Hoofdstuk 1. Hoe werkt het hart? - Essay Marketplace

Hoofdstuk 1. Hoe werkt het hart?

Het hart is een holle spier die zich achter de ribben, een klein beetje links van het midden, in de borstkas bevindt. Het hart heeft een stompe punt, apex genoemd, die een beetje naar links is gedraaid. De onderkant van het hart ligt op het middenrif (diafragma). Het hart ligt in het mediastinum, de centrale ruimte van de borstkas. Als regel kan worden aangenomen dat de hartspier ongeveer even groot is als een gebalde vuist. Hiermee wordt ook meteen duidelijk waarom het hart van baby’s kleiner is als het hart van een volwassenen, baby’s hebben namelijk een kleinere vuist. http://cardioconsultancy.nl/hoe-werkt-het-hart/

1.1 Onderdelen van het hart

Het hart bestaat uit een aantal onderdelen: twee boezems, twee kamers, vier hartkleppen en een aantal aders (venen) en slagaders (arteriën). De boezems en kamers, respectievelijk atria (meervoud van atrium) en ventrikels genoemd, hebben beide een linker- en een rechterkant. Deze linker en rechterkant van het hart worden gescheiden door een tussenschot, het septum cordis. De vier kleppen kunnen ook in twee verschillende groepen worden verdeeld; de atrioventriculaire kleppen (AV-kleppen) en de slagaderkleppen. Onder de atrioventriculaire kleppen vallen de mitralisklep en de tricuspidalisklep, onder de slagaderkleppen vallen de aortaklep en de pulmonalisklep (de longslagaderklep). https://www.olvg.nl/afdelingen/hartcentrum/hoe_werkt_het_hart

De AV-kleppen zijn kleppen die tussen een atrium en een ventrikel zitten. De mitralisklep is de klep tussen het linkeratrium en de linkerventrikel. De tricuspidalisklep is de klep tussen het rechteratrium en de rechterventrikel. De AV-kleppen lijken qua uiterlijk een beetje op een parachute. De kleppen zijn niet veel meer als wat slappe weefselplooien. Deze plooien zitten met dunne draadjes, chordae genoemd, vast aan de hartspier.

De mitralisklep bestaat uit twee delen die met chordae vastzitten aan de papillaire spieren. Dit zijn twee uitsteeksels van de hartspier, in de vorm van een tand. De mitralisklep heeft zijn naam gekregen door zijn vorm, de klep lijk namelijk een beetje op een mijter. Het Latijnse woord voor ‘mijter’ is ‘mitra’.

De tricuspidalisklep bestaat uit drie delen. Deze drie delen van de klep worden door verschillende chordae aan uitsteeksels van de hartspier vastgemaakt. De naam van de klep kan ook makkelijk verklaard worden. Het Latijnse woord voor ‘drie klepdelen’ is ‘tri-cuspides’.

http://www.hartwijzer.nl/Hartkleppen.php

De slagaderkleppen zijn misschien beter bekend als halvemaanvormige kleppen. Dit zijn kleppen op de plaatsen waar het bloed de ventrikels verlaat. De pulmonalisklep zit tussen de rechterventrikel en de longslagader, het Latijnse woord voor ‘long’ is ‘pulmo’. De aortaklep zit tussen de linkerventrikel en de aorta. Beide kleppen bestaan uit drie slippen, cuspes genoemd. Iedere cuspes heeft de vorm van een halve maan, vandaar de naam ‘halvemaanvormige kleppen’.

http://www.hartwijzer.nl/Hartkleppen.php

Hoewel de pulmonalisklep en de aortaklep er hetzelfde uitzien, is de aortaklep beter zichtbaar op een echo. De aortaklep lijkt namelijk, als de klep gesloten is, een beetje op het logo van ‘Mercedes’. http://www.hartwijzer.nl/Hartkleppen.php

Over het hart heen lopen een aantal venen en arteriën: de kransslagaders, de kransaders, de onderste en de bovenste holle ader, de longslagaders en de longaders

De kransslagaders, ook wel coronaire arteriën genoemd, zijn aftakkingen van de aorta. Deze aftakkingen zorgen ervoor dat er genoeg voedingsstoffen en zuurstof naar het hart zelf wordt vervoerd. In eerste instantie zijn er twee aftakkingen, de Linker Coronaire Arterie (LCA) ende Rechter Coronaire Arterie (RCA), maar de LCA splitst zichzelf al snel in nog eens twee delen, de linker afdalende tak (LAD) en de gebogen linker kransslagader (Cx). De LAD loopt aan de voorkant van het hart en het bloed stroomt hierdoor naar beneden. De Cx loopt om het hart heen en komt uiteindelijk aan de achterzijde van het hart.

