Essay: Binnen de opleiding Sport, management en Ondernemen moet ... - Essay Marketplace

Essay: Binnen de opleiding Sport, management en Ondernemen moet …

1. INLEIDING
Binnen de opleiding Sport, management en Ondernemen moet iedere student een onderzoek uitvoeren die betrekking heeft op de sportspecialisatie. In het derde leerjaar hebben wij beide de KNVB voetbal Trainer coach opleiding 3 succesvol afgerond. Aan de hand van deze cursus is dit onderzoek tot stand gekomen.
De KNVB is toonaangevend. Of het gaat om betaald, gratis, levendig of amateurvoetbal, op het veld of in de zaal: de KNVB Academie functioneert als voorbeeld. Bij de KNVB zijn ontzettend veel jeugdteams actief. Maar hoe zorgt de trainer-coach jeugd voor het optimaal resultaat ontwikkeling en succes van het team? Hoe kan een trainer zijn training aanpassen op de scoringskwaliteiten en percentage van links en rechts, – benige spelers? Dat is de vraag die in dit onderzoek centraal staat.
De aanleiding van het voetbalonderzoek is gebaseerd op het volgende; E en F pupillen zijn de jongste categorie??n in het voetbal. Om ze kennis te laten maken met het voetbal zijn vanuit de KNVB een aantal richtlijnen vastgesteld. Voor de E en F pupillen geeft de KNVB aan dat deze categorie tijdens een training zoveel mogelijk met de bal bezig moet zijn en hierbij beide benen voor gebruikt. Vanuit deze richtlijn is de volgende globale vraagstelling tot stand gekomen:
– Is er een verschil aan te tonen tussen links- en rechtsbenige spelers wanneer de bal geschoten word op een doelwit van verschillende afstanden?
– Zal het scoringspercentage (het raken van een doelwit) van links-, of rechts benige spelers verschillen op E en F niveau?
De doelstelling van het onderzoek is het opstellen van een onderzoeksplan. Om een trainer-coach jeugd te ondersteunen, bij het aanpassen van de trainingen op de kwaliteiten van de links en rechts-, benige spelers. Met het doel dat de spelers betere resultaten behalen.
Het verslag is opgebouwd aan de hand van de studiehandleiding. Hier wordt begonnen met een inhoudelijke ori??ntatie waar aan de hand van drie wetenschappelijke bronnen antwoord wordt gegeven op de probleemstelling. Hierna word de doelstelling definitief vastgesteld, hieraan zijn ook een aantal deelvragen gekoppeld. Op de definitieve vraagstelling worden er een H0 en een H1 hypothese gedaan. In het volgende hoofdstuk wordt uitgelegd voor welke doelgroep er gekozen is en hoe het onderzoek word uitgevoerd.

2. INHOUDELIJKE ORI??NTATIE
Om richtlijnen te geven aan de inhoudelijke ori??ntatie hebben wij een aantal vragen gesteld waarop antwoord word gegeven vanuit de theorie.
– Wat heeft het brein te maken met links en rechts?
– Zijn er aantoonbare verschillen in andere sporten tussen links en rechts?
– Zijn er meer links- of rechtsbenige voetballers? En welke invloed heeft dit op profclubs?

