HOOFDVRAAG - Essay Marketplace

HOOFDVRAAG

Hoe presenteert het Archeon zijn geschiedenis aan het publiek?

DEELVRAGEN

Hoe wordt de prehistorie gepresenteerd in het Archeon?

Hoe wordt de Romeinse tijd gepresenteerd in het Archeon?

Hoe worden de vroege middeleeuwen gepresenteerd in het Archeon?

Zijn er musea in Europa die vergelijkbaar zijn met het Archeon?

Wat is de aanleiding geweest voor de oprichting van het Archeon?

TITELS DEZE KLEUR (1e van onder rood) (donkerbessenrood 3)

TEKST GEWOON ZWART (zwart)

BEGRIPPEN DEZE KLEUR (3e van onder van groen) (donkergroen 1)

Inleiding

We hebben van het Archeon een lesmethode toegestuurd gekregen, die aansluit op alles wat er in het Archeon te zien is. Verder staat er nog achtergrond informatie in die we goed kunnen gebruiken. We gaan in de onderstaande deelvragen de stukken tekst van de lesmethode samenvatten, zodat u een idee krijgt van de indeling van het Archeon.

In het Archeon is een verleden herbouwd op basis van opgravingen in en rond Nederland. We gaan op reis door het ‘verdwenen’ verleden. We komen langs de Midden-Steentijd van de jagers en verzamelaars, langs een nederzetting van de eerste boeren in Nederland, een boerderij uit de Brons- en IJzertijd, een Romeinse stad en een Middeleeuwse stad.

De huizen in het Archeon worden bewoond door ‘Archeotolken’. Hierdoor kunnen de tijdreizigers zien hoe men vroeger leefde, woonde en werkte.

DEELVRAAG 1

Wat is de prehistorie en hoe wordt het gepresenteerd in het Archeon?

DE VOORGESCHIEDENIS

De prehistorie is in tijdvakken opgedeeld. Vaak worden deze tijdvakken naar hun Griekse benaming genoemd, namelijk het Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum. Paleios betekend oud, Mesos betekend midden en Neos betekend nieuw. Het woord lithos betekend steen.

In het archeon zijn huizen uit verschillende periodes uit de Prehistorie gereconstrueerd:

Het mesolithicum: +/- 5500 v.Chr.

Neolithicum: +/- 5300-4900 v.Chr.

De Lineaire Bandkeramiek +/- 3200-2700 v.Chr.

De Trechterbeker Cultuur +/- 2200-800 v.Chr.

Bronstijd +/- 700-55 v.Chr.

Bron: De prehistorie in het Archeon.

Omdat er geen primaire geschreven bronnen uit deze tijd zijn en bezittingen als kleding meestal al lang zijn vergaan kunnen geschiedkundigen en archeologen naar vergelijkbare stammen kijken om aan informatie te komen over de leefwijze en kleding van deze mensen. De San, een stam in zuid Afrika leefde namelijk (tot voorkort) nog steeds op een Mesolithische wijze, net zoals een aantal nomadische stammen in Siberië.

HET PALEOLITHICUM

De eerste wezens die op mensen begonnen te lijken waren de Australopithecinen. Zij verschenen ongeveer vier miljoen jaar geleden. Het geslacht Homo verscheen rond de twee miljoen jaar geleden, in Oost Afrika. Uit deze tijd zijn ook de eerste stenen hulpmiddelen gevonden. Wij zijn Homo Sapiens Sapiens (kort Homo Sapiens), mensen dus. De Homo Sapiens zijn waarschijnlijk 100.000 jaar geleden in Afrika ontstaan. In Europa woonde op dat moment de Neanderthaler, de Homo Sapiens Neanderthalensis. De Neanderthaler verdween ongeveer 40.000 jaar geleden, waarschijnlijk heeft dit iets te maken met de komt van de ‘moderne’ mens. De Homo Sapiens leefden als jagers en verzamelaars. Verspreid over heel Europa jaagden ze op groot wild of plukten planten.

