Essay: …Naam: Gijsbert Klaassen

Essay details:

  • Subject area(s): Dutch essays
  • Reading time: 10 minutes
  • Price: Free download
  • Published on: June 27, 2019
  • File format: Text
  • Number of pages: 2
  • ...Naam: Gijsbert Klaassen
    0.0 rating based on 12,345 ratings
    Overall rating: 0 out of 5 based on 0 reviews.

Text preview of this essay:

This page of the essay has 2785 words. Download the full version above.

Studentnummer: 838804146

Opdracht: Het grondwettelijke toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet

Datum: 15 april 2016

Het grondwettelijk toetsingsverbod

‘De rechter treedt niet in de grondwettigheid van wetten en verdragen’, aldus artikel 120 van de Grondwet. De bepaling brengt met zich mee dat rechterlijke toetsing van de wet in formele zin aan de Grondwet is uitgesloten. Bovendien legt de Hoge Raad het toetsingsverbod ruim uit.

Al bijna 170 jaar is het constitutioneel toetsingsverbod stevig verankerd in onze Grondwet. Een rustig bezit is het niet gebleken. Bij tijd en wijle wordt een scherp debat gevoerd over de wenselijkheid van het toetsingsverbod. In mijn ogen is het toetsingsverbod een van de meest karakteristieke en fascinerende bepalingen van ons constitutioneel bestel. Dit vormt de opmaat voor deze bijdrage, waarin ik het actuele rechtswetenschappelijk debat kritisch beschouw.

De kern van het debat

Volgens Donker Curtius, de politiek architect van de grondwetherziening van 1848, was het toetsingsverbod bedoeld om ‘de wet boven alle bedenkingen te stellen en haar tegen elke aanranding van de uitvoerende, de rechterlijke macht en de plaatselijke autoriteiten te beschermen’. Hij wilde voorkomen dat de rechter zich boven de wetgever zou stellen door wetten te beoordelen en veroordelen. Thorbecke, de grote Nederlandse staatsrechtbeoefenaar, trachtte de grondwetgever in 1848 ervan te overtuigen het toetsingsverbod niet in de Grondwet op te nemen. Door het toetsingsverbod zou volgens Thorbecke ‘de Grondwet ophouden grondwet te zijn’, aangezien de wetgever feitelijk boven de Grondwet zou komen te staan.

Hiermee zijn we bij de kern van de discussie. Wie heeft het laatste woord binnen onze rechtsstaat: de rechter of de wetgever? Artikel 120 Grondwet geeft uitdrukking aan het primaat van de wetgever. De wetgever zal als laatste instantie bepalen hoe we de begrippen ‘godsdienst’ of ‘betoging’ uit de Grondwet moeten interpreteren. De rechter zal die interpretatie moeten volgen.

Moet het grondwettelijk toetsingsverbod worden opgeheven?

Regering en parlement voelden er lange tijd niets voor om het toetsingsverbod op te heffen of in te perken. In 2008 kwam het zover dat de Eerste Kamer een initiatiefvoorstel van het kamerlid Halsema (GroenLinks) aanvaardde. In het voorstel gaat het om het mogelijk maken van toetsing van de formele wet door iedere rechter aan klassieke grondwetsbepalingen. Anno 2016 ziet het er niet naar uit dat de tweede lezing van het voorstel binnen afzienbare tijd afgerond zal worden.

Als het toetsingsverbod wordt opgeheven is het de rechter die in laatste instantie beslist. Hij controleert of het parlement het wel goed heeft gedaan. Wijlen senator Holdijk (SGP) stelde bij de behandeling van het voorstel-Halsema de belangrijke vraag of zo´n constitutionele systeembreuk wel opweegt tegen het bieden van iets meer rechtsbescherming. Het gaat immers niet slechts om een accentverschil, maar om een fundamentele keus voor het ene of het andere constitutionele systeem.

Vereist de rechtsontwikkeling en veranderende samenleving dat het eeuwenoude machtsevenwicht tussen wetgever en rechter doorbroken moet worden? Deze vraag staat centraal. In samenhang met die vraag komt aan de orde of wetten aan iedere grondwetsbepaling getoetst moeten kunnen worden en hoe constitutionele toetsing in ons staatsbestel vorm zou kunnen krijgen.