De kleine hersenen hebben een rol bij het plannen, co??rdineren en controleren van de bewegingen en rotaties van stuurt de bewegingen van de kant van het lichaam. Terwijl de grote hersenen de impulsen andersom verwerken, de rechterkant ontvangt prikkels van de linker kant van het lichaam en de linkerkant ontvang prikkels van de rechter kant van het lichaam (Atteveld 2012).
Deze verschillen zien we ook terug als je spreekt over links- en rechtshandigen. Als rechtshandigen een afbeelding bekijken, verwerken ze de details voornamelijk in de linkerhersenhelft, waar zich ook de taalcentra bevinden. Hun rechterhersenhelft is vooral verantwoordelijk voor het verwerken van globale informatie en logische verbanden. Het brein van linkshandigen werkt precies andersom, zoals neurowetenschapper Carmel Mevorach van de Universiteit van Birmingham in 2005 heeft vastgesteld (Links pers?? niet onhandig, 2011).
Een populaire theorie die het voordeel van linkshandigen in termen van biologische fitheid wil verklaren is de ‘vechthypothese’. Deze theorie stelt dat in een fysiek treffen (een gevecht, zeg maar) een linkshandige een verrassingsvoordeel heeft ten aanzien van de rechtshandige omdat deze laatste gewend is het te moeten opnemen tegen andere rechtshandigen, maar niet tegen de zeldzamere linkshandige.
Voorstanders van het verrassingsvoordeel wijzen op het feit dat bij topsporters van interactieve sporten zoals boksen en schermen, maar ook tennis en baseball, het aantal linkshandigen proportioneel veel hoger ligt dan in de algemene bevolking. De vechthypothese voorspelt tevens dat linkshandigen hun verrassingsvoordeel enkel behouden wanneer ze een minderheid vormen. Anderzijds is deze theorie moeilijk empirisch te bewijzen, en is het ook zo dat we al enige tijd niet meer regelmatig fysiek voor ons leven hoeven te vechten al kan deze periode nog te kort zijn om een volledige eliminatie van linkshandigheid te bewerkstelligen. (Mensenkennis, 2013)
Ongeveer tien procent van alle mensen is linkshandig en twintig procent linksvoetig ‘ dat verschil komt deels doordat veel geboren linkshandigen ‘op rechts overstappen’ omdat dat praktischer is; linksvoetigheid levert doorgaans geen problemen op (Linkse sporten, 2013).
In de eredivisie ligt het aandeel op vijfentwintig procent. Hoe belangrijk zijn die linksbenige spelers eigenlijk voor het functioneren van een elftal? (Kleijne 2007) ‘Bij het samenstellen van de jeugdteams zoeken we altijd naar een goede balans tussen links en rechts ‘vertelt John van den Brom, hoofd van Ajax’ jeugdopleiding. ‘Het streven is om in elk jeugdteam van Ajax zeker zes linkspoten te hebben. Ondanks het beperktere aanbod is scouten van linksbenigen niet moeilijk. Het is gewoon een kwestie van zoeken in de leeftijdscategorie??n waar je linksbenige spelers nodig hebt. Bovendien laten we ze in de opleiding al heel snel met twee benen trappen, zodat ze zo goed mogelijk tweebenig worden.’ (Kleijne 2007)
3. DEFINITIEVE VRAAGSTELLING:
Op verzoek van het jeugdbestuur wordt er getest of er een aantoonbaar verschil is tussen links- en rechtsbenige E- en F pupillen. Dit heeft geleidt tot de volgende onderzoeksvraag:
– Is er een verschil aan te tonen tussen links- en rechtsbenige F- en E-pupillen wanneer zij de bal schieten op een doelwit van verschillende afstanden?
– En hoe kan een trainer zijn training aanpassen op de scoringskwaliteiten en percentage van links en rechts, – benige spelers?
Om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden zijn de volgende deelvragen geformuleerd:
– Is er een verschil aan te tonen tussen jongens en meisjes er met links of rechts word geschoten?
– Is er een verschil aan te tonen tussen E en F pupillen wanneer er met links of rechts word geschoten?
Defini??ring begrippen:
Doelwit: in dit onderzoek verstaan wij hieronder het punt waar de E en F pupillen de bal op moeten schieten. Het doelwit staat in het goal en is weer verdeeld in drie verschillende punten.
4. THEORIE EN HYPOTHESEN
Het jeugdbestuur heeft geconstateerd dat 90 procent van de trainers hun trainingen vooral richten op rechtsbenige spelers. Er wordt door de trainers niet bewust nagedacht hoe ze een oefening uit zetten en vergeten hierbij de linksbenige spelers. De meeste schietoefeningen worden zo uitgezet dat de rechtsbenige spelers 80% van het elftal (Kleijne 2007) een voordeel hebben bij de aanloop en hierdoor goed uitkomen om de bal te schieten.
Vanuit de inhoudelijk ori??ntatie wordt geconstateerd dat er meer rechtsbenige spelers in de wereld zijn dan linksbenige spelers. Om een goed jeugd team samen te stellen moet er een balans zijn tussen links en rechts benige spelers. John van de Brom hoofd van de Ajax jeugdopleiding heeft als richtlijn gesteld voor de Ajax jeugdteams dat er minimaal zes linksbenige spelers in een elftal zitten.
– De H0 hypothese: Er is geen verschil tussen links- en rechtsbenige spelers F en E-pupillen wanneer zij de bal schieten op een doelwit van verschillende afstanden.
– De H1 hypothese: Er is wel een verschil tussen links- en rechtsbenige spelers F en E-pupillen wanneer zij de bal schieten op een doelwit van verschillende afstanden.
Op basis van literatuur wordt verwacht dat er geen verschil is tussen links- en rechtsbenige F- en E-pupillen wanneer zij de bal schieten op een doelwit van verschillende afstanden. Wij denken dat het lijkt alsof rechtsbenige spelers een hoger scoringspercentage hebben omdat de er verhoudingsgewijs meer rechtsbenige spelers zijn dan linksbenige.

5. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt de onderzoeksopzet en de praktische uitvoering beschreven. Onderzoek bestaat uit verschillende soorten en maten. De volgende vierdeling biedt een overzicht van soorten onderzoeken, die elk vanuit een ander perspectief worden opgezet. theoriegericht onderzoek, verklarend onderzoek, beschrijvend onderzoek, praktijkgericht onderzoek.
Ons onderzoek is een theoriegericht onderzoek. Omdat het onderzoek gericht is op het ontwikkelen, toetsen en/of toepassen van theorie, in de vorm van een of meer (met elkaar samenhangende) hypothesen. van kennis die nodig is voor het ontwerpen van oplossingen voor typen van praktijkproblemen. Theoriegericht onderzoek is niet gericht op ‘?n probleemsituatie. Het is gericht om een serie gelijksoortige probleemsituaties op te lossen. (Riet, Strijker, & Trooster, 2011)
5.1. METHODISCHE KARAKTERISERING VAN HET ONDERZOEK
Bij kwantitatief onderzoek is het gebruikelijk een onderscheid te maken tussen objecten (respondenten) en kenmerken (variabelen). En moet de analyse van de relaties tussen variabelen inzicht bieden in de eventuele samenhang. (Studion, 2015)
Type onderzoek: Kwalitatief onderzoek
Er is gekozen voor een kwantitatief onderzoek omdat het onderzoek gericht is op het vaststellen van verschillende aspecten (met behulp van een statistische toetsing), die een rol spelen bij het raken van het doelwit. Om de ‘waarheid’ van een hypothese na te gaan, wordt deze onderworpen aan toetsend onderzoek. Omdat de setting beperkt van omvang is, maken wij gebruik van een kwantitatief onderzoek op kleine schaal.
Wij hanteren volgend stappenplan om een overzicht te verkrijgen:
De respondenten worden samengesteld. De methode ‘steekproeftrekking; garandeert de representativiteit van de respondenten. De observaties worden verricht en de opgezette experimenten en testen worden uitgevoerd. Met behulp van statistische toetsing houden we de score bij. Vervolgens wordt de data verzameld. Wanneer de gegevens niet in ‘?n sessie verzameld kan worden dan is het van belang dat alle sessies op een vergelijkbare manier verlopen. De instructies voor de respondenten moeten gelijk zijn, omdat anders bias kan optreden door ongecontroleerde factoren die de antwoorden be??nvloeden. (Groot, 1994)
Onderzoeksperspectief
Om te bepalen of het scoringspercentage (het raken van het doelwit) van links, – en rechtsbenige E- en F- pupillen van elkaar verschillen, hebben wij een experiment uitgewerkt. De pupillen krijgen x aantal keer de mogelijkheid om het doelwit te raken van drie verschillende afstanden. Deze criteria komt overeen met het sportpsychologisch onderzoek.
Type onderzoeksvraag
De hypothese formuleert een samenhang tussen meerdere begrippen. Er is dus sprake van een causaal verband. De hypothese onderzoeken we aan de hand van een experimenteel onderzoek. (Een experiment waarin de onafhankelijke variabelen gecontroleerd kunnen worden en de afhankelijke variabelen betrouwbaar en valide gemeten worden). Bij het doen van experimenten is er sprake van een ‘effectmeting’ of ‘oorzaak-gevolgrelatie’. Je meet het effect van X op Y, dit is een causaal verband. (Verhoeven, 2011)
Modellen van verwachting

