De systeemtheorie richt zich vooral op grote gehelen, maar verwaarloost de onderdelen niet. Er is altijd een wisselwerking tussen het object en zijn omgeving. Een hiërarchisch niveau wordt daarom een open systeem genoemd. Vooral gekeken naar dynamische processen. Een eigenschap is niet los van de omgeving te zien, verlegen hangt van de context af. Een onderdeel van een systeem wordt beïnvloed door de kenmerken van het geheel. Tenslotte wordt er van uit gegaan dat gedrag altijd vanuit meerdere aspecten wordt beïnvloedt (Rigter, 2010).
Vanaf de jaren vijftig ontstond bij steeds meer hulpverleners meer aandacht voor de context van de cliënt. Daarvoor lag het accent van de behandeling bij de cliënt zelf. Op verschillende manieren werd ontdekt dat de omgeving van de cliënt invloed had op het gedrag. Nadat verschillende therapeuten hier achter kwamen, werd er steeds meer geëxperimenteerd met het beschouwen van het gezin. Hiermee werd de focus van het individu afgehaald en meer gericht op de interactie tussen de individuen. Therapeuten kwamen in aanraking met een theoretische stroming die op dat moment in opkomst was en raakvlakken had met alle wetenschappen. Deze stroming werd de systeemtheorie genoemd (Bolt, 2014).
De algemene systeemtheorie, met als grondlegger Ludwig Bertalaffy definieert een systeem als mechanisch systeem dat reageert op zijn omgeving. Dit noemt hij een informatie verwerkende machine. Verandering van het een zal gevolgen hebben voor het ander. Er is een voortdurende wisselwerking met de omgeving. De basis van zijn open systeemtheorie is dat er sprake is van input, output en thougput. De theorie gaat uit van de volgende twee belangrijke begrippen equifinaliteit en equipotentialiteit. Equifaniliteit betekend dat bepaald gedrag het gevolg kan zijn van verschillende begintoestanden. Equipotentialiteit betekend dat een bepaalde beginsituatie kan leiden tot verschillende eindtoestanden (Nabuurs, 2013).
Structurele theorie
Psychiater Salvador Minuchin zegt dat vanuit de structurele systeembenadering veel aandacht wordt besteed aan de natuurlijke omgeving van het gezin. Niet alleen hoe men woont maar ook in wat voor huis en wat voor buurt. Tevens de banden tussen vrienden, kennissen, collega’s en andere instanties. Deze informatie geeft een beeld van steunbronnen maar ook de stressfactoren voor het gezin. Minuchin ontwikkelde deze theorie in de tweede helft van de vorige eeuw. Hij ontwikkelde deze theorie in zijn werk met delinquente jongeren. Doordat jongeren die naar huis keerden na hun behandeling weer in hun oude gedrag vervielen, constateerde hij dat het gedrag gevolg was van de achtergestelde positie van de gezinnen waaruit ze afkomstig waren. Dit kwam vaak voor bij gezinnen waar geen sprake was van integratie en acceptatie in en door de maatschappij en gezinnen die veel problemen kenden op psychisch gebied maar ook verslaving en andere lichamelijke problemen (Nabuurs, 2013).
In de structurele theorie wordt het gezin gezien als een sociaal dynamisch systeem. Het gezin heeft in deze visie twee belangrijke taken: het zeker stellen van het voortbestaan van het gezinssysteem en het stimuleren van de ontwikkeling van de gezinsleden. De structurele benadering is meer gericht op het huidige functioneren dan op mogelijke oorzaken uit het verleden. De gezinsstructuur staat hierin centraal. Dit betreft de regels die ten grondslag liggen aan de interactiepatronen in het gezin. Het gaat hierbij om de impliciete gedragsregels, de manier waarop de gezinsleden met elkaar omgaan en welke gedragsalternatieven er mogelijk zijn voor de verschillende gezinsleden. Het gaat hierbij vooral om de hiërarchie in een gezin, de grenzen tussen de gezinsleden en interactiepatronen voor onopgeloste conflicten (Nabuurs, 2013).
