Het doel van stamceltransplantatie is om een hoge dosis chemo te kunnen geven én om zieke of afwezige bloedcellen te vervangen door gezonde.
Als de diagnose voor een bloedziekte wordt gesteld, is chemotherapie meestal de eerste stap van de behandeling. Op het moment dat deze niet goed aanslaat, kunnen de patiënt en arts overwegen om een SCT te ondergaan. Per patiënt bepaald de arts de soort stamcellen die het meest resultaat zullen opleveren. Ook zal hiervoor de beste voorbehandeling en nazorg geregeld worden.
Er zijn twee soorten stamceltransplantatie: autologe en allogene. Bij autologe SCT
worden stamcellen uit de patiënt zelf gehaald. Later worden deze weer toegediend. Chemotherapie heeft niet alleen effect op kankercellen, maar eigenlijk op alle delende cellen. Zo tasten zij ook stamcellen aan bij hoge doseringen chemotherapie. De stamcellen horen in het beenmerg nieuwe bloedcellen aan te maken, maar door de chemotherapie moeten de stamcellen eerst herstellen. Dit gebeurt door middel van de autologe stamceltransplantatie (auto-SCT). Eerst worden bloedvormende stamcellen van de patiënt afgenomen en ingevroren. Vervolgens krijgt de patiënt chemotherapie en worden zijn eigen stamcellen teruggegeven via een infuus. De stamcellen zorgen dan voor herstel en het maken van nieuwe bloedcellen. Deze behandeling is inmiddels voor een aantal ziekten een standaard behandeling geworden. Dit geldt voor alle patiënten die jonger zijn dan 65 jaar met multipel myeloom, non-Hodgkin lymfoom (type mantelcellymfoom en type agressief T-cel lymfoom), Hodgkin lymfoom (eerste recidief) of acute myeloide leukemie (bij het ontbreken van een geschikte familiedonor).
Plasmacellen hebben erfelijk materiaal: DNA. Hierin kunnen fouten optreden, waardoor de cellen kwaadaardig worden en ze ongecontroleerd gaan delen. Het normale percentage witte bloedcellen is 5% van het totaal aantal cellen in het beenmerg.
Multipel meyeloom heet ook wel de ziekte van Kahler. Hierbij kan het percentage witte bloedcellen in het beenmerg wel stijgen tot 90%, doordat 1 soort plasmacel ongecontroleerd groeit. De ontstane kwaadaardige plasmacellen kunnen zich ook via het bloed verspreiden. Multipel meyeloom zit daarom al gauw na het ontstaan van de ziekte op meerdere plaatsen in het beenmerg. Kwaadaardig plasmacellen heten ook wel meyeloomcellen. Een ander woord voor multipel is meerdere. Doordat de plasmacellen antistoffen blijven aanmaken, ontstaat een grote hoeveelheid van één soort antistof. Dit heet een monoklonale antistof: M-proteïne of paraproteïne. Deze waarde is in het bloed en soms in de urine te meten. Door deze proteïne kunnen ook nierproblemen optreden als deze vast blijft zitten.
Heel soms produceren de kwaadaardige plasmacellen geen M-proteïne: non-secreting multipel meyeloom.
Door de ongecontroleerde plasmacellen, kunnen de normale plasmacellen zich niet goed ontwikkelen. Hierdoor zijn de normale antistoffen in het bloed vaak verlaagd en kunnen er niet voldoende gezonde andere bloedcellen worden aangemaakt wat klachten veroorzaakt. Zo krijg je een tekort aan rode bloedcellen wat bloedarmoede als gevolg heeft. De afname van gezonde witte bloedcellen verhoogt de kans op infecties. En het bloed stolt minder goed door een tekort aan bloedplaatjes. Hierdoor kun je bijvoorbeeld sneller blauwe plekken krijgen.
Een non-Hodgkin lymfoom is een zeldzame vorm van lymfklierkanker die op alle leeftijden kan optreden. Het voordeel is dat deze ziekte volledig te genezen is. De naam stamt af van de arts Thomas Hodgkin, die deze ziekte voor het eerst beschreef in de negentiende eeuw. Er bestaan wel 30 tot 40 verschillende varianten van deze ziekte. De precieze oorzaak van de ziekte is nog niet bekend. De ziekte ontstaat in één plaats in het lichaam. Meestal in een lymfeklier, maar soms ook in het beenmerg. Als er sprake is van de ziekte die in het beenmerg (type mantelcellymfoom en type agressief T-cel lymfoom) zit, kan autologe SCT als behandeling gebruikt worden.