Er is geen significant verschil aan te tonen tussen links, – en rechtsbenige F- en E-pupillen (jongens en meisjes) wanneer zij de bal schieten op een doelwit van verschillende afstanden. Om de ‘waarheid’ van een hypothese na te gaan, wordt deze onderworpen aan toetsend onderzoek.
De controle variabalen binnen het onderzoek zijn vooraf vastgesteld. De storende variabelen die invloed kunnen hebben op ons onderzoek zijn, de weersomstandigheden, eventueel blessures en motivatiegebrek bij de deelnemers.
De afhankelijke variabele die gemeten word is het aantal punten wat een pupil bij elkaar schiet in drie pogingen. De onafhankelijke variabele die hier aan gekoppeld is zijn het aantal trainingsuren per pupil. De pupillen van de E hebben gemiddeld 4 jaar voetbaltraining. De F pupillen hebben gemiddeld 2 jaar voetbaltraining.
Het onderzoek is een experiment, omdat gelijksoortige groepen worden onderzocht. Binnen het onderzoek is er gekozen voor alleen een experimentele groep waarbij een nameting gehouden word. De samenstelling van de groep is tot stand gekomen via randomisatie(groepen zijn bewust samen gesteld). Met deze drie criteria kan er vastgesteld worden dat het een pre-experiment is.

5.2. POPULATIE/STEEKPROEF
Jongens Meisjes
Totaal 12 12
linksbenig 6 6
rechtsbenig 6 6
Leeftijd 6/7
F pupillen 3 linksbenig 3rechtsbenig 3 linksbenig 3rechtsbenig
Leeftijd 8/9
E pupillen 3 linksbenig 3rechtsbenig 3 linksbenig 3rechtsbenig
De populatie van het onderzoek zijn pupillen tussen de 6 en 10 jaar oud welke aangesloten zijn bij de KNVB. Om het onderzoek uit te voeren zijn 12 F pupillen en 12 E pupillen uitgenodigd van voetbalvereniging SV Aurora uit Werkhoven om mee te werken aan het onderzoek. In onderstaand figuur is de onderzoeksgroep specifiek uitgewerkt.

5.3. BESCHRIJVING EN VERANTWOORDING ONDERZOEKSINSTRUMENT
De meetmethode die gehanteerd word is observatiemethode. Tijdens het observeren worden de geschoten ballen van de deelnemers genoteerd. De pupil krijgt per afstand drie pogingen om zoveel mogelijk punten bij elkaar te schieten. Afstand ‘?n is 6 meter, afstand twee is 11 meter en de laatste afstand is 16 meter.
De periode waarin gemeten wordt is eenmalig. Er zullen voor of na het onderzoek geen specifieke trainingen plaatsvinden om ze voor te bereiden.
Betrouwbaarheid
De omgeving waar het onderzoek wordt gehouden is een vertrouwde en bekende plaats van de deelnemers. Het onderzoek is op het trainingsveld waar ze twee keer per week trainen en spelen. Voor de onderzoekers is het ook een vertrouwde omgeving beide hebben hier zelf ook getraind en gespeeld. Het humeur van de spelers en onderzoekers zal wanneer er geen onverwachte dingen gebeuren zijn zoals het hoort. Wanneer de gegevens niet in ‘?n sessie verzameld kan worden dan is het van belang dat alle sessies op een vergelijkbare manier verlopen. De instructies voor de respondenten moeten gelijk zijn, omdat anders bias kan optreden door ongecontroleerde factoren die de antwoorden be??nvloeden. (Groot, 1994)
Validiteit
Binnen de validiteit zijn drie punten die van belang zijn. De externe validiteit is niet te waarborgen de populatie bedraagt 20.000 spelers hiervan worden er 12 gebruikt om het onderzoek uit te voeren. De begripsvaliditeit wordt behaald omdat er gemeten word wat relevant is en wat er gemeten moet gaan worden om de onderzoeksvraag te beantwoorden. Door middel van de juiste metingen en uitslagen kan de interne validiteit behaald worden en de juiste conclusies getrokken worden.