http://www.hartwijzer.nl/Kransslagaders.php

De kransaders, vena coronaria, zorgen ervoor dat de afvalstoffen uit het hart worden afgevoerd. De venen komen samen in één hoofdtak, de kranssinus genoemd. Deze kranssinus loopt tussen het linkervertrikel en het linkeratrium, en loopt zo door naar het rechteratrium. Via het rechteratrium wordt het bloed weer verder vervoerd.

http://www.hartwijzer.nl/Kransslagaders.php

De onderste holle ader, de vena cava inferior, en de bovenste holle ader, de vena cava superior, zijn aders waardoor het bloed het hart weer binnenstroomt. Dit zijn tevens de grootste venen van het lichaam. Bloed dat via de vena cava inferior terug het hart instroomt, is bloed wat vanuit het onderste deel van het lichaam komt. Bloed dat via de vena cava superior het hart instroomt, komt vanuit het bovenste deel van het lichaam. Beide venen monden uit in de rechterventrikel.

http://www.gezondheidsplein.nl/menselijk-lichaam/hart-en-bloedsomloop/item45075

Longslagaders

Longaders

(BOEKEN)

Dat het hart een holle spier is, is al duidelijk. De wand van deze spier bestaat uit drie verschillende lagen. De binnenste laag wordt het ‘endocard’ genoemd. Het endocard is een laag dekweefsel, wat uit lagen cellen bestaat. De cellen in het endocard liggen netjes naast elkaar en tussen de cellen is nauwelijks tussenstof te vinden. De middelste laag is het myocard. Deze laag is de dikste laag en bestaat uit spierweefsel. De laatste en buitenste laag van de spier is het epicard. Deze laag is vrij dun en is gemaakt van bindweefsel.

Om het hart heen bevindt zich nog een laag: het hartzakje, ook wel pericard genoemd. Het pericard bestaat uit bindweefsel wat niet elastisch is. Tussen het pericard en het epicard zit een heel klein beetje vocht. Dit kleine beetje vocht zorgt ervoor dat het pericard en het epicard zonder wrijving langs elkaar kunnen bewegen wanneer het hart samentrekt.

1.2 De werking van het hart

Het hart zorgt ervoor dat het bloed door het hele lichaam wordt gepompt. Als het hart in rust is, dat is wanneer er geen inspanningen worden geleverd, trekt het hart ongeveer zeventig keer per minuut samen. Er wordt ook wel gezegd dat het hart zeventig keer slaag per minuut. Dit aantal kan per persoon een beetje afwijken. Het hart is onder te verdelen in twee pompen, de linkerkant is een pomp en de rechterkant is een pomp. Iedere pomp heeft een eigen bloedsomloop, de grote bloedsomloop en de kleine bloedsomloop.

Bij de kleine bloedsomloop komt zuurstofarm bloed via de holle aders in het rechteratrium. In dit zuurstofarme bloed zit wel ontzettend veel koolzuurgas. Vanuit het rechteratrium wordt het bloed door de rechterventrikel gepompt en stroomt het door naar de longslagaders. Het zuurstofarme bloed komt in de longen terecht, waar het koolzuurgas wordt afgegeven aan de longen, zodat dit uitgeademd kan worden, en het bloed neemt opnieuw zuurstof op, waardoor het bloed zuurstofrijk wordt. Dit bloed stroomt vanuit de longen via de longaders naar het linkeratrium.

De grote bloedsomloop begint zodra het zuurstofrijke bloed het linkeratrium instroomt. Hiervandaan gaat het bloed door naar de linkerventrikel naar de aorta. De aorta zorgt er vervolgens voor dat het bloed door heel het lichaam wordt verspreidt. Als het bloed door heel het lichaam is gegaan, komt het weer terug in het rechteratrium, waar het weer aan de kleine bloedsomloop kan beginnen.

Hoewel de linkerkant van het hart zorgt voor de toevoer van bloed naar het grootste gedeelte van het lichaam, is het niet zo dat de linkerkant van het hart ook meer bloed pompt. Beide helften pompen namelijk per samentrekking evenveel bloed.

Het slagvolume, de hoeveel bloed die één kamer per slag pompt, ligt tussen de vijftig en zeventig milliliter. Per minuut wordt er gemiddeld vier liter door het hart gepompt. Deze vier liter wordt ook wel het hartminuutvolume (HMV) genoemd. Als een persoon zich inspant, gaat het hart sneller werken. Het hart trekt dan krachtiger samen en er kan meer bloed door de ventrikels stromen. Door inspanningen kan het slagvolume meer dan het dubbele van een hart in rust worden. De hoeveelheid bloed per slag kan oplopen tot zo’n honderdveertig milliliter per slag, vijfentwintig liter per minuut.