De laatste fase van het Paleolithicum, Magdalénien, begint ongeveer 17.000 jaar geleden. Er is niet veel afval gevonden van de mensen die hier leefden, dat komt omdat de mensen leefden in tenten van huiden die ze meenamen als ze verder trokken. Je ziet hooguit een kring van stenen die een kamp aangeven of restjes vuursteen, gebruikt om wapens en gereedschap te maken. Op plekken met veel afval word aangenomen dat dit een basiskamp was, dat er van hier uit expedities ondernomen werden.

HET MESOLITIHICUM

Ongeveer 10.000 voor Christus was er een grote klimaatverandering. Dit heeft grote invloed gehad op de omgeving. De toendra’s werden bossen met berken en dennen. Dieren zoals rendieren zijn met de kou noordwaarts getrokken. Een paar stammen zullen mee zijn gegaan, anderen bleven en pasten zich aan aan de Mesolitische leefwijze. Dankzij de veranderingen kwamen er ook nieuwe diersoorten, zoals de oerrund, het edelhert, de eland, bruine beer, ree en wild zwijn. In en om het water leefden bevers en watervogels. Vissen zoals de Paling, Steur, Zeeforel en Zalm zijn een erg belangrijke voedingsbron voor de mens. Vissen werd gedaan met een speer. De punt is van been, gekarteld en ongeveer twintig centimeter lang. Er is ook een visfuik gevonden die komt uit ongeveer 3500 v.Chr. Het is niet zeker of mensen voor deze tijd ook al visfuiken gebruikten. Vishaakjes weden ook gebruikt. Natuurlijk waren ze nog niet van ijzer, maar van bot, vuursteen of gewei. Van vuursteen werden nog veel meer dingen gemaakt. Het vuursteen, oorspronkelijk uit Scandinavië, is hier zo’n 140.000 jaar heengekomen dankzij gletsjers.

Jacht

Voor de jacht word er gebruikt gemaakt van vuurstenen pijlpunten. Om messen te maken zetten ze een scherp stuk vuursteen vast in bijvoorbeeld een stevige tak of een stuk gewei. (Zie foto)

Als er eenmaal een dier geschoten was, gebruikten de jagers echt alles van het beest. Bijvoorbeeld een hert: het gewei gebruikten ze voor gereedschap, het vlees voor voedsel, de ingewanden als pezen en de huid voor bijvoorbeeld kleding, tassen en tenten. Maar als ze de huid niet van al het vlees ontdeden, ging het natuurlijk rotten. Om het vlees te verwijderen gebruikten schrapers; stukken vuursteen die erg op messen lijken, maar zonder scherpe punt.

Voedselbereiding

We weten nog niet precies hoe water verhit werd, aangezien ze aardewerk nog niet kenden. Hoogstwaarschijnlijk gebruikten ze stenen en leren waterzakken. De stenen werden verhit in het vuur en dan in de zakken met water gegooid. Zo brachten ze het water langzaam aan de kook.

Vlees en vis werden boven open vuur bereid. Het werd gerookt, geroosterd of gegrild op platte stenen die in het vuur lagen. Een andere veelgebruikte manier was een kuil vullen met smeulende bladeren en takken, het vlees ertussen leggen, en het afdekken met bladeren om het langzaam gaar te smoren.

Aangezien kleding nog sneller vergaat dan gewei, hout en been, zijn er eigenlijk helemaal geen sporen van gevonden. Desondanks weten we dat de mesolithische mens de pezen en huiden van de dieren erg veel hebben gebruikt. Omdat sommige stammen nog steeds op een ongeveer Mesolithische leefwijze leven, hebben we voorbeelden van de de kleding die de mensen vroeger waarschijnlijk droegen.