Acute myeloïde leukemie (AML) is een vorm van kanker in het bloed en beenmerg. Hierbij is sprake aan een overproductie van onrijpe witte bloedellen, de myeloblasten. Deze verstoren de aanmaak van normale bloedcellen doordat ze zich ophopen in het beenmerg. Ook de onrijpe leukemiecellen kunnen zich door middel van de bloedbaan verplaatsen. Er ontstaat een tekort aan rode bloedcellen, waardoor bloedarmoede optreed. Ook is de kans op bloedingen verhoogd door een tekort aan bloedplaatjes. Het tekort aan leukocyten zorgt voor een verhoogde vatbaarheid voor infecties. De ziekte is op elke leeftijd mogelijk om te krijgen, maar komt vaker bij een leeftijd boven de 60 voor. Ook krijgen over het algemeen meer mannen het dan vrouwen. De oorzaken van AML zijn in de meeste gevallen onbekend, maar wel is bekend dat mensen met hematologische ziekten of met bepaalde genetische aandoeningen, zoals het syndroom van Down, Bloom syndroom en Faconi anemie, een grotere kans hebben op het ontwikkelen van AML.
Ook zijn er andere aandoeningen waarbij stamceltransplantatie mogelijk is om de overlevingskansen van de patiënt te vergroten, maar hierbij is stamceltransplantatie niet de standaard behandeling. Hierbij gaat het vooral om hematologische vormen van kanker, maar ook om andere ernstige ziektebeelden. De kans op herstel in deze situatie met een autologische behandeling wordt nu onderzoek naar gedaan.
Het gaat in deze situatie vooral om eerstelijnsbehandeling van het non-Hodgkin lymfoom, type mantelcel lymfoom, eerstelijnsbehandeling agressief T-cel non-Hodgkin lymfoom, tweede recidief folliculair non-Hodgkin lymfoom en AL amyloidose.
De toepassing van autologe SCT in de behandeling van een ernstige auto-immuunziekte, zoals zeer ernstige reumatische ziekten, zijn niet erg gebruikelijk maar ook mogelijk.
Stamceltransplantatie vindt plaats in een transplantatiecentrum die goed is gekeurd door het ministerie. Deze ingreep wordt alleen gedaan in (vaak Universitaire) ziekenhuizen die een vergunning hebben en over de faciliteiten beschikken. Op de hematologische intensive care (HIC) afdeling wordt het transplantaat getest op kwaliteit en veiligheid. Vervolgens worden de levende stamcellen ingevroren. Na een behandeling van enkele dagen tot een week met een hoge dosis chemotherapie, worden de stamcellen teruggegeven. Vanwege het infectiegevaar bij autologe stamceltransplantatie worden patiënten geïsoleerd verpleegd. Ook krijgen ze een speciaal infuus voor behandeling en worden de stamcellen via het infuus toegediend. De opnameduur, inclusief de hoge dosis chemotherapie, is gemiddeld 25 tot 35 dagen.
Ook is er allogene stamceltransplantatie (allo-SCT). Hierbij krijgt de patiënt stamcellen van een donor toegediend. De toegediende stamcellen zorgen ervoor dat het beenmerg zich herstelt na hoge doseringen chemotherapie. Soms zijn de kansen op herstel groter door het gebruik van cellen van een donor. Ook worden allogene stamcellen gebruikt als de stamcellen van de patiënt zelf niet goed functioneren. Hierbij kun je denken aan bijvoorbeeld een erfelijke ziekte. De donor moet hetzelfde weefseltype (HLA-type) hebben als de patiënt. Meestal wordt er eerst bij familieleden gekeken, als dit niet overeen komt wordt er naar een stamceldonor gekeken met hetzelfde HLA-type. Dit kan worden gevonden dankzij de internationale registratie van donoren.
Allogene stamceltransplantatie is een gevaarlijke, zware behandeling. Er kunnen ernstige complicaties optreden. Toch is de behandeling voor een aantal ziekten inmiddels een standaard behandeling geworden, die de grootste kans heeft op genezing. Dit geldt vooral voor patiënten die jonger zijn dan 65 jaar bij wie er geen medische redenen zijn om de behandeling achterwege te laten.