Een impasse

Gedurende het 170 jaar durende rechtswetenschappelijk debat zijn verschillende argumenten pro en contra constitutionele toetsing de revue gepasseerd. Als principiële argumenten voor en tegen constitutionele toetsing gelden voornamelijk het constitutionele argument, het democratische argument, het trias politica argument en het rechtszekerheidsargument.

De aanleiding voor de indiening van het voorstel-Halsema berust vooral op pragmatische en niet op principiële argumenten. Het zogeheten verdragsargument en de ambitie om de Grondwet meer betekenis te geven in onze snel veranderende pluriforme samenleving zouden de doorslag kunnen geven in de discussie over het toetsingsverbod.

Een wetsvoorstel is een verbetervoorstel

Allereerst vraag ik mij, net als wijlen senator Dölle (CDA), af welk probleem wordt opgelost met constitutionele toetsing. Het gaat immers om een groot principe: moet de wetgever onderworpen zijn aan het oordeel van de voor het leven benoemde rechter, of is het de door de verkiezingen gelegitimeerde wetgever zelf die de grondwettigheid van zijn producten moet bewaken?

Het voorstel-Halsema beoogt onder andere burgers te beschermen tegen ongrondwettige wetten. Ongrondwettige wetten blijken echter zeldzaam. Verschillende rechtsgeleerden stellen dat er maar weinig gevallen zijn waarin de wet wegens strijd met de grondwet een overduidelijke inbreuk opleverde op een grondwettelijk klassiek grondrecht. Hiermee is niet gezegd dat wetten waarover twijfels bestaan net zo zeldzaam zijn.

Volgens Boogaart gaat het niet om de vraag voor welk probleem het voorstel-Halsema een oplossing biedt, maar speelt een veel fundamentelere vraag: ‘Welk probleem mag zich nooit voordoen?’ Boogaart antwoordt: ‘Het mag zich nooit voordoen dat iemand in een concrete procedure alleen symbolisch recht op een eerlijk proces heeft. Daarom moet het mogelijk worden dat de rechter soms aan de Grondwet kan toetsen.’

Het verdragsargument

Het probleem van ongrondwettige wetten lijkt in de praktijk wel mee te vallen. Ik verwacht daarom dat extra bescherming tegen ongrondwettige wetten voor voorstanders van grondrechtentoetsing niet van doorslaggevend betekenis is. Een ander veel gehoord argument is het opheffen van de zogenaamde ‘anomalie’. Daarmee wordt bedoeld dat de wet niet aan de Grondwet mag worden getoetst, maar wel aan verdragen. Sedert de invoering van artikel 94 Grondwet in 1953 is de rechter verplicht de wet, of haar toepassing, te toetsen aan een ieder verbindende bepalingen van verdragen. Verscheidene van die verdragen bevatten vergelijkbare rechten als vervat in onze Nederlandse Grondwet. Het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) is op dit punt het meest van belang.

Het verdragsargument wordt gebruikt om het democratisch argument terzijde te schuiven. Niet alleen Halsema gebruikt het argument. In een kabinetsnota uit 2002 over grondrechtentoetsing staat: ‘Het democratisch argument heeft veel van zijn betekenis verloren sinds de invoering van rechterlijke toetsing aan verdragen. In veel gevallen gaat het bij de toetsing aan verdragsbepalingen om toetsing aan grondrechten die ook in de Grondwet zijn opgenomen. De stap naar rechterlijke toetsing aan de nationale grondrechten is vanuit dit gezichtspunt logisch en beperkt van omvang.’

Het verdragsargument is voor veel rechtsgeleerden de aanleiding geweest te pleiten voor invoering van constitutionele toetsing in Nederland. In 1992 wijst Prakke er al op dat de rechter steeds vaker onze formele wetten aan het EVRM toetst. Daarbij moet wel worden aangetekend dat het maar sporadisch voorkomt dat een rechter wetten buiten toepassing laat wegens strijd met een verdragsbepaling. Het probleem van wetten die strijdig zijn met verdragen lijkt ook wel mee te vallen.

Naar ik meen is er niet zoveel relevants in te brengen tegen het verdragsargument, hoewel er zijn die een andere mening uitdragen. Zij wijzen er op dat de vergelijking tussen de Grondwet en verdrag slechts voor een deel op gaat. De Grondwettelijke grondrechten en verdragen hebben niet dezelfde functie en kennen verschillende toetsingsmaatstaven.