In het Archeon is een Mesolitisch kamp te vinden, gereconstrueerd aan de hand van een kamp dat gevonden is bij het Bergummermeer in friesland. Het kamp komt uit ongeveer 5.500 v.Chr. Het kamp is gevonden aan een zoetwatermeer. Ovaal gevormde rijen stenen vormden de basis van de huizen. Waarschijnlijk was dit een van de basiskampen. De jagers trokken van hier uit naar bijvoorbeeld jachtkampen. De mensen uit dit kamp leefden naast het water voor een reden, want los van dat het water een goede voedingsbron was, was het ook erg handig voor vervoer. Wanneer een gebied de jager/verzamelaars niet meer in levensonderhoud kon voorzien trokken ze per kano weg naar een volgende plek.

DEELVRAAG 2

Wat is de Romeinse tijd en hoe wordt het gepresenteerd in het Archeon?

NEDERLAND IN DE ROMEINSE TIJD

De Romeinse veldheer Julius Caesar (die regeerde van 46 tot 44 voor Christus) veroverde omstreeks 55 voor Christus het zuiden van Nederland. Hij kwam tot aan rivier de Rijn. Na Caesar probeert Augustus Germanië tot aan de Elbe in zijn macht te krijgen, maar dit mislukt. Uiteindelijk besluit keizer Claudius de Rijn tot noordelijke grensrivier te maken. De Romeinen versterken de grens met een heleboel forten, die verbonden waren door een weg; de limes genaamd. Door deze grens werd ons land in tweeën gedeeld. De grens was niet bedoeld om het hele Romeinse Rijk af te schermen van de buitenwereld, maar om het gebied in de gaten te houden.

Ten noorden van de Rijn leefde men gewoon verder zoals ze leefden voor de veroveringen. Ze woonden in kleine nederzettingen op hoge gronden in het midden en oosten van het land. Er waren ook nederzettingen op de strandwallen langs de kust en op de terpen in het kweldergebied van Groningen en Friesland. De voornaamste middelen van bestaan waren akkerbouw en veeteelt. De terpbewoners dreven ook handel, soms ook met de Romeinen. Ook ten noorden van de grens was er dus invloed van Romeinen te bespeuren.

Ten zuiden van de Rijn werd ons land onderdeel van het Romeinse Rijk. De Romeinen hadden hun rijk opgedeeld in provincies. Het zuiden werd ingedeeld in twee provincies: Gallia Belgica en grensprovincie Germania Inferior. De provincies werden onderverdeeld in kleinere eenheden, ‘civitates’ genaamd. De belangrijkste nederzetting in een civitas werd de hoofdplaats. Deze hoofdplaatsen groeiden steeds verder uit en kregen later het Romeinse stadsrecht, municipium. Elke civitas had een eigen, democratisch gekozen, bestuur. De steden moesten belasting betalen aan de Romeinen en mannen leveren voor het Romeinse leger. Na vijfentwintig jaar trouwe dienst kregen de soldaten Romeins burgerrecht. Niet alleen de soldaten zelf kregen het recht, maar ook hun vrouwen en kinderen. Het leger werd steeds meer beïnvloed door culturen van overwonnen volken, en zo ook andersom. Er vond romanisering plaats. De vrouwen en kinderen van de soldaten woonden in kleine dorpjes, die rond de legerkampen ontstaan waren. Na de diensttijd gingen ex-soldaten vaak ook in deze dorpjes wonen, maar soms keerden ze ook terug naar waar ze vandaan kwamen. Met het Romeinse burgerrecht dat ze dan in bezit hadden, hadden ze het recht om in het bestuur van hun civitas gekozen te worden.