In de praktijk richt jij je op de behandeling van het gezin. De oorzaak van gebrekkig functioneren van de gezinsleden kan liggen aan pathogene structuren. De analyse van een therapeut is voornamelijk probleemgeoriënteerd. Je zoekt niet alleen naar het probleem maar ook naar de interacties waar het probleem aan gerelateerd is. De spontane interacties van de gezinsleden zijn hierin het belangrijkste. Als therapeut vorm je samen met het gezin een nieuw systeem waarin je vijf aspecten van het functioneren binnen het gezin beoordeelt: de structuur, de flexibiliteit, resonantie, context en de rol van het probleem van de patiënt in het handhaven van bestaande interactiepatronen (Nabuurs, 2013).
Communicatietheorie
In de tweede helft van de vorige eeuw ontstond net als de structurele therapie ook de Communicatietheorietische stroming ook wel de strategische stroming genoemd. Bekende namen zijn hierin: Jay Haley en Gregory Bateson. In de gezinsinteractie had men alleen oog voor de moeder-kindrelatie. Pas later kwam aan het licht wat zich werkelijk in de gezinsinteracties afspeelde. In de jaren zeventig bracht Haley de therapeutische visie op het individu en zette dit in een nog breder denkkader. Haley nam het levenscyclus van het gezin als uitgangspunt (Nabuurs, 2013).
Paul Watzlawick ziet een interactioneel systeem, oftewel het gezin, als een proces waarbij personen bezig zijn om de aard van hun relatie te definiëren. Watzlawick is niet geïnteresseerd in het waarom, maar meer in de manier waarop patronen waarneembaar zijn in het gedrag van een persoon in relatie tot anderen. Bateson legde het fundament voor de strategische theorie. Hij vatte sociale relaties op als een product van communicatieprocessen. Hierdoor kwam de aandacht voor communicatie maar ook de informatie binnen het gezinssysteem centraler te staan. Het observeerbare gedrag kwam centraal te staan. Ook richtte men zich niet alleen op gedragspatronen maar ook op de communicatie die de stoornis of het probleem in stand houdt. Zo kwam er meer aandacht voor verschillende soorten boodschappen, op verschillende soorten niveaus die mensen uitzenden op het gebied van communicatie. Er zijn een drietal algemene principes over menselijke informatie geformuleerd (Watzlawick, Beavin & Jackson, 1974).
Ten eerste is al het gedrag communicatie. Dit houdt in dat het onmogelijk is om niet te communiceren. Al het gedrag, verbaal of non verbaal in relatie tot anderen heeft communicatieve waarde. Inhoudsniveau of rapportaspect en betrekkingsniveau of bevelaspect. Dit houdt in dat de inhoud meestal in woorden wordt overgebracht. De betrekking wordt vaak overgebracht door middel van de toon, houding, gebaren en de context. Met interpunctie wordt bedoeld het aanbrengen van leestekens in de communicatiestroom. Wat volgens hen het startpunt van het gedrag is. Interpunctie kan leiden tot verschil in werkelijkheid (Nabuurs, 2013).
Zoals aangegeven spreekt de communicatietheorie over interpunctie. Dit heeft betrekking op het interpreteren van het gedrag van de ander. Door relatieboodschappen uit te zenden, ook wel directieven genoemd, structureert elk gezinslid zijn of haar onderlinge relaties en wordt het gedrag van de gezinsleden beïnvloedt. Als deze beïnvloeding wederzijds is, komen de gezinsleden met elkaar overeen over hoe ze met elkaar omgaan en hoe ze de onderlinge relaties zien. Deze overeenkomsten worden ook wel relatieovereenkomsten genoemd en zijn de basis van het functioneren van het gezin (Nabuurs, 2013).
Bij een double blind gaat het om de interactie tussen de gezinsleden. Hierbij wordt de cliënt blootgesteld aan verwarrende en tegenstrijdige boodschappen, waarop de cliënt moeilijk kan reageren. Het is de bedoeling dat hierdoor zijn of haar emoties loskomen. Het doel van de theorie is gericht op het herstel van het evenwicht binnen een systeem (Nabuurs, 2013).
