Essay: Hoofdstuk 4: Hoe wordt radicalisering bestreden en vermeden vroeger, nu en in de toekomst? - Essay Marketplace

Essay: Hoofdstuk 4: Hoe wordt radicalisering bestreden en vermeden vroeger, nu en in de toekomst?

Terrorisme en radicalisering is een zeer actueel onderwerp en wordt nu volop bestreden door allerlei instituties. Er zijn enorm veel middelen bedacht in de bestrijding en verdere uitbreiding van radicalisering. Maar hoe zal de overheid kunnen vermijden dat er nog meer Moslims zullen radicaliseren? Hoe zit het met andere woorden met de preventieve maatregelen? De overheden zijn er heel snel mee om dingen te bedenken zoals speciale gevangenissen, uitsluitend bedoeld voor moslimradicalisten of om de identiteiten van terugkerende radicalisten in te trekken maar er wordt soms misschien te weinig aandacht geschonken aan de preventie van dit extreme gedrag in alle heisa die erbij komt kijken. Toch is de overheid er in geslaagd om, in bijvoorbeeld het onderwijs, verschillende preventieve maatregelen toe te passen. We stellen in ieder geval vast dat het heel lang geduurd heeft voor de overheid om te beseffen dat ons land niet alleen curatieve mogelijkheden nodig heeft maar ook preventieve en dat deze maatregelen hand in hand deze misdaden zouden kunnen stoppen. In dit hoofdstuk bespreken we de verschillende factoren die een rol spelen bij de vermijding en bestrijding van radicalisme. We bespreken de rol van de overheid, het onderwijs en de moslims zelf. Dit doen we vanuit verschillende invalshoeken en op verschillende niveaus.
1. De overheid
1.1. Wat deed de overheid vroeger ter bestrijding van radicalisering?
In 2002 ontwikkelde de overheid het Actieplan Moskee. Dit plan was echter nog uitsluitend gericht op moslimextremisme. In september 2005 voerde de Belgische regering een Actieplan Radicalisme het bevat verschillende vormen van radicalisme en voornamelijk repressieve maatregelen. Plan R focust op 7 mogelijke verspreiders van radicale boodschappen: ideologische propagandisten; culturele centra en vzw’s (o.a. moskee??n); propagandacentra (bijvoorbeeld boekhandels); websites en internet; radio- en Tv- programma’s; groeperingen; en gevangenissen. De zesde en laatste pijler is de recentste en is nog volop in ontwikkeling. Deze pijler is pas later bij het actieplan bijgevoegd omdat de regering merkte dat andere landen van Europa hier last mee kregen, het was een soort voorzorg die nu goed van pas komt. Dit plan richt zich ook op uitlatingen van provocerende taal, fundamentalistische idee??n, racistische, anarchistische en extremistische meningen. Het is een vernieuwde aanpak van radicalisme die bestaat uit het observeren van het uiten van een radicale mening, bekijken wat de perceptie is van die uiting, hierna het beoordelen of je tegen die uitlating kan en mag reageren en het bekijken welke invloed de uitspraak heeft op de bevolking. De overheid wilt dus een volledige aanpak van de beginvormen van een of andere expressie tot de extreme vormen van het radicalisme.
Minister Onkelinx van justitie en haar collega, minister van binnenlandse zaken, Dewael zagen dit plan helemaal zitten maar naar de precieze inhoud van het actieplan blijft het ook vandaag nog gissen: het is namelijk als vertrouwelijk geclassificeerd. Het plan is veeleer curatief en de overheid had het idee om het nog uitbreiden om zo ook op preventief niveau beter te kunnen optreden.
Ook al is dit plan jaren geleden al in werking getreden, toch blijft de overheid zweren bij de vertrouwelijkheid ervan om veiligheidsredenen. Als je een strategie ontwikkelt over groeperingen die de basis van onze rechtstaat willen omverwerpen, is het geen goed idee hen daarover in te lichten. Zij gaan hun stappenplan ook niet uit de doeken doen voor ons. Comit?? I zegt nochtans in haar recentste rapport dat het plan geheim is door de politieke gevoeligheid van het domein, het zou eigenlijk nog niet helemaal af zijn. Dit is misschien niet vreemd, het radicaliserings- en rekruteringsproces is nu eenmaal een kwestie die evolueert. Wat vandaag radicalisering niet be??nvloedt, kan dat morgen w??l doen. Het actieplan is dus eigenlijk nooit af en waarschijnlijk wordt het daarom niet gepubliceerd. De geheimhouding en vertrouwelijkheid heeft dus niet volledig te maken met het afschrikken van terroristen.
Het Actieplan Radicalisme is tot de dag van vandaag in werking, alleen zijn er enorm veel nieuwe maatregelen bijgekomen en dit zowel op curatief als op preventief niveau.