In de 1ste eeuw na Christus was de Romeinse invloed op de plaatselijke bevolking nog niet zo groot. De Bataven kwamen in 69 na Christus in opstand, maar deze opstand werd neergeslagen. Na die tijd werd de invloed van de Romeinen op de plaatselijke bevolking groter. De Romeinen beloonden goedgezinde stammen en straften de anderen. De stamhoofden leverden soldaten voor bij de grens. Hierdoor bloeit de economie op, want de legers moeten worden onderhouden. De 2de eeuw na Christus wordt in Nederland een periode van rust, vrede en welvaart. De bevolking neemt langzamerhand de Romeinse gewoonten over. De inwoners van Nederland worden ‘Gallo-Romeinen’ genoemd. Ze gaan een belangrijke rol spelen in het bestuur, de handel en ambachten.

Langs het door de Romeinen aangelegde wegennet en langs de rivieren ontstonden marktplaatsen. De bewoners van het platteland kwamen daar hun producten verkopen. Met het geld dat de plattelandbewoners verdienden, konden ze Romeinse gebruiksvoorwerpen aanschaffen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan aardewerk, glas en bouwmaterialen.

In de tweede Eeuw en de eerste helft van de derde Eeuw ontstonden problemen, zowel in het buitenland als in Nederland. Het bestuur van het Romeinse Rijk verzwakte. Keizers gingen elkaar bestrijden. Germaanse stammen vielen het Rijk binnen en trokken plunderend rond. Het gevolg daarvan was, dat de Romeinen al de forten tussen Nijmegen en de zee ontruimen. De zee zorgde voor overstromingen. De bevolking van het rivierengebied bij Nijmegen en bijna het hele zuiden trok weg. Later werden de grensforten hersteld of herbouwd met steen. Maar Frankische invallen bleven voortdurend het politiek en economisch evenwicht verstoren. De Rijn werd opgeheven als verdedigbare grens. De Romeinse militaire macht is nog maar heel af en toe voelbaar. Rond 400 verlieten de Romeinen ons land definitief. De val van provinciestad Keulen, in 459, is als eindpunt te beschouwen van de Romeinse periode in onze streken. Na het vertrek van de Romeinse keizer raakten wegen en steden in verval en de handel en industrie ging sterk achteruit. Nederland keerde grotendeels weer terug naar de manier van leven van de Prehistorie.

HET ONTSTAAN VAN EEN ROMEINSE STAD

In het Archeon is een Romeins stadje, Trajectum ad Rhenum, gebouwd. Dit is Latijn voor ‘oversteek bij de Rijn’. Het is een voorbeeld van een nederzetting zoals die in het Romeins Nederland bestaan zou kunnen hebben. Uit opgravingen is bekend hoe steden als Voorburg (Forum Hsadriani) en Maastricht (Trajectum ad Mosam) er in de tweede eeuw na Christus uitzagen.

De Romeinen bouwden hun steden niet zomaar op elke willekeurige plek. Ze hielden rekening met de volgende factoren:

De stad moest op een droge plaats, bijvoorbeeld een heuvel of oeverwal, gebouwd worden.

De aanwezigheid van een meer of een rivier. Dit voor drinkwater of om de bereikbaarheid en/of de handel te bevorderen.

De aanwezigheid van een pad of weg. Dit ook voor de bereikbaarheid en/of handel.

De steden moesten strategisch goed gesitueerd zijn. Geliefde plekken waren op kruispunten van (water)wegen en op hogere gedeelten.

Als voorbeeld van zo’n Romeinse stad in Nederland nemen we Ulpia Novoiomagus (Nijmegen). Ulpia Novoiomagus lag op of nabij de hoofdplaats van de Bataven, die door de Romeinen Oppidum Batavorum genoemd werd. Deze stad controleerde gelegen aan de Waal op een oeverwal en bij een belangrijke weg het gehele omringende gebied. Ditzelfde verhaal geldt voor de stad in het Archeon, de Trajectum ad Rhenum (TAR). Het fictieve verhaal van TAR is als volgt:

Toen de Romeinen onze streken veroverd hadden, troffen zij op de plaats waar later TAR zou ontstaan de volgende situatie aan:

Er kwamen twee landwegen samen bij een doorwaadbare plaats in een zijtak van de Rijn. Op de oeverwal lag een inheems heiligdom. Later bleek dat deze plaats een centrum was voor de bevolking in deze omgeving. Op deze plaats vonden religieuze activiteiten en markten plaats. De Romeinen vonden deze plek heel erg geschikt voor een stad. De doorwaadbare plaats van de Rijn op het kruispunt van twee wegen maakte het punt ook strategisch interessant. Maar het bouwen van een nieuwe stad deden de Romeinen niet zonder de goden te raadplegen. Eerst onderzocht een Priester of de plaats geschikt was om er te wonen. Toen hij het oké-teken gaf, begonnen een aantal Romeinse bouwmeesters met het ontwerp van de nieuw te bouwen nederzetting.

Voordat de bouw begon, maakte een Priester rondom de plek waar de stad gebouwd zou worden een vore met een ploeg, welke getrokken werd door een witte stier en een witte koe. Dit was bedoeld om goddelijke bescherming te vragen.

Na het ploegen kwamen er een aantal Landmeters in actie. Zij zetten met hun meetinstrumenten de wegen en poorten uit. Vervolgens richtten de Romeinen hun steden in volgens het zogeheten ‘Schaakbordpatroon’. Het ‘Schaakbordpatroon’ hield in dat alle wegen haaks op elkaar stonden. Ze verdeelden de stad in rechthoekige ruimten die insulae (insula = eiland) werden genoemd. Dit principe werd ook in TAR toegepast. De naam van de hoofdstraat die van noord naar zuid liep heette de ‘Cardo’. De belangrijkste oost-west verbinding werd ‘Decumanus’ genoemd. Er ontstonden vier Insulae die elk een eigen functie vervulden.

Het centrum van TAR heet het forum. De belangrijkste openbare gebouwen werden in drie van de vier insulae (eilanden) neergezet; de Herberg, het Badhuis en de tempel van Nahelennia. Voor de Romeinen was het openbare sociale leven heel belangrijk. Woonhuizen werden gebouwd in de vierde insula.

De Romeinen noemden de stad Trajectum ad Rhenum, oversteekplaats bij de Rijn. Er werd een brug gebouwd, zodat de stad beter bereikbaar was.

DE GEBOUWEN IN DE STAD

In een Romeinse stad stonden verschillende gebouwen. Wat voor een gebouwen stonden er gemiddeld en waarvoor werden deze gebruikt?

De Tempel

Het woord ‘tempel’ betekent ‘ommuurd terrein’. De tempel in TAR is gebaseerd op opgravingen in Cuijk en Maastricht. De poort geeft toegang tot een voorhof met een bijgebouw. In het midden staat een zuil gewijd aan de oppergod Jupiter. Verder heeft de tempel een Cultusruimte (cella). Er is een Zuilengang (porticus) omheen gebouwd. De cella dient als het ‘woonhuis’ van de god of de godin. Men geloofde dat de meeste Goden in de hemel woonden, maar op aarde waren de goddelijke krachten het sterkst aanwezig binnen de muren van de tempel.

Het Woonhuis

De meeste bevolking in de Romeinse tijd leeft in boerderijen op het platteland. Een klein deel van de bevolking woont in de stad. Zij houden zich bezig met ambachtelijk werk. De stedelingen waren kleine zelfstandigen, die meestal een sober leven leidden in hun eenvoudige woonhuizen.

Het woonhuis in Trajectum ad Rhenum is gebaseerd op een opgraving in Voorburg (Zuid-Holland). Daar maakte het deel uit van een woonblok van vijf huizen. In het voorste deel van het woonhuis is de winkel/werkplaats van de pottenbakker. De pottenbakker maakte zijn eigen potten op een draaischijf, waarna ze een paar dagen moeten drogen. In de schuur op het achtererf stond de oven waarin de potten werden gebakken. Achter de werkplaats is de keuken, dat was het domein van de vrouw. Het fornuis stond onder het raam, dit is gedaan voor licht en ventilatie.