In de praktijk neem je als therapeut een centrale plek in. Volgens een duidelijk plan ga je te werk gericht op de communicatie en interacties. De focus ligt op wat welk effect geeft binnen een systeem. Als therapeut richt je je op interactiepatronen die de stoornis in stand houden. Je gaat er van uit dat gezinsleden voortdurend boodschappen uitwisselen en richt je hierbij op het blootleggen van de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Veranderingen in de organisatie bewerkstelligen doe je door interventies te richten op symptomen of problemen (Nabuurs, 2013).
De contextuele of intergenerationele systeemtheorie
De contextuele systeemtheorie wordt ook wel intergenerationele gezinstherapie genoemd. Het doel van de contextuele therapie is gericht op interventies gebaseerd op het begrip van de fundamentele verbindingen tussen relaties. De theorie stelt dat je huidige relatie een weerspiegeling is van de relaties over verschillende generaties. Een van de grondleggers van de contextuele gezinstherapie is Ivan Boszormenyi-Nagy (Nabuurs, 2013).
Als een persoon een beslissing neemt heeft dit gevolgen voor hemzelf, maar ook voor de mensen die dicht om hem heen staan. In deze theorie gaat het over het relationeel-ethisch model. Nagy beschrijft hierin vier dimensies. Als eerst de feiten. Onder de feiten behoren alle persoonsgegevens van de persoon en de gebeurtenissen in de familie (van de huidige en vorige generaties). Ten tweede de psychologie. De psychologie gaat over welke gevoelens, gedachten, behoeften en emoties zich afspelen binnen de persoon. Als derde de transactie of machtsconstellaties. De transactie of machtsconstellaties gaan over de interactie, communicatiepatronen en onderlinge beïnvloeding tussen de mensen. En tot slot de dimensie (onderlinge beïnvloeding tussen mensen) en de relationele ethiek. Er wordt de nadruk gelegd op hoe betrokkenen en hun omgeving ermee omgaan. Bij de relationele ethiek draait het om de motivatie tot verandering en de balans van geven en nemen (Nabuurs, 2013).
In de praktijk krijg je te maken met vragen rond de verbindingen en breuken in familiaire banden. Ook komt terugkerende problematiek aan bod. Een voorbeeld van de doelgroep is: gezinnen, nieuw samengestelde gezinnen of bijvoorbeeld geweld in relaties. Door te kijken naar de menselijke relaties vanuit de vier verschillende dimensies krijg je inzicht in een complex dynamiek. Je richt je op een langdurig proceskarakter en hecht grote waarde aan de belevingsaspecten tussen de relaties van de gezins/familieleden. Het werken met je cliënt is gericht op basis van het geven en nemen. Grensbegrip is hierin een actief begrip (Nabuurs, 2013).
Cognitieve gedragsbenadering
Aan het eind van de jaren vijftig, begin jaren zestig kwam er steeds meer aandacht voor de rol van cognities. Hieruit ontstond de cognitieve gedragsbenadering. Deze benadering heeft voornamelijk aandacht voor de mentale processen. In de cognitieve gedragsbenadering is de invloed van informatieverwerkingsprocessen op emoties, motieven en gedrag belangrijk. Deze processen worden door schema’s aangestuurd. Deze schema’s ordenen en organiseren waarneming, interpretaties en herinneringen en geven richting aan gedrag. Dit zijn je gedachteschema’s. Deze schema’s bestaan uit kernopvattingen en intermediaire opvattingen. Kernopvattingen zijn opvattingen over de eigen persoon, over anderen, maar ook over de wereld. Intermediaire opvattingen houden de kernopvattingen in stand. Er zijn drie verschillende vormen van intermediaire opvattingen: de conditionele opvattingen, de instrumentele opvattingen en de attitudes. Instrumentele opvattingen hebben te maken met regels en strategieën om positieve ervaringen te krijgen en negatieve ervaringen te vermijden. Bij attitudes draait het om uitspraken die een evaluatief beeld hebben. Cognities kunnen naast kernopvattingen en intermediaire opvattingen ook beschreven worden door automatische gedachten (Ten Broeke et al.,2008).