1.2. Wat doet de overheid nu tegen radicalisering?
1.2.1. Preventieve maatregelen
Ondanks het feit dat op vlak van veiligheid Belgi?? er sneller bij was dan de meeste andere Europese landen, duurde het langer voor er een preventief plan werd opgemaakt. Zoals gezegd: in 2002 een ‘Actieplan Moskee’ en later ‘Plan R(adicalisme)’. Deze waren beiden ingevoerd voor het beststrijden van moslimextremisme. De strijd tegen radicalisering werd ook opgenomen in het Nationaal Veiligheidsplan, maar het was pas na dat er Vlaamse Syri??strijders werden ontdekt er een preventief luik ontstond. In augustus 2012 kreeg het co??rdinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (het OCAD) de eerste berichten van Belgen die naar Syri?? waren getrokken. Het duurde echter tot maart 2013 voor er extra beleidsmaatregelen werden genomen onder invloed van de media. In april 2013 werd een nationale preventiestrategie goedgekeurd door de overheid.
Sinds de escalatie van het extremisme in 2014 naar aanleiding van de aanslag op het Joods Museum in Brussel op 24 Mei 2014 heeft de overheid al een aantal preventieve maatregelen ingevoerd. Zo hebben ze de veiligheidsdiensten de taak gegeven om preventief terroristische organisaties op te sporen en om aandachtig te zijn voor uiterlijke kenmerken van radicalisering. Ons land telt verschillende diensten en organisaties ter bescherming van de veiligheid.
Staatsveiligheid
De staatsveiligheid heeft ongeveer 650 personeelsleden, voornamelijk hoogopgeleide analisten. Het is de inlichtingendienst van ons land en wordt geleid door administrateur generaal Jaak Raes. De taak van de staatsveiligheid is om elke dag talloze mogelijk staatsgevaarlijke en extremistische groeperingen of figuren te volgen, verdachten te schaduwen, af te luisteren of organisaties te infiltreren.8
OCAD
Het OCAD, het orgaan voor de Co??rdinatie en de Analyse van de Dreiging, is de opvolger van de Antiterroristische Gemengde Groep (AGG). Het heeft ongeveer 70 medewerkers die als job hebben om de eventuele extremistische of terroristische dreiging tegen Belgi?? te evalueren. Ze maken gebruik van inlichtingen van de politie, staatsveiligheid en justitie. Op basis van deze evaluaties zal de overheid maatregelen nemen zoals extra bescherming voor mensen die gevaar lopen of het verhogen van het dreigingsniveau. Ze hebben dus een evaluerende taak ten aanzien van het overheidsbeleid maar ook een adviserende taak.
CGSU
CGCU is de afkorting van de Dienst van de Speciale Eenheden van de federale politie. Deze dienst is samengesteld uit een aantal centrale en decentrale eenheden. Deze eenheden voeren gespecialiseerde ondersteuningsopdrachten uit. In de instelling werken ongeveer 500 zwaar opgeleide politieagenten die worden opgeroepen in gevaarlijke situaties. Het gaat hier om scherpschutters, onderhandelaars, specialisten in het plaatsen van afluisterapparatuur en undercoveragenten.
Het federaal parket
Het federaal parket werd opgericht om effici??nter te kunnen optreden tegen misdrijven die de bevoegdheid van plaatselijke parketten overstijgen, zoals mensenhandel, terrorisme, georganiseerde misdaad en witwaspraktijken. Het federaal parket is ook bevoegd wanneer het gaat om ernstige inbreuken op het internationaal humanitair recht en voor de vervolging van Belgische militairen die in vredestijd misdrijven plegen in het buitenland. In het federaal parket werken ongeveer 24 magistraten, zij worden wanneer het om beveiliging bij moslimextremisme gaat toevertrouwd met de terroristische onderzoeken in Belgi?? en met internationale samenwerkingsverbanden. Aan het hoofd staat federaal provvreur Fr??d??ric Van Leeuw.
Anti-terrorismeafdeling
Dit is een onderdeel van de federale gerechtelijke politie ofwel de FGP. Het exacte aantal medewerkers wil de politie niet zeggen maar we weten wel dat hun taak erin bestaat om onderzoeken te voeren naar terroristische figuren of groeperingen in ons land. Het uiteindelijke doel is om deze groeperingen op te rollen of om aanlagen te voorkomen.
1.2.2. Curatieve maatregelen
Maar niet alleen op preventief vlak neemt de overheid maatregelen tegen radicalisering, sinds De federale regering heeft besloten om het dreigingsniveau in ons land te verhogen naar niveau 3 (van 4) zijn ze ook op de proppen gekomen met twaalf maatregelen in de strijd tegen radicalisme en terrorisme :