Het Badhuis

Voor het badhuis (of de thermen) in het Archeon is een badhuis uit Heerlen (Limburg) als voorbeeld genomen. De oorspronkelijke fundamenten van het badhuis zijn daar ter plekke te zien in het Thermenmuseum.

Het badhuis is te vergelijken met een sauna van tegenwoordig; er werd afwisselend gebaad in koude en warme baden, wat de bloedsomloop zal stimuleren en wat ontspannend zal werken. In Archeon is een zogenaamd ‘rijentype’-badhuis nagebouwd: de badkamers liggen keurig achter elkaar. Men kleedde zich om in het apodyterrium (de ontvangstruimte). Vervolgens gaat de bader naar de palaestra, oftewel de binnenplaats. De bader houdt zich daar bezig met balspel of atletische oefeningen. Daarna bezoekt men het sudatorium (de zweetruimte), het frigidarium (Koudwaterbad), het caldarium (Warmwaterbad) en het tepidarium, oftewel de lauw verwarmde ruimte, waar men kan genieten van een korte rustpauze en/of een lichte massage. Als laatste onderdeel bezoekt de bader het Koudwaterbad opnieuw om de geopende poriën weer te sluiten.

Vrouwen leggen echter meestal een kortere route af. Zij doen minder vaak aan sport en beginnen met baden in het Warmwaterbad.

De zalen in het badhuis worden verwarmd door middel van hete lucht die onder de vloer doortrekt en daarna door holle buizen in de muur opstijgt. Dit systeem wordt ook wel het hypocaustum systeem genoemd.

Het badhuis moest voor iedere Romein toegankelijk zijn: man of vrouw, ziek of gezond, arm of rijk. De entreegelden waren daarom ook laag. Mannen en vrouwen baadden op aparte tijden en ook zieken hadden een eigen tijd. Behalve een hygiënische had het badhuis ook een sociale en culturele functie. Men onderhield er contacten en deed er nieuwe relaties op.

De Herberg

De herberg die in het Archeon is nagebouwd, is gebaseerd op de in 1987 opgegraven Romeinse herberg in Nijmegen. De Latijnse term voor de herberg zal praetorium of taberna geweest zijn. De herberg diende als een soort staatshotel. De herbergen waren vaak langs belangrijke hoofdwegen te vinden.

Een Staatshotel wil zeggen dat het gebouw op last van de Staat werd onderhouden en mogelijk zelfs gebouwd. De reden hiervoor was cursus publicus. Dit was een door Keizer Augustus bedachte koeriers- en transportdienst. De opvolgers van Augustus verbeterden dit systeem en breidden het uit. De Cursus Publicus was bedoeld om door middel van koeriers snel en betrouwbaar berichten en andere voorwerpen van en naar alle delen van het Romeinse Rijk te ontvangen en te sturen. Om dit mogelijk te maken moesten niet alleen wegen aangelegd/verbeterd worden, maar dienden er ook voldoende goed georganiseerde halteplaatsen te zijn. De koeriers moesten regelmatig hun paard verwisselen en een veilige overnachtingsplaats hebben. Een dergelijke herberg was dus meer dan alleen een plaats om te overnachten.

In de Romeinse herberg van het Archeon is een restaurant gevestigd.

Het Forum

In het centrum van een Romeinse stad ligt het Forum. Het Forum is te vergelijken met onze markt. Hier ontmoeten bewoners elkaar en verkopen boeren, ambachtslieden en kooplui hun waren. Op het Forum werden ook openbare bijeenkomsten gehouden, zoals vergaderingen en rechtszaken.

Het Theater/De Arena

De populairste vorm van vermaak in de Romeinse tijd waren toch echt wel de gladiatorengevechten. Deze gevechten werden vaak alleen door particulieren georganiseerd ter gelegenheid van een begrafenis.