Een cognitief schema wordt vergeleken met een innerlijke weergave van een situatie of object. Schema’s kunnen algemeen maar ook specifiek zijn. Ze helpen je ervaringen te begrijpen en richting te geven aan de wijze waarop je reageert in een bepaalde situatie (Horneman & Nijhof 2011).
Schema’s beïnvloeden de informatieverwerkingsprocessen en hiermee ook de woorden of beelden die in een bepaalde situatie opkomen in iemands gedachten. Deze woorden of beelden worden de automatische gedachten genoemd. De gedachten kunnen positief, neutraal of negatief zijn. Om er achter te komen waar bewuste of automatische gedachten toe leiden wordt ook wel het G-schema gebruikt. Ook beïnvloeden gedachten het gevoel en gedrag in specifieke situaties. Dit kan de kernopvatting en intermediaire opvatting bevestigen en/of versterken. Het gaat om disfunctionele denkpatronen. Door deze disfunctionele gedachtepatronen te veranderen, zijn er een aantal stappen opgezet: De eerste stap is om deze gedachten te zoeken. Er moet tijd worden genomen om deze gedachten te vinden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het gedachteschema. Dit schema is gemaakt om cliënten te helpen ontdekken welke gedachtepatronen in bepaalde probleemsituaties een rol spelen en hoe deze patronen zijn bij te stellen. Als de cliënt het opsporen van deze gedachten beheerst, wordt er op geloofwaardigheid de gedachten onderzocht. Hierbij wordt vastgesteld wat de Belangrijkste Automatische Negatieve Gedachte ook wel: B.A.N.G. is. Hierbij moet er rekening worden gehouden met drie punten. Bij de huidige situatie moet de opvatting de meest centrale en de meest emotioneel geladen opvatting bij deze situatie zijn. Ook moet de opvatting disfunctioneel zijn en centraal staan in de problemen van de cliënt. Deze moet je kunnen toetsen (Ten Broeke et al.,2008).
Als een cliënt wordt aangemeld wordt eerst gekeken naar de problematiek. Het eerste doel is de algemene informatie en beschrijving van de problematiek. Dit wordt beschreven aan de hand van gedrag, lichamelijke sensaties en automatische gedachten. Het tweede doel is de cognitieve conceptualisatie. Hierin wordt beschreven welke instrumentele opvattingen de cliënt gebruikt, welke conditionele opvattingen worden gebruikt en er worden kernopvattingen geformuleerd. Het derde doel is het behandelplan. Hierin worden de behandeldoelen geformuleerd. Het gaat hierbij om de toename van gewenst gedrag en de afname van ongewenst gedrag.
Een andere manier van werken in de cognitieve gedragsbenadering is de socratische methode. De socratische methode is een onderzoekgesprek in de vorm van een dialoog met geleide ontdekking, waarin via het stellen van vragen vanuit een oprechte intellectuele nieuwsgierigheid kennis die al aanwezig is, opgespoord en onderzocht wordt. Ook kan er gewerkt worden met gedragsexperimenten. Een gedragsexperiment wordt geformuleerd als het uittesten van de juistheid van bepaalde verwachtingen en opvattingen via het daadwerkelijk uitvoeren van het nieuwe gedrag (Ten Broeke et al., 2008).
Tot slot wordt er bij de cognitieve gedragsbenadering gebruik gemaakt van exposure. Tijdens de exposure wordt de cliënt geleidelijk blootgesteld aan zijn of haar angst (Ten Broeke et al.,2008).