Het verdragsargument in relatie tot sociale grondrechten

Het voorstel-Halsema steunt sterk op het verdragsargument. Opmerkelijk is dat het voorstel slechts strekt om rechterlijke toetsing aan klassieke grondwetsbepalingen mogelijk te maken. Toetsing aan sociale grondrechten wijst Halsema radicaal af. Sociale grondrechten hebben volgens haar een geheel andere juridische betekenis dan klassieke grondrechten. Op grond van artikel 94 Grondwet is echter elke Nederlandse rechter gehouden formele wetten te toetsen aan sociale grondrechten die een ieder verbindend zijn. Het is aan de rechter om vast te stellen of zo’n verdragsbepaling in een concreet geval algemeen verbindend is. In haar voorstel legt Halsema niet uit waarom de Nederlandse rechter in nationale context niet kan waartoe hij in verdragscontext verplicht is. Is hier dan geen sprake van een anomalie? Ik besef dat klassieke en sociale grondrechten naar oorsprong en functie wezenlijk verschillen en toetsing verschillende implicaties kent voor wetgever en burgers. Ik zie echter niet in waarom deze anomalie in stand gehouden moet worden.

Het verdragsargument maakt nog niet dat het toetsingsverbod geschrapt moet worden. Bij zo’n fundamentele aanpassing van de constitutie moet overduidelijk blijken dat de voordelen zwaarder wegen, dan de nadelen die eraan verbonden zijn.

Wie hoort te toetsen?

De rechterlijke functie impliceert dat de rechter over de toetsingsbevoegdheid beschikt. Dit argument wordt al sinds de grondwetswijzing van 1848 aangevoerd door voorstanders van constitutionele toetsing. Zoals al aangegeven meende Thorbecke dat het toetsingsverbod er toe zou leiden dat de Grondwet zou ophouden grondwet te zijn, omdat het de wetgever boven de Grondwet zou plaatsen. Thorbecke ging er kennelijk van uit dat regels alleen worden nageleefd als zij door een derde worden gehandhaafd. In het voorgaande heb ik echter onderkend dat het aantal wetten wat ontegenzeggelijk in strijd is met de Grondwet mee valt. De wetgever acht zich kennelijk aan de Grondwet gebonden. En waaruit blijkt nu dat de rechter hoort te toetsen en niet de wetgever of het bestuur? Het is een ‘petitio principii´. Dat toetsing tot de essentie van de rechterlijke taak behoort is niet te bewijzen. Vooropgesteld moet worden dat het recht of de plicht tot constitutionele toetsing niet uitsluitend met de rechtelijke macht geassocieerd hoeft te worden.

Is het de wetgever die moet toetsen? Everse leest in artikel 120 van de Grondwet een toetsingsverplichting aan de wetgever. Ze stelt: ‘De inherente plicht tot constitutionele toetsing, die a contrario uit artikel 120 Grondwet voortvloeit, stelt aan de wetgever de eis dat hij zijn eigen wetten grondig toetst aan de grondwettelijke grondrechten.’ Vervolgens geeft Everse uitleg: ‘Het parlement heeft als medewetgever de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat wetgeving van hoogstaande kwaliteit is en dus voldoet aan grondwettelijke eisen. Daarom is het primair de taak van het parlement om de bescherming van grondrechten te garanderen. Wanneer voorgestelde wetgeving die bescherming van grondrechten niet garandeert, heeft het parlement de taak om amendementen te produceren.’ In de redenering van Everse kan ik mij vinden. Dat het parlement zich aan de Grondwet moet houden is voor mij een vanzelfsprekendheid.

Geen rechtsgeleerde zal ontkennen dat onze rechtstaat in beweging is. Het functioneren van staatsorganen en staatsinstellingen staan voortdurend ter discussie. De verhouding van de wetgevende, uitvoerende en de rechterlijke macht blijkt niet statisch, maar dynamisch. Heeft deze dynamiek ertoe geleid dat de onafhankelijk rechter de wetgever moet kunnen controleren?

