De nieuwe machthebbers onder aanvoering van generaal Mohammed Naguib hadden twee doelstellingen: hervorming van het grondbezit in Egypte, ten gunste van de landarbeiders en het verdrijven van de Engelsen. In oktober 1954 leidden onderhandelingen met Engeland ertoe dat dezen besloten om in juni 1956 Egypte te verlaten.
Dit verdrag was een regelrechte overwinning voor Nasser, die inmiddels de macht had overgenomen van Naguib. De Engelsen werden als oppermachtig gezien en dat juist in het Engelse Egypte, met het strategisch belangrijke Suezkanaal.
Nasser begon zich in steeds grotere mate uit te spreken tegen het westerse imperialisme in het Midden-Oosten. Zo opende hij een radiozender, ���De Stem van de Arabieren��� die anti-imperialistische propaganda begon uit te zenden. Nassers boodschap ging in tegen de belangen van Amerika en Engeland. De vlam sloeg in de pan toen Isra��l in juli 1955 de Gazastrook binnenviel.
De Suezcrisis
Bij de inval van het Isra��lische leger in de Gazastrook vielen 39 Egyptische doden waarna Nasser wraak wilde nemen. Maar hij had helemaal geen leger opgebouwd, omdat de westerse landen geen wapens wilden verkopen. Nassar ging zich deels aansluiten bij de Sovjet-Unie voor militaire steun. Dat resulteerde in de aankondiging van Nassar in september 1955 dat hij Russische wapens van Tsjecho-Slowakije zou gaan kopen.
In reactie hierop besloten Amerika en Engeland om geen lening aan te bieden aan Egypte voor het bouwen van de Hoge Dam van Aswan. Nasser reageerde daarop door het Suezkanaal te veroveren. Als reden voor de verovering gaf hij op dat de opbrengsten van het Suezkanaal zouden worden gebruikt voor de financiering van de Aswandam. Frankrijk en Engeland riepen hun scheepsloodsen terug, maar Egypte verving hen door Egyptische loodsen zodat het scheepsverkeer ongehinderd door kon gaan. Het conflict escaleerde doordat Frankrijk samen met Isra��l besloot om militair in te grijpen. Frankrijk en Engeland die zich bij de plannen aansloten, zouden dan als vredestichter tussen beide partijen komen en zo het Suezkanaal te her bezetten.
Op 29 oktober 1956 viel Isra��l Egypte binnen en geheel volgens plan stuurden Frankrijk en Engeland hun troepen naar het Suezkanaal. Maar het ging niet volgens plan toen Egypte snel enkele schepen liet zinken en zodoende het Suezkanaal blokkeerde. Ook blies Syri�� twee belangrijke olieleidingen op en in het gehele Midden-Oosten waren er aanslagen op Franse en Engelse eigendommen.
Arabisch nationalisme ��� eind jaren 50
De overwinning van Nasser op Frankrijk, Engeland en Isra��l werd enthousiast onthaald door Arabieren in andere landen. Zo riepen zowel Marokko als Tunesi�� in 1956 de onafhankelijkheid van Frankrijk uit. Ook de Algerijnen werden door het succes van Nasser gestimuleerd in hun vrijheidsstreven.
In Jordani�� kwam koning Hoessein dermate onder druk te staan van het opkomende Arabische nationalisme dat hij de Britse bevelhebber van het Arabisch Legioen, generaal Glubb ontsloeg.
Syri�� stond ook bloot aan de druk van het opkomende Arabisch nationalisme en zocht aansluiting bij Egypte. Dit leidde in 1957 tot de Verenigde Arabische Republiek.
1.2. Economisch
Het begin van de OPEC
Het bij elkaar brengen van de grote olieproducerende landen was al langer een droom van Perez Alfronzo. Toen hij in de verenigde staten was had hij de regeling van de olie productie bestudeerd. in 1958 ging hij weer terug naar Venezuela waar hij minister van energie en mijnen werd.