Later in de tijd verloren de gladiatorengevechten hun heilige karakter. Ze werden een middel om het volk tevreden te houden.

De gladiatoren waren meestal speciaal voor het vak opgeleide slaven, door armoede tot dit beroep gedwongen vrije mensen of krijgsgevangenen.

In de Keizertijd traden soms zelfs Senatoren, vrouwen of de Keizer op als gladiator!

De voorstellingen werden vaak ook afgewisseld met gevechten tussen wilde dieren die in Afrika gevangen werden.

De gladiatoren vochten in de arena dus met elkaar of met wilde dieren. Arena betekent letterlijk ‘met zand bestrooid’.

Meestal werden de gevechten gehouden in een amphi-theater: een theater dat helemaal rond om de arena gebouwd was.

In het Archeon is een halfrond theater nagebouwd. Zulke theaters werden in de Romeinse tijd vaak gebruikt voor muziekvoorstellingen of het spelen van kluchten (toneelstukjes over alledaagse dingen met veel grappige situaties).

In Nederland is Nijmegen tot nu toe de enige plaats waar een dergelijk amphi-theater opgegraven is.

DE KLEDING

Door de Archeotolken in het Archeon wordt een mengeling gedragen van typische inheemse en typische Romeinse kleding. Sommige inheemse burgers zullen zich wat aangepast hebben aan de Romeinse mode, maar anderen hielden zich strikt aan hun eigen gebruiken.

Romeinse burgers

De Romeinse vrouwen en de Romeinse mannen droegen een Tunica, een lang, mouwloos kledingstuk van linnen of katoen, dat rond het middel met een gordel vastgesnoerd was. Bij de mannen hing de Tunica tot op de knie, maar bij vrouwen was het kledingstuk langer. Onder zo’n Tunica werd door de mannen een soort broek gedragen. Vrouwen droegen hierbij ook nog een borstlap. Het eenvoudige volk dat alleen een Tunica droeg, werd tunicati genoemd.

Romeinen met wat meer geld werden vaak togati (togadragers) genoemd. De Toga was eigenlijk een onpraktisch kledingstuk, dat slechts diende als een statussymbool. Een toga was een grote lap van fijne witte wol met een rechte en een ellipsvormige (vorm van een uitgerekte cirkel) zijde die om het lichaam werd gedrapeerd. Dit was erg veel werk en daarom werden de rijkere Romeinen altijd geholpen bij het aantrekken van dit kledingstuk door bijvoorbeeld slaven of dienaren.

Een soortgelijk kledingstuk voor de mannen was de paenula. Dit was een grote, rechthoekige, wollen lap die over de linkerschouder werd gedrapeerd en onder de rechterarm door voor de borst werd getrokken. Bij slecht weer droegen de mannen ook een wollen cape, maar nu moet capuchon.

Vrouwelijke Romeinen met wat meer geld droegen over hun tunica een palla, oftewel een omslagmantel, die lang genoeg was om over de schouders en/of om het hoofd geslagen te worden en tegelijkertijd de knieën te bedekken. Zo’n palla was ook van wol.

Romeinse kinderen droegen verkleinde uitgaven van de kleding van de volwassenen.

Inheemse bevolking

De Gallo-Romeinse man droeg een Gallisch jak met een wijde Tunica, die zonder gordel werd gedragen. Over het jak werd heel vaak een Gallische cape gedragen. Een Gallische cape was een soort wollen kledingstuk met capuchon.

De Gallo-Romeinse vrouw droeg een mantel met daarbij een lang, Gallisch jak en soms een onderkleed.

De inheemse man die zich vasthield aan ‘het Traditionele Germaanse kostuum’, droeg een lange Tuniek. Deze was ingesnoerd om het middel met behulp van een leren riem. Verder droegen ze nog een wijde wollen broek en een rechthoekige mantel.