Beschrijving van het onderzoeksinstrument
De afhankelijke variabelen zullen gemeten worden aan de hand van observatie wat al eerder ten sprake is gekomen. Na het observeren worden het aantal punten opgeteld per pupil. Wanneer alle pupillen geschoten hebben zal er per voorkeursbeen een optelling gemaakt worden om zo te komen tot een uitslag. Binnen de voorkeursbenen worden er nog splitsingen gemaakt tussen jongens/meisjes en E of F pupillen. Deze splitsing wordt gemaakt om de deelvragen te beantwoorden. In onderstaand figuur is een voorbeeld te zien van hoe de puntentelling te werk gaat.
Meetmethode
poging 1 poging 2 poging 3 poging 1 poging 2 poging 3 poging 1 poging 2 poging 3
Naam 6 meter 11 meter 16 meter
Voorbeeld 1 2 2 3 1 0 3 0 1
Voorbeeld 3 2 2 2 1 1 0 0 1

Resultatenverwerking Welke afstand + aantal punten
Naam Geslacht Team leeftijd Links/rechts 6 meter 11 meter 16 meter
Voorbeeld Jongen F2 6 Links 5 3 2
Voorbeeld Meisje E1 9 Rechts 8 6 4

6. BIBLIOGRAPHY
Atteveldt, J. v. (2012). Het brein in beweging, over de aansturing van de spieren. Opgeroepen op 12 6, 2012, van Natuurinformatie: http://www.natuurinformatie.nl/ndb.mcp/natuurdatabase.nl/i000257.html
Bouma, A. (2012). De ene hersenhelft is de andere niet. Opgeroepen op 12 6, 2012, van natuurinformatie: http://www.natuurinformatie.nl/get?site=ndb.mcp&view=natuurdatabase.nl&id=i001128&searchString=links&q=links
Darwin. (2012). De ene hersenhelft is de andere niet. Opgeroepen op 12 6, 2012, van natuurinformatie: http://www.natuurinformatie.nl/get?site=ndb.mcp&view=natuurdatabase.nl&id=i001128&searchString=links&q=links
Darwin. (2012). lateralisatie. Opgeroepen op 12 6, 2012, van natuurinformatie: http://www.natuurinformatie.nl/get?site=ndb.mcp&view=natuurdatabase.nl&id=i001128&searchString=links&q=links
Droge, P. (2011, 6 29). Faqt. Opgeroepen op 11 28, 2012, van Kun je linkshandig en ‘rechtsvoetig’ zijn?: http://www.faqt.nl/vraag-en-antwoord/kun-je-ook-rechtsvoetig-zijn/
Groot, A. d. (1994). Methodologie. Assen: Van Gorcum.
Gu??guen, N. (2011). Links perse niet onhandig. Opgeroepen op 3 8, 2015, van eoswetenschap: http://eoswetenschap.eu/artikel/links-niet-se-onhandig
Herten, M. H.-v. (2011, augustus 12). Een op de tien Nederlanders linkshandig. Opgeroepen op december 3, 2012, van Centraal Bureau voor de Statistiek: http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-welzijn/publicaties/artikelen/archief/2011/2011-linkshandigheid.htm
Kleijne, J. (2007). De waarde van de linkspoot. Opgeroepen op 03 07, 2013, van Loket 5: http://www.loket5.nl/__miracle/doc/linkspoten.pdf
Lanting, I. (2013). Linkse sporten. Opgeroepen op 3 8, 2015, van Nd: http://www.nd.nl/artikelen/2013/november/30/linkse-sporten
Lingen, B. v. (2012). Het jeugdleerproces. Amsterdam: van Dijk.
Riet, P. v., Strijker, I., & Trooster, W. (2011). Opzet en uitvoering van onderzoek. Zwolle: Hogeschool Windesheim.
Studion. (2015, 03 12). studion.fss.uu.nl/bouwstenenonline/2b1theoriegericht.doc. Opgehaald van studion.fss.uu.nl/bouwstenenonline/2b1theoriegericht.doc: https://www.google.nl/?gfe_rd=cr&ei=M_YAVYDAJsu6-Qa40oGoDw#q=Methodische+karakterisering+van+het+onderzoek+experiment
Verhoeven, N. (2011). Wat is onderzoek? Den Haag: Boom Lemma uitgevers.
Vingerhoets, G. (2013). Mensenkennis. Opgeroepen op 3 4, 2015, van Waarom linkshandige (nog) niet zijn uitgestorven: http://www.mensenkennis.be/algemene-psychologie/waarom-linkshandigen-nog-niet-zijn-uitgestorven/
Vries, J.-R. d. (2008, 10 20). Balancemind. Opgeroepen op 11 28, 2012, van Welke hersenhelft is dominanter, link of recht?: http://www.balancedmind.nl/braintraining/welke-hersenhelft-is-dominanter-links-of-rechts.htm

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.