Iedere hartslag wordt onderverdeeld in twee fasen; de contractiefase (systole) en de ontspanningsfase (diastole). Als er over systole en diastole wordt gepraat, worden meestal de fases van de ventrikels bedoeld. Echter hebben niet alleen de ventrikels systole en diastole, maar de atria hebben dit ook.

Tijdens de systole trekken de ventrikels op het zelfde moment samen. Bij het samentrekken wordt het bloed vanuit de ventrikels naar de bijbehorende slagaders gepompt. Vanuit de linkerventrikel is dit dus naar de aorta, vanuit de rechterventrikel naar de longslagader. Als de ventrikels zich samentrekken zijn de atria ontspannen. Omdat de atria ontspannen zijn, kunnen deze makkelijk gevuld worden met bloed. Bloed uit de longaders vult het linkeratrium, bloed uit de holle aders vult het rechteratrium. Als de ventrikels zijn samengetrokken zijn de pulmonalisklep en de aortaklep geopend. De mitralisklep en tricuspidalisklep zijn gesloten om te voorkomen dat bloed vanuit de atria naar de ventrikels stroomt.

Tijdens de diastole zijn de ventrikels ontspannen. Hierdoor kunnen de ventrikels weer met bloed worden gevuld. Het bloed waarmee de ventrikels worden gevuld is afkomstig uit de atria. Om dit bloed door te kunnen laten stromen moeten de mitralisklep en de tricuspidalisklep geopend zijn. De pulmonalisklep en de aortaklep zijn wel gesloten, om zo te voorkomen dat het bloed vanuit de slagaders terug nar de ventrikels stroomt.

Systole kamer

Diastole boezem

Aortaklep Open

Pulmonalisklep Open

Mitralisklep Gesloten

Tricuspidalisklep Gesloten

Diastole kamer

Systole boezem

Aortaklep Gesloten

Pulmonalisklep Gesloten

Mitralisklep Open

Tricuspidalisklep Open

De wanden van de ventrikels en atria verschillen van dikte. De wanden van de atria zijn vrij dun en bevatten weinig spierweefsel. Dit komt omdat de atria alleen het bloed wat door het hart stroomt alleen meer door hoeven te pompen naar de ventrikels. De wanden van de ventrikels zijn daarentegen veel dikker. De ventrikels pompen het bloed door heel het lichaam en hebben daarvoor veel spierkracht nodig. Deze behoefte aan spierkracht leidt tot een hartwand die bestaat uit dik spierweefsel. Daarnaast is er ook nog een verschil in dikte tussen de linkerventrikel en de rechterventrikel. Aangezien de linkerventrikel het bloed door het hele lichaam pompt, en de rechterventrikel alleen naar de longen, heeft de linkerventrikel meer spierkracht nodig, wat een dikkere spierwand oplevert.

Om er voor te zorgen dat de systole en diastole ritmisch verlopen, heeft het hart een bepaald weefsel wat er zelf prikkels kan maken. Deze prikkels worden naar alle delen van het hart vervoerd. Het weefsel wat de prikkel maakt en verstuurt heet het nodale weefsel en bevindt zich in de sinusknoop (ook wel SA-knoop of sinu-atriale knoop genoemd). De sinusknoop ligt in de wand van het rechteratrium, op de plek waar de vena cava inferior en de vena cava superior bij het hart komen. Omdat de sinusknoop de hartslagfrequentie regels, wordt deze frequentie ook vaak de sinusfrequentie genoemd. Naast de sinusknoop bevindt zich in het hart nog een ander stukje van het nodale weefsel. Dit tweede stukje weefsel ligt in het atriumseptum, het tussenschot tussen de twee atria, en wordt de atrioventriculaire knoop (AV-knoop) genoemd. Nadat de SA-knoop een prikkel heeft verstuurt trekken de atria samen en gaat er een prikkel naar de AV-knoop Na de AV-knoop bevindt zich de bundel van His, het geleidingssysteem van de prikkels. De bundel van His bestaat uit twee takken. Beide takken lopen over het ventrikelseptum naar de apex van het hart. In de apex veranderen de takken in de vezels van Purkinje. De vezels van Purkinje zorgen er uiteindelijk voor dat de spiercellen van de ventrikels zich samentrekken. De bundel van His vervoert de prikkel een klein beetje langzamer als de rest van het geleidingssysteem, waardoor de ventrikels een fractie van een seconde later samentrekken dan de atria. Op deze manier wordt er voorkomen dat de atria en ventrikels op hetzelfde moment samentrekken.