De inheemse vrouw droeg een onderkleed. Deze was voorzien van lange mouwen. Over het onderkleed droegen ze een overkleed, dat met mantelspelden vastgezet was.

Een belangrijke functie bij de kleding van de inheemse bevolking hadden de fibulae, de kledingspelden, die door hun grootte en versiering ook als broches gebruikt werden. De vorm en uitvoering van zo’n kledingspeld waren sterk afhankelijk van de mode.

Het schoeisel was half afgeleid van Romeinse, en half van inheemse modellen. Romeinen hadden open sandalen en de inheemse bevolking droeg dichte schoenen. De schoenen werden van stukken leer gemaakt.

HET DAGELIJKS LEVEN

De Romeinen stonden ‘s morgens altijd heel vroeg op. Dit omdat men optimaal van het daglicht wilde profiteren. De ‘slaapkamer’ was in de meeste gevallen gewoon een donker ‘hok’, met weinig comfort. De mensen sliepen op houten bedden waarop een matras en een kussen lagen, gevuld met riet, stro of hooi. Het aankleden was snel gedaan, want men hield de tunica aan in bed. Aan het wassen werd weinig tijd besteed. Een natte lap over het gezicht vonden de Romeinen al genoeg. De Romeinen gingen tenslotte toch later op de dag naar het badhuis.

Een dagelijks belangrijk moment voor de Romeinen was het Offeren aan de Huisgoden. Het volk geloofde dat de Huisgoden (Lares en Penates) de familie zouden beschermen tegen onheil. Bij het Offer werd voedsel in de vuurbak gelegd, dit meestal onder begeleiding van gebeden. Deze korte Ceremonie werd geleid door de huisvader (pater familias). Na de ceremonie nam men een licht ontbijt, dit werd het Ientaculum genoemd.

De man en de vrouw hadden elk hun eigen taken.

De Romeinse man

Zijn leven speelde zich doorgaans meer buitenshuis dan binnenshuis af (behalve bij Ambachtslieden). Tussen 12.00 en 15.00 werd al het werk stilgelegd voor het middageten en de daarop volgende siësta. De lunch (prandium) bestond uit het eten, wat de vorige avond overgebleven was. Aan het eind van de middag gingen de mannen naar het badhuis. Winkels en werkplaatsen werden om deze tijd ook gesloten. De thermen hadden, zoals al eerder gemeld, zowel een hygiënische- als een sociale functie. Na het baden keerden de mannen terug naar huis. Daar begon men rond acht uur ‘s avonds aan het avondeten. Deze ‘cena’ was de uitgebreidste maaltijd van de dag. De rest van de avond hield men zich met het eten bezig.

Veel Romeinse mannen waren in dienst van het leger. Militaire commando’s bestaan meestal uit twee delen: het waarschuwingsbevel en het uitvoeringsbevel. Ook bestaat er een onderverdeling in standcommando’s en marscommando’s. Wij hebben enkele belangrijke Romeinse commando’s op een rijtje gezet.

Ad signa aantreden

Intente geeft – acht

Laxate op de plaats – rust

Procedite voorwaarts – mars

Retrorsum vertite rechtsomkeert – mars

Consistite halt (en blijf staan)

Unum passum procedite een pas voorwaarts

Unum passum recedite een pas achterwaarts

Duos passus twee passen

Tres passus drie passen

Salutate salueer (op de voorgeschreven manier groeten)

Gladios stringite trek – zwaard

Gladiius recondite in schede – zwaard

Scuta tollite hef – schild

Scuta demittite neer – schild

Ordines servate let op rijen

Gradum servate let op pas

Iter accelerate looppas – mars

Iter tardate gewone pas – mars

Ab signis discedite ingerukt – mars

Gradus militarii militaire pas

Gradus plenus ijlmars

Bron: De Romeinse Tijd in het Archeon.

De Romeinse vrouw

De taak van de vrouw was gericht op het huishouden.

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.