Op 9 augustus 1960 besloot Standard Oil of New Jersey zonder overleg met de olieproducerende landen de prijs van ruwe olie te verlagen. Andere oliemaatschappijen namen dit besluit met tegenzin over. De vertegenwoordigers van de landen Venezuela, Saoedi-Arabi��, Irak en Koeweit bijeen in Bagdad. Op 14 september was er een overeenkomst en de OPEC was een feit.
De eerste tien jaar
In de jaren 60 bereikte de OPEC dat de olieprijs niet werd verlaagd. De andere resultaten waren teleurstellend. De OPEC-landen hadden weinig controle over de olie reserves. Wereldwijd was er een overschot aan olie. In Libi�� waren in de jaren 60 nieuwe olievelden aangeboord en in 1965 was Libi�� de op zes na grootste olie-exporteur. De OPEC landen concurreerde onderling om de stroom van de olie inkomsten in gang te houden.
De nationalisering van de olie-industrie in Iran in 1951 en de daaropvolgende Abadan-crisis en Amerikaans-Britse staatsgreep in 1953 had de olieproducerende landen ook voorzichtig gemaakt. Met de sinds die tijd gestegen vraag naar olie veranderde de situatie. Toen Qadhafi op 1 september 1969 de macht overnam in Libi��, stelde hij al in december van hetzelfde jaar de oliemaatschappijen een laatste eis, namelijk een stijging van de olieprijs met 43 dollarcent en een meerderheidsbelang in de olieproductie. Libi�� zou de export van olie staken als de eisen niet werden ingevoerd. De oliemaatschappijen waren er tegen, maar in september 1970 had Libi�� zijn zin. Andere OPEC-landen starten hun eigen onderhandelingen om een grotere deelname, hogere inkomsten en hogere prijzen te behalen. Op 14 februari 1971 bereikten de partijen een akkoord in Teheran, hier kregen de landen ook een meerderheidsbelang in de oliewinning. de olieprijs werd met 25 dollarcent verhoogd en zou ook in latere jaren verder stijgen. In Libi�� waren ook onderhandelingen gestart, met de landen Algerije, Libi��, Saoedi-Arabi�� en Irak. en op 2 april 1971 werd een olieprijsverhoging van 90 dollarcent overeengekomen.
De eerste oliecrisis van 1973
Op 6 oktober 1973 werd Isra��l aangevallen door de legers van Egypte en Syri��. de Jom Kipoeroorlog was uitgebroken. De Arabieren kondigden op 17 oktober 1973 een olieboycot aan, dat iedere maand de olieproductie met 5 procent zou worden verlaagd totdat de eisen werden ingevoerd. In december 1973 was de Arabische olieproductie met ongeveer 5 miljoen vaten olie per dag gedaald. In de zomer van 1973 werd minder dan 3 dollar per vat betaald, maar in december werd de boycot verzacht en werd er alweer 17 dollar geboden. Na december kwamen de olieministers bijeen om een nieuwe olieprijs af te spreken. Tussen 1972 en 1977 zouden de olie-inkomsten van de OPEC-landen stijgen van 23 miljard naar 140 miljard dollar in 1977.
1.3. Sociaal en cultureel
Met name in Egypte en Turkije zijn films populair. Egypte is de belangrijkste producent van films in de regio. Hierdoor kan het Egyptisch dialect van het Arabisch in vrijwel het hele Midden-Oosten verstaan worden. De dominante rol van de Egyptische filmindustrie is echter kleiner dan in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Toen werden jaarlijks honderden films in Egypte gemaakt, aan het begin van de 21e eeuw zijn dit er nog maar zo’n tien per jaar. Belangrijkste redenen voor deze afname zijn de toenemende concurrentie van met name Amerikaanse films.
Bekende filmmakers uit de bloeiperiode van de Egyptische filmindustrie zijn Kamil el-Telmassani (bekende film: The Black Market uit 1946) en Kamal al-Sheikh (bekende film: Life or death, 1954)), Youssef Chahine, (Cairo station, 1958), Henri Barakat.
���