1. De lijst van terroristische misdrijven wordt uitgebreid.
2. Er zullen speciale opsporings- en informatietechnieken worden ingezet voor antiterreuracties. Dit betekent dat de strafbare feiten waarbij afluisterapparatuur gebruikt mag worden, worden uitgebreid.
3. Ook de mogelijkheid om iemands nationaliteit in te trekken, wordt uitgebreid.
4. Minister van Binnenlandse Zaken, Jan Jambon, kan een paspoort intrekken na advies van het federaal parket.
5. Het wordt mogelijk gemaakt om middelen van verdachten sneller te bevriezen.
6. De lijst van september 2014 met circulaire buitenlandse strijders zal herzien worden.
7. De uitwisseling van informatie tussen administratieve en uitvoerende diensten zal geoptimaliseerd worden.
8. Het Actieplan Radicalisering uit 2005 zal herzien worden.
9. Er komt een maatregel tegen radicalisering in de gevangenissen.
10. Er zal een Nationale Veiligheidsraad ge??nstalleerd worden. Bestaande uit de ministers van het kernkabinet, de Minister van Justitie en de minister van Defensie.
11. Het leger zal worden ingezet voor specifieke bewakingsopdrachten in bepaalde omstandigheden, bij een algemeen dreigingsniveau 3.
12. De bijzondere beschermingsopdracht van de Staatsveiligheid wordt overgedragen aan de Federale politie. Dit gaat om het vergaren van informatie en bijzondere beschermingsopdrachten. De beschermingsopdrachten worden overgedragen aan de Federale politie, waardoor mensen bij de Staatsveiligheid zich volledig kunnen inzetten voor de bestrijding van terrorisme.

We vonden in tijdschrift ‘Knack’ een opnieartikel van Bilal Benyaich, een Politicoloog verbonden aan de VUB en aan de beleidsdenktank Itinera Institute. Hij gaat het debat aan over de twaalf nieuwe maatregelen van de regering tegen extremisme en terrorisme. We hebben de belangrijkste punten van zijn mening op een rijtje gezet.

Volgens Benyaich zijn deze twaalf maatregelen voornamelijk curatief van aard. ‘Dat is logisch’ vindt hij, ‘zulke maatregelen zijn in de strijd tegen gewelddadig extremisme broodnodig. Maar ze moeten wel proportioneel en redelijk zijn. Alleen dan kan de regering een maximaal effect bereiken en zullen ze de basisbeginselen van onze rechtsstaat en democratie niet ondermijnen’
Benyaich vindt dat de grote afwezige nog steeds een preventief maatregelenplan is en zegt dat de extreem beknopte beschrijving van de maatregelen enorm opvalt. Dit betekend dat de uitwerking en uitvoering ervan nog heel wat denkwerk zal behoeven. Benyaich ziet heel wat goede maatregelen, maar ook wat vage en sommige zelfs bedenkelijke of onwenselijke maatregelen.

