.

2.Wat is de aanleiding voor het huidige overheidsbeleid voor de financiële sector?

Deze deelvraag is deels beantwoord door de literatuurstudie, hoofdstuk 2 van dit onderzoeksrapport. In de literatuurstudie staat beschreven welke gebeurtenissen het huidige overheidsbeleid van Nederland hebben gevormd. Om uit deze gebeurtenissen de meest ingrijpende voor het huidige overheidsbeleid te kiezen is het van belang om de mening, door middel van fieldresearch, van overheid werknemers die betrekking hebben op de financiële sector te kennen.

Hierdoor wordt het mogelijk om aan te geven wat er, in de historie van Nederland, het meeste van invloed is geweest op het huidige overheidsbeleid voor de Nederlandse financiële sector.

Deze deelvraag is een open onderzoeksvraag, dit betekend dat er gebruik is gemaakt van kwalitatief onderzoek om een antwoord te vinden.

Binnen de overheid zijn er een aantal instellingen die zich bezighouden met de financiële sector, dit is ook de criteria waarop deze ambtenaren geselecteerd zijn voor het onderzoek:

– Ministerie van Financiën, verantwoordelijk voor het binnenlandse economische beleid en het houden van toezicht op het functioneren van de financiële markten, instellingen en het betalingsverkeer.

– De Belastingdienst, vallend onder het Ministerie van Financiën, houdt zich bezig met de belastingen van zowel burgers als bedrijven.

– De Autoriteit Financiële Markten (AFM), toezichthouder op gedrag van de financiële markten en pensioenfondsen.

– Bureau Financieel Toezicht (BFT), toezichthouder op de ‘vrije beroepen’. Daaronder wordt verstaan eigen onderneming enz.

Deze populatie is nog groot, dus moest er een steekproef worden genomen. Uit deze populatie zijn twee personen gekozen. Er worden twee personen gekozen voor dit onderzoek, omdat er dan meerdere meningen zijn over wat de belangrijkste gebeurtenissen zijn die het overheidsbeleid hebben beïnvloedt. Deze steekproef was aan een criteria onderworpen:

– Minimaal 5 jaar werkervaring, omdat hierdoor zeker voldoende kennis is opgebouwd over de financiële sector.

Andere criteria (leeftijd, achtergrond, functie) hebben geen invloed op de uitkomst van dit onderzoek. Er is gekozen om gebruik te maken van een interview met een semigestructureerd vragenlijst waarbij er face to face gecommuniceerd wordt. Hierbij worden van te voren vragen opgesteld, echter wordt er tijdens het interview niet strak aan deze vragen gehouden, maar kan er ook worden afgeweken van deze vragen. Voordelen van deze methode: ingewikkelde vragen mogelijk en geringe non-respons. (Baarda, 2014)

Er is gekozen voor de volgende personen als respondenten:

1. Agnètha Neuteboom, werkachtig bij BFT. Voldoet aan criteria werkervaring. Deze respondent is gevonden via een familielid.

2. Lieske van Schijndel, werkachtig bij Belastingdienst. Voldoet aan criteria werkervaring. Deze respondent is gevonden via de site van de belastingdienst.

Op basis van de theorie waren de volgende topics geformuleerd, die in de vragenlijst aan de orde moeten komen:

• Belang historische gebeurtenissen in de economie.

• Mening over Grote depressie, Kabinet Lubbers, Kabinet Balkenende en financiële crisis 2007.

3.Hoe kijken de verschillende politieke partijen aan tegen overheidsbemoeienis met de financiële sector?

Deze deelvraag is deels beantwoord door de literatuurstudie, hoofdstuk 2 van dit onderzoeksrapport. In de literatuurstudie staat beschreven hoe verschillende partijen (VVD, PVDA, SP en PVV) aankijken tegen overheidsbemoeienis met de financiële sector. Iedere partij heeft hier zijn eigen kijk op. Echter wordt niet al te specifiek op dit onderwerp ingegaan, het wordt algemeen besproken. Het is dus van belang om de mening van politici over overheidsbemoeienis te kennen. Hierdoor kan er specifieker antwoord worden gegeven op de deelvraag.

Deze deelvraag is een open onderzoeksvraag, dit betekend dat er gebruik is gemaakt van kwalitatief onderzoek om een antwoord te vinden.

De populatie voor dit onderzoek zijn politici die zich hebben aangesloten bij de VVD, de PVDA, de SP of de PVV.

Deze populatie is nog groot, dus moest er een steekproef genomen worden. Uit deze populatie zijn twee personen gekozen. Er zijn twee personen gekozen voor dit onderzoek om de tegengestelde visies op overheidsbemoeienis te laten zien. De ene respondent komt van de VVD en de andere respondent komt van de SP. Deze twee politieke partijen hebben zeer tegengestelde belangen en bovendien zit de VVD in het kabinet en de SP in de oppositie. De criteria die aan de steekproef zijn onderworpen:

– Kennis over financiële sector

– Kennis over overheidsbemoeienis

– Kennis over het landelijke financiële beleid van politieke partij

Andere criteria (leeftijd, achtergrond, functie) hebben geen invloed op de uitkomst van dit onderzoek. Er is gekozen om gebruik te maken van een interview met een semigestructureerd vragenlijst waarbij er face to face gecommuniceerd wordt. Hierbij worden van te voren vragen opgesteld, echter wordt er tijdens het interview niet strak aan deze vragen gehouden, maar kan er ook worden afgeweken van deze vragen. Voordelen van deze methode: ingewikkelde vragen mogelijk en geringe non-respons. (Baarda, 2014)

Er is gekozen voor de volgende respondenten:

Op basis van de theorie waren de volgende topics geformuleerd, die in de vragenlijst aan de orde moeten komen:

• Visie op beleid van de eigen partij

• Visie op het huidige overheidsbeleid

• Visie op beleid van tegengestelde partij

Hoofdstuk 4. Interview & Uitkomsten

Hoofdstuk 5. Conclusie & Reflectie

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.