Hoofdstuk 2.Welke verschillende aangeboren hartafwijkingen zijn er?

Een hartafwijking is een foutje aan het hart, waardoor het hart niet meer naar behoren kan functioneren of niet meer de normale vorm heeft. Bij een aangeboren hartafwijking ontstaat dit foutje al tijdens de zwangerschap. Ieder jaar heeft 1% van de geboren baby’s een aangeboren hartafwijking. Dit zijn ieder jaar ongeveer 1300 tot 1400 baby’s. 85% van de deze baby’s wordt uiteindelijk volwassen.

Er zijn drie soorten hartafwijkingen: afwijkingen in de bouw, afwijkingen is het hartritme en er zijn zieke hartspiercellen. De meeste aangeboren hartafwijkingen hebben te maken met de bouw van het hart. Onder de bouwfouten vallen de volgende afwijkingen:

Aortaklepinsufficientie.

Atriumseptumdefect (ASD), ventrikelseptumdefect (VSD) en atrioventriculair septumdefect (AVSD).

Hypoplastisch linkerhartsyndroom.

Open ductus Botalli (OBS).

Morbus Ebstein.

Tetralogie van Fallot.

Transpositie van de grote vaten.

Coarctatio aortae.

Aortaklepstenose en pulmonalisklepstenose.

Door een afwijking in het hartritme kunnen een aantal hartritmestoornissen ontstaan. Hieronder vallen:

Het lange QT-tijdsyndroom.

Het Wolff-Parkinson-White-syndroom.

Een afwijking in de hartspiercellen leidt tot cardiomyopathie. Dit kan erfelijk zijn, maar dit hoeft niet zo te zijn.

http://zoeken.bibliotheekzeeuwsvlaanderen.nl/detail/Cardiologie/Boek/?itemid=|universal/sru|http://data.bibliotheek.nl/ggc/ppn/301200890

blz 391 – 421

2.1 Aangeboren hartafwijkingen door een bouwfout

2.1.1 Aortaklepinsufficiëntie

Aortaklepinsufficiëntie is een afwijking aan de aortaklep. Deze hartafwijking kan aangeboren zijn, maar vaak is dit niet het geval. Bij kinderen ontstaan de insufficiënte vaak na een operatie aan het hart. Soms kan de insufficiëntie ook ontstaan door ouderdom of een ontsteking. Als iemand last heeft van een aortaklepinsufficiëntie betekent dit dat de aortaklep niet goed sluit. Doordat de klep niet goed kan sluiten, lekt de klep en stroomt een deel van het bloed terug naar de linkerventrikel. Omdat er iedere keer bloed terugstroomt naar de linkerventrikel wordt deze veel meer belast. Dit komt omdat er iedere keer precies genoeg bloed naar de linkerventrikel wordt gepompt, maar hier ook nog het bloed aan wordt toegevoegd wat terugstroomt uit de aorta. Hierdoor zit er als het ware meer bloed in de linkerventrikel dan dat deze zou moeten bevatten. Vanwege de te grote belasting zet de linkerventrikel uit. Dit uitzetten kan weer leiden tot verdere hartfalen of een mitralisklepinsufficiëntie, waardoor ook de mitralisklep begint te lekken. Soms komt het voor bij een aortaklepinsufficiëntie dat de hartspier dikker wordt, waardoor de pompkracht afneemt. https://www.hartstichting.nl/hartziekten/aangeboren-hartafwijkingen/aortaklepinsufficientie

Aortaklepinsufficiënte kan worden opgelost door middel van een operatie, maar dit hoeft niet altijd gedaan te worden. Soms is de lekkage zo klein, dat een operatie alleen maar meer nadelige gevolgen heeft dan zou moeten. Om deze reden wordt er alleen bij een drietal situaties geopereerd. Deze situaties doen zich voor als de overbelasting van de linkerventrikel te groot wordt en deze de hoeveelheid bloed niet meer aan kan, als de linkerventrikel te snel uitzet en daarmee dus te snel te groot wordt en wanneer het inspanningsvermogen van een patiënt snel achteruit gaat.

Tijdens de operatie om de klep te herstellen, moet meestal de aortaklep helemaal vervangen worden. Het vervangen van de klep kan op drie manieren gebeuren. Er kan gebruik gemaakt worden van een donorklep, een kunstklep of de pulmonalisklep. Als de pulmonalisklep gebruikt wordt, moet er op de oorspronkelijke plaats van de pulmonalisklep alsnog een nieuwe klep worden geplaatst. Wanneer de lekkende klep is vervangen, blijft er altijd een kans bestaan dat de klep opnieuw gaat lekken en dat er weer geopereerd moet worden. Deze tweede operatie is vaak minder zwaar voor de patiënt dan de eerste.