Positieve maatregelen
De tijdelijke intrekking van het paspoort of de identiteitskaart van iemand die naar het buitenland wilt vertrekken om deel te nemen aan een gewapende strijd, is een goede maatregel volgens Benyaich. ‘Beter voorkomen dan genezen’ zegt hij, ‘want wanneer de persoon in kwestie terugkomt kan hij een re??el risico vormen voor de openbare veiligheid en orde. Er moeten dan wel duidelijke aanwijzingen zijn dat de persoon op het punt staat om te vertrekken naar een oorlogsgebied.’ Benyaich vindt ook de herziening van het Plan Radicalisme uit 2005 een goede, redelijke en haalbare maatregel.
‘Het idee om meer aandacht te schenken voor radicalisering in gevangenissen, is ook zeer positief’ schrijft hij, ‘het zijn plaatsen waar radicaal gedachtegoed vrij snel verspreid kan worden.’ Het is op dit moment wel helemaal niet duidelijk hoe de regering dit gaat aanpakken. En Benyaich vraagt zich af of ze de voor terrorisme veroordeelde gevangenen gaan verspreiden over al de gevangenissen in ons land, of juist niet? En hoe zal de risico-inschatting gebeuren? Gaan ze verspreiden of juist concentreren?
Benyaich schrijft dat in Scandinavische landen en zelfs in Saoedi-Arabi?? of Pakistan ze vrij goede deradicalisatieprogramma’s hebben waar wij in Belgi?? een voorbeeld aan zouden kunnen nemen. Ze hebben volgens hem alleen kans op slagen als ze gebaseerd zijn op deze drie pijlers:
1 Religieuze omkadering: religieuzen met voldoende autoriteit moeten de gevangenen een
tegenverhaal aanbieden en dus de ideologie deconstrueren en bijsturen bij de gedetineerde.
2 Psychosociale begeleiding: door een team van psychotherapeuten, sociaal werkers en pedagogen.
3 Directe omgeving van de gedetineerde erbij betrekken: ouders, partner, broers of zussen, vrienden, …

Minder goede maatregelen
De lijst van maatregelen tegen radicalisme en terrorisme bevat volgens Benyaich echter ook maatregelen waar velen nog bedenkingen bij kunnen hebben. Hij denkt dan aan de strafbare feiten waarbij afluisterapparatuur gebruikt mag worden die worden uitgebreid, het gebruik van het leger voor bepaalde bewakingsopdrachten. Die regels kunnen volgens hem breken met onze open samenleving.
‘De overheid wil de veiligheid verzekeren, het ‘onveiligheidsgevoel’ wegnemen bij de burgers en de politie ontlasten door soldaten in te zetten voor bewakingsopdrachten op gevoelige locaties.’ Maar Benyaich twijfelt eraan of dit het onveiligheidsgevoel nu echt zou wegnemen.
‘De soldaten werden trouwens al ingezet tijdens dreigingsniveau drie’ schrijft hij, ‘wat doen we dan als het dreigingsniveau nog verhoogd wordt? Het enige wat je dan nog kan doen is een noodsituatie uitroepen en dat is geen vrije en open samenleving.’
‘Maatregelen die nog ongewenste maatschappelijke neveneffecten kunnen hebben, zijn de toevoeging van een nieuw terroristisch misdrijf in het strafwetboek en de toename van de mogelijkheden voor het intrekken van de nationaliteit’.
‘Het nieuw misdrijf zou zijn: ‘verplaatsing naar het buitenland voor terroristische doeleinden. Dit lijkt op het eerste gezicht een correcte en goede maatregel. Maar, wie gaat bepalen wat ‘terroristische doeleinden’ zijn, en hoe’? Dit is allemaal nog zeer onduidelijk vindt Benyaich.
De uitbreiding van de mogelijkheden voor het intrekken van de nationaliteit is ook een maatregel die volgens Benyaich niet door de discriminatiebeugel kan. ‘Feitelijk wil dit zeggen dat een Syri??strijder die veroordeeld wordt voor een misdaad tegen de menselijkheid of een oorlogsmisdaad, de nationaliteit kan worden afgenomen.
Dit betekent dus dat Mohamed, geboren is als Belg maar door zijn familieafkomst een dubbele nationaliteit heeft, een zwaardere straf krijgt dan Piet, geboren is als Belg met autochtone grootouders.’ En hij ziet nog een probleem: ‘Er zijn tientallen bekeerlingen onder de Syri??strijders maar Piet kan niet staatloos gemaakt worden terwijl Mohamed zijn Belgische nationaliteit, de nationaliteit van zijn geboorteland, verliezen’
Een ongelijke straf voor hetzelfde misdrijf is volgens Benyaich niet-proportioneel, onredelijk en discriminerend.