In de praktijk wordt de cognitieve gedragsbenadering vaak gebruikt. Deze wordt vaak gebruikt bij psychische problemen zoals een depressie. Een voorbeeld is cognitieve psychotherapie. Het grondmodel van de cognitieve therapie. Cognitieve therapie is nodig voor mensen die automatisch gedachten hebben die bijna niet te corrigeren zijn. Meestal zijn deze gedachten negatief (Rigter, 2010). Als hulpverlener stel je de cognities centraal. Je gaat hierbij probleemgericht te werk en de behandeling met de cliënt is vaak kortdurend. Je gaat gestructureerd en doelgericht te werk en bespreekt alles met je cliënt. De cliënt is zelfwerkzaam en vormt samen met jou een team (Slot & Spanjaard, 2009).
De oplossingsgerichte benadering
De oplossingsgerichte benadering is ontstaan in 1982 door onder anderen Steve de Shazer en Insoo Kim Berg. Het is ontstaan door het idee dat er geen verband was tussen een probleem van een cliënt en de oplossing van de cliënt (Bolt, 2014). “Meer van dezelfde pogingen om tot oplossingen te komen, die onvermijdelijk tot hetzelfde probleem leiden” (Durant, 2006 p31).
De belangrijkste uitgangspunten van deze benadering zijn dat er wordt gefocust op oplossingen in plaats van op problemen. De cliënt is in staat om zijn of haar eigen oplossingen te bedenken. Veranderingen zijn er altijd en deze kunnen benut worden als kansen. En als laatste, vormt de herhaling van geslaagde gedragingen de basis voor positieve verandering. In de oplossingsgerichte benadering wordt het vermogen van de cliënt om oplossingen te vinden versterkt. Het is de bedoeling dat de cliënt op den duur zelf oplossingsgericht gaat bedenken. Door de eigen krachten en de krachten van de omgeving te gebruiken kan de cliënt anticiperen op de veranderingen in zijn leven. De oplossingen worden dan ook gebouwd uit de krachten, kwaliteiten en vaardigheden van de cliënt en zijn of haar omgeving. Het vertrouwen in de krachten van de cliënt wordt door de hulpverlener zichtbaar gemaakt op verschillende manieren. Er wordt aan de cliënt gevraagd wat hij of zij graag veranderd zouden willen zien. Tevens wordt aan de cliënt gevraagd wat er anders zou zijn in zijn of haar leven als het probleem opgelost zou zijn (zo een vraag word ook wel een wonder vraag genoemd) en er wordt gevraagd naar de momenten die goed gaan in het leven van de cliënt.
Een ander proces om de cliënt te helpen is de acht-stappen-dans. Alleen de eerste stap blijft altijd de eerst stap. De andere stappen hebben geen vaste volgorde. De eerst stap is contact leggen. De houding van het niet-weten is hierbij belangrijk. De tweede stap is de context verhelderen. Hierdoor wordt het gehele probleem duidelijk. De derde stap houdt het stellen van doelen in. Deze doelen moet SMART gebonden zijn: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden. De vierde stap gaat over het opsporen van krachten. De sterke punten en kwaliteiten van de cliënt kunnen helpen bij het behalen van de doelen. Als vijfde stap is er complimenteren. Dit is een van de belangrijkste vaardigheden van hulpverleners. Met complimenteren wordt de nadruk gelegd op oplossingsmogelijkheden en sterke punten. Dit geeft de cliënt waardering. Hierdoor kan de cliënt meer zelfvertrouwen krijgen en is het van grote invloed op het functioneren van de cliënt. De zesde stap is zoeken naar uitzonderingen. De momenten moeten worden ontdekt en benut. De zevende stap is differentiatie aanbrengen door schaalvragen. Door het gebruik van schaalvragen help je cliënten differentiatie aan te brengen in hun perceptie van het probleem en ook van de kans op verbetering van zichzelf (Bolt, 2014).
De laatste stap is toekomstprojecties maken. Door over de toekomt vragen te stellen, kan de creativiteit en het voorstellingsvermogen van de cliënt geprikkeld worden. Hier kan de wondervraag weer als hulpmiddel dienen.