Mitralisklepinsufficiëntie kan op dezelfde manier worden opgelost als aortaklepinsufficiëntie.

http://www.hartcentrum.nl/hartklepafwijkingen/mitralisklep-insufficientie

http://www.erasmusmc.nl/5157598/5157911/5157919/AOI

2.1.2 Atriumseptumdefect (ASD), ventrikelseptumdefect (VSD) en atrioventriculair septumdefect (AVSD)

Atriumseptumdefect en Ventrikelseptumdefect betekenen simpelweg dat het septum tussen de atria of ventrikels niet meer werkt zoals het zou moeten werken. Dit komt eigenlijk altijd omdat er een gaatje in het septum zit.

Iedereen wordt geboren met een gaatje in het septum tussen de twee atria. Dit gaatje, open foramen ovale genoemd, heeft er altijd al gezeten. Voor dit gaatje zit wel een klepje, maar tijdens de zwangerschap staat dit klepje open omdat de bloeddruk aan beide kanten van het hart even groot is. Na de geboorte verandert de bloeddruk. De linkerkant van het hart krijgt een hogere bloeddruk, waardoor uiteindelijk de klep gesloten wordt. Door het sluiten van de klep kan het bloed niet meer vanuit het linkeratrium terugstromen naar het rechteratrium. Als de klep gesloten is groeit deze dicht, waardoor er geen problemen meer kunnen ontstaan. Jammer genoeg sluit niet bij iedereen de klep goed. Bij sommige zwangerschappen ontwikkelt het hartje van de foetus niet helemaal goed. Bij ASD betekent dit dat het klepje voor het gaatje niet helemaal goed ontwikkelt is of soms helemaal niet gemaakt is. Als het klepje niet goed ontwikkelt is, is deze te klein voor het bestaande gaatje of is het klepje geperforeerd waardoor het gaatje niet goed wordt afgesloten en bloed nog steeds door het gaatje kan stromen.

Een atriumseptumdefect komt in verschillende vormen voor. ASD type twee is de meestvoorkomende vorm. Deze vorm komt vooral voor bij volwassenen. Dit komt omdat ASD vaak niet ontdekt wordt bij kinderen doordat er in veel gevallen geen klachten of symptomen zijn.

2.1.3 Hypoplastisch linkerhartsyndroom

2.1.4 Open Ductus Botalli

Tijdens de zwangerschap heeft iedere foetus een opening tussen de aorta en de longslagader. Deze opening, ductus arteriosus of ductus Botalli genoemd, zorgt ervoor dat een foetus voedingstoffen op kan nemen en zuurstof binnenkrijgt. Bij een foetus werken de longen namelijk nog niet, waardoor een andere manier gevonden moet worden om zuurstof binnen te krijgen. Na de geboorte is het echter wel noodzakelijk dat de ductus Botalli sluit. In de meeste gevallen is de opening na twee weken dichtgegroeid. In sommige gevallen gebeurt dit niet, dan is er sprake van een open ductus Botalli (ODB). Dit is meestal bij baby’s die te vroeg zijn geboren. Als de ductus niet goed sluit kan het zuurstofrijke bloed terugstromen naar de longslagader. Hierdoor moet het hart harder gaan pompen.

Bij ongeveer 80 procent van de baby’s met ODB kan de opening worden gedicht door middel van medicijnen. Meestal is dit een variant van aspirine. Als de ODB niet vanzelf sluit kan deze worden gesloten via een operatie. De operatie wordt zo lang mogelijk uitgesteld en gebeurt dan vaak pas als het kind al bijna een jaar oud is. Tijdens de operatie wordt er via een katheter een parapluutje ingebracht. Dit parapluutje gaat over de ductus en sluit de ductus af. Kinderen met een ODB hebben een verhoogde kans op bacteriële endocartitis, een ontsteking van de binnenwand van de hart. Ook als de ODB is opgelost, blijft deze kans bestaan. Vaak wordt er nog een antibioticum gegeven, maar als deze kuur voorbij is, is het kind genezen

https://www.mchaaglanden.nl/stimulansz/ziekten-a-z/open-ductus-botalli

BOEK

2.1.5 Morbus Ebstein

2.1.6 Tetralogie van Fallot

2.1.7 Transpositie van de grote vaten

2.1.8 Coarctatio aortae

2.1.9 Aortaklepstenose en Pulmonalisklepstenose

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.