1.3. Wat moet er nog gebeuren?
1.3.1 Preventieve maatregelen
Tot op vandaag zijn we er in Belgi?? in geslaagd om een redelijk goede informatiepositie te hebben in de moslimgemeenschap, maar we zullen daar niet altijd blijven in slagen. In Belgi?? is er namelijk een grote groep allochtonen die de islam volgt. Binnen die gemeenschap is er een kleinere groep die het islamfundamentalisme zal gaan volgen. Deze evolutie moet de overheid scherp in de gaten houden.
Wanneer de overheid zich richt op conservatieve of radicale islamitische groepen, dan is het bijna nooit om hun advies, hun mening of hun oplossing te horen, maar meestal om hen als tegenstander te zien. De conservatieve islamitische stromingen worden dus verkeerd benaderd. Alleen zogenaamde progressievelingen binnen de islam kunnen hun zegje doen. De overheid kiest nu een bepaalde stem en sluit de andere helemaal uit. Ze zouden moeten beseffen dat de stroming nu eenmaal een realiteit is. Of de Belgische regering het nu wilt of niet, er zijn nu eenmaal verschillende belangrijke stromingen binnen moslimgemeenschappen vandaag. Als de overheid iedereen evenveel ruimte zou geven, zullen moslimjongeren zich minder in een hoekje gedrukt voelen. Dan is het minder alsof de overheid zegt wie goed is en wie slecht. En zo zouden ze de communicatie kunnen verbeteren.
1.4.2 Preventieve maatregelen
Volgens Bilal Benyaich, de auteur van een opnieartikel in het tijdschrift ‘Knack’ zijn er 3 maatregelen die nog ontbreken
‘ Ten eerste: De financiering van Belgische (Europese) jihadisten in kaart brengen en stoppen.
‘ Ten tweede: Ondersteuning bieden aan islamitische instanties die een tegenverhaal aanbieden en zich ook toeleggen op de verspreiding van hun verhaal op het internet. Met misschien zelfs een rol voor ex-Syri??strijders die tot inkeer zijn gekomen en in ruil voor strafvermindering voordrachten geven aan jongeren om de jihadromantiek op te heffen.
‘ En ten slotte: Een duidelijk standpunt over hoe ons buitenlands- en defensiebeleid een rol kan spelen in het minimaliseren van de spanningen met de moslimwereld en het maximaliseren van onze nationale veiligheid.
‘Realisme in ons buitenlands en veiligheidsbeleid’ schrijft hij, ‘het is nog niet te laat. Ons buitenlandse en veiligheidsbeleid betreft, heeft meer dan ooit nood aan realisme en daar is het nooit te laat voor.’ Benyaich schrijft dat vroeg of laat een grondoffensief nodig zal zijn om IS op het terrein te ontwortelen. Platbombarderen is dan natuurlijk geen leefbare optie maar de Arabische landen moeten dan op het terrein een leidende rol gaan spelen tijdens zo’n grondoffensief. En dan is het volgens Benyaich aan ons, de Europese landen en de Verenigde Staten, om ‘indirecte’ militaire steun te geven. Zo brengen we de nationale veiligheid niet nog meer in gevaar. ‘Het is een visie die Belgi?? binnen de NAVO kan bepleiten.’ Zegt hij. ‘Er moet voldoende aandacht gegeven worden aan de randvoorwaarden voor een mogelijk grondoffensief, naar een sterkere nadruk op conflictoplossing in het Europese Nabuurschapsbeleid en naar de communicatie met de soennieten (We zijn niet in oorlog met de islam, of met soennieten, maar met het gewelddadige jihadisme)’ Volgens Benyaich moet Belgi?? deze prioriteiten mee op de Europese en internationale agenda plaatsen.

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.