De oplossingsgerichte benadering kent een stroomschema. Dit schema dient als hulpmiddel voor het inschatten van de samenwerkingsrelatie die de hulpverlener met een cliënt heeft. Door over de toekomt vragen te stellen kan de creativiteit en het voorstellingsvermogen van de cliënt geprikkeld worden. Ook kan hier de wondervraag weer als hulpmiddel dienen. Om de communicatie in de gezinnen te verbeteren zijn er communicatieregels opgesteld. Als deze regels worden toegepast is er meer aandacht voor de inhoud van de boodschap. Het helpt gezinnen om op een opbouwende manier hun problemen met elkaar te bespreken (Bolt, 2014). Tot slot kan er gebruik gemaakt worden van circulaire vragen. Deze vragen zijn gericht op het effect van het gedrag (Verheij, 2005).
In de praktijk betekend het dat je cliënten helpt hun eigen oplossingen te bedenken. Eerst help je de cliënt met het zoeken naar een oplossing voor de aanleiding van het probleem. Een belangrijk onderdeel in de oplossingsgerichte benadering is het stellen van doelen. Samen met de cliënt werk je naar een gewenste situatie (Horneman & Nijhof 2011). Uiteindelijk gaat het er om dat de cliënt zelf het vermogen heeft om zijn probleem op te lossen. Het is de bedoeling dat de cliënt zelf oplossingsgericht gaat denken. Dit door het gebruik van eigen krachten en die in hun omgeving. Een ander belangrijk aspect hier in is vertrouwen (Bolt, 2014).
Sociaal competentiemodel
Sociaal competentiemodel staat kort geformuleerd voor het aanleren van vaardigheden en het vergroten van mogelijkheden. Voor een cliënt werkt het motiverend als deze op zijn vaardigheden wordt aangesproken in plaats van zijn problemen. In het sociaal competentiemodel wordt er vanuit gegaan dat gedrag mede beïnvloed wordt door de omgeving (Dekker, 2009).
Een mens ontwikkelt zich heel zijn leven. Ontwikkelingstaken zijn onderwerpen die typerend zijn voor een specifieke levensfase die om bepaalde vaardigheden vragen. Er is een balans tussen de taken van het ontwikkelingsproces en de vaardigheden die aangeleerd moeten worden. Voor het herstel van dit balans zijn er verschillende interventies. Deze worden methodisch getoetst op hun effectiviteit (Bassant & de Roos, 2013).
Om de balans van ontwikkelingstaken en vaardigheden op te maken, wordt er gebruik gemaakt van een competentieanalyse. Na de informatie verzameld te hebben, worden de sterke, zwakke en/of verbeterpunten opgenoemd. De positieve factoren zijn protectieve factoren. Protectieve factoren zijn bijvoorbeeld de eigenschappen van jongeren en omstandigheden die ze kunnen bevorderen en hen kunnen beschermen tegen risico’s, zoals stressoren. De protectieve omgevingsfactoren hebben te maken met wat er aanwezig is in de omgeving. Zoals iemand die beschikbaar is om hulp aan te bieden. De protectieve persoonseigenschappen hebben te maken met het karakter. Zoals een positief zelfbeeld (Slot & Spanjaard, 2012).
Pathologie ook wel de ziekteleer, wordt ook wel verstaan onder ongebruikelijke gedragingen in combinatie met leed. Bijvoorbeeld angststoornissen of een depressie. Hierdoor kan een persoon minder goed functioneren. Een psychische stoornis wordt ook wel gezien als een ongebruikelijk patroon van gedragingen. Een psychische stoornis heeft bijna altijd invloed op het vaardigheidsniveau. Waardoor ook op de balans. Hierdoor raakt dit balans uit evenwicht. Niet door een te veel aan ontwikkelingstaken, maar door een te kort aan vaardigheden. (Bassant & de Roos, 2013)
In de praktijk zal je als hulpverlener het sociaal competentiemodel tegenkomen in de jeugdhulpverlening en in de psychiatrie. In de behandeling begeleid je de cliënt met het aanleren van vaardigheden. Je biedt een kader van taken en vaardigheden voor de cliënt. Het is belangrijk dat het systeem van de cliënt benut wordt in het stimuleren van de cliënt. In de begeleiding is het belangrijk dat je de eigen kracht van de cliënt benut. Tot slot is goede communicatie en structuur erg belangrijk (Dekker, 2009).
De totale communicatie
De totale communicatie is ontstaan in de jaren zestig. De benadering heeft als visie dat alle mogelijkheden worden benut en middelen in worden gezet die kunnen bijdragen tot de communicatie tussen cliënt en omgeving (Balkom, 2009).
Bij deze benadering wordt gebruik gemaakt van een communicatie competentieprofiel. Dit is een persoonlijk document die de voorgeschiedenis schetst van het huidige functioneren en de ondersteuningsdoelen van de cliënt. Het is een hulpmiddel voor de communicatieondersteuning. Hierin wordt een overzicht gemaakt van het huidige en het te verwachten functioneren. Ook wordt hiermee geprobeerd de communicatiemogelijkheden van de cliënt maximaal te benutten (Balkom, 2009).
Iedere cliënt heeft een eigen competentieprofiel. Hierin wordt beschreven wat de cliënt begrijpt en hoe de cliënt aangeeft wat hij wil, welke behoeften hij of zij heeft en hoe hij of zij denkt en voelt. Aan de hand van het competentieprofiel kan het communicatieniveau worden bepaald. In de totale communicatie kan er op verschillende soorten niveaus worden gecommuniceerd. Als er gecommuniceerd wordt op situatieniveau betekend het dat de cliënt betekenis geeft aan de huidige situatie. Hij heeft op dat moment alle prikkels nodig om te weten wat er op dat moment gebeurd. Het kan zijn dat een cliënt de ene dag anders reageert op een situatie dan de andere dag. Het gaat hier dan om de sociaal emotionele beleving, ook wel de ervaringsordening genoemd. Communicatie op signaalniveau houdt in dat afbeeldingen, gesproken woorden of gebaren als signaal aangeven dat er iets gaat gebeuren. Dit kan bijvoorbeeld een herinnering zijn. Aan het begin zal de cliënt meerdere prikkels nodig hebben om het signaal te begrijpen. Bij communicatie op symboolniveau komt er bij een woord een bepaald symbool in de gedachten van een persoon. Als een cliënt niet symbolisch kan denken, kan er niet op symboolniveau gecommuniceerd worden. Er wordt uitgegaan van de mogelijkheden en vaardigheden die de cliënt al heeft. Deze worden bevorderd om hem of haar zo goed mogelijk mee te laten doen aan de sociale omgeving (Bassant & De Roos, 2013).
Voor het classificeren van meervoudig problematiek bij cliënten wordt ook wel het Internetional Classification of Functioning gebruikt, afgekort I.C.F. Het gestandaardiseerde model gaat er uit van het kunnen van de cliënt en biedt ondersteuning. Het zou geclassificeerd kunnen worden in drie dimensies. Ten eerste het menselijk organisme. De dimensie van het menselijk handelen en de dimensie van deelname aan het maatschappelijke leven. Deze dimensies worden ook wel benoemd als functies, activiteiten en participatie (Balkom, 2009).
In de praktijk zal je als hulpverlener altijd te maken hebben met communicatie. Wanneer een cliënt zich niet kan uiten in woorden zullen er andere manieren gevonden moeten worden om te communiceren. Als hulpverlener zal je hiermee te maken hebben bij cliënten bij wie de communicatieve ontwikkeling verstoord is, moeilijk op gang komt of moeilijk verloopt. Hierbij kan je denken aan mensen met een ontwikkeling achterstand, maar ook mensen die doof zijn. Als hulpverlener richt je je voornamelijk op de cliënt maar ook op de omgeving. Het is belangrijk een manier van communicatie te vinden die bij de cliënt past. Aangezien al het gedrag communicatie is, zijn er verschillende manieren om dit vorm te geven. Het is belangrijk om als hulpverlener hier de juiste kennis over te beschikken en creatief te zijn.