Als gevolg van de toenemende verschuiving van de macht van de wetgever naar het bestuur lijkt het noodzakelijk evenwicht minder te worden. De zogenaamde ‘terugtred van de wetgever’ is hiervoor een belangrijke aanwijzing. De terugtred van de wetgever laat zich zien door verregaande delegatie van wetgevende bevoegdheden en toekenning van discretionaire bevoegdheden aan het bestuur. De democratisch gelegitimeerde volksvertegenwoordiging verschuift hierdoor als vanzelf meer naar de achtergrond. In een systeem van machtsevenwicht dienen de checks and balances tegenwicht te bieden aan onevenwichtige verschuivingen. Voorstanders van constitutionele toetsing menen dat waar de macht van de klassieke volksvertegenwoordiging dreigt te verminderen, de rechter een taak toekomt in de individuele rechtsbescherming.

Het gegeven dat de macht steeds meer wegschuift van de wetgevende macht is wat mij betreft niet direct reden om nog meer macht bij het parlement weg te nemen. De democratisch gelegitimeerde volksvertegenwoordiging zou ook haar centrale rol in de wetgeving weer meer kunnen oppakken.

Waar gaat het eigenlijk om?

Naast de kwestie of een machtsverschuiving wel wenselijk is, is het ook belangrijk te bedenken of de rechter wel de geschikte instantie is om definitieve oordelen te geven over hoe we onze Grondwet uitleggen. Voordat ik die vraag behandel wil ik helder maken waar de voorstanders van grondrechtentoetsing op uit zijn. Ik heb namelijk niet de indruk dat het hen primair gaat om extra rechtsbescherming of omdat rechters regelmatig wetten buiten toepassing laten wegens strijd met verdragen. Zij verwachten van grondrechtentoetsing een opleving van de Grondwet of zelf een ‘pacificatie van de pluriforme samenleving’, zoals Sillen dat noemt.

De door het kabinet ingestelde ‘Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk’ adviseerde in het jaar 2000 het toetsingsverbod in te perken om te voorkomen dat de Grondwet zou verworden tot symboolwetgeving. In vergelijkbare zin heeft de Staatscommissie Grondrechten in 2010 haar verwachting kenbaar gemaakt door te stellen dat afschaffing van het toetsingsverbod het normatieve karakter van de Grondwet kan versterken en de betekenis van de Grondwet voor de burger kan vergroten.

De ambities van het voorstel-Halsema lijken verder te reiken. In de memorie van toelichting geeft Halsema aan dat debatten over botsende belangen, en soms zelfs botsende grondrechten, in een pluriforme samenleving onvermijdelijk zijn. Ze verwacht dat door constitutionele toetsing ‘een publiek forum wordt geschapen om deze noodzakelijke debatten op respectvolle en vreedzame wijze te kunnen voeren’. Van dat publieke, rechterlijke, forum heeft Halsema een forse verwachting: ‘De Grondwet kan zo op een open manier worden geconfronteerd met nieuwe waarden en opvattingen, voordat de wetgever dwingend optreedt en de uitkomst van die debatten in nieuwe wetgeving dicteert.’

De rechter krijgt hiermee niet alleen het laatste woord over de grondwettigheid van wetten, maar krijgt ook de rol van ‘vredestichter’. Verwacht wordt dat hij met partijen beraadslaagt om tot een voor alle partijen gunstige oplossing te komen, waarna de wetgever aan zet is om de beslissingen in wetgeving te vatten. Ik betwijfel of deze ambitie van Halsema realistisch en wenselijk is.

De rechter als uitlegger van de Grondwet

Het zal niet gemakkelijk zijn om te beoordelen of de wet met een van de grondrechten in strijd is.

Grondrechten zijn immers veelal ruim en vaag geformuleerd zijn. De tekst van de diverse grondrechten biedt weinig tot geen toetsingscriteria om een wet aan te kunnen toetsen. Die vage formulering van grondrechten heeft een betekenisvolle achtergrond. Onze grondrechten zijn tot stand gekomen na uitvoerige debatten in het parlement en vormen daarmee een weerslag van een ‘verstilde politieke strijd’. Begrippen als ‘godsdienst’ en ‘betoging’ zijn daarmee per definitie politiek en moreel geladen. Dit betekent, naar mijn mening, dat het niet mogelijk is objectief vast te stellen dat een wet met de Grondwet in strijd is. Tot hoever een grondrecht reikt en wat de kern van een grondrecht is vergt afwegingen van morele aard. Met het resultaat van zo’n afweging kan men het eens of oneens zijn. Bewijzen dat het waar of onwaar is, kan naar mijn overtuiging niet.

De rechter zal de grondwettigheid van wetten niet op een andere manier beoordelen dan de wetgever.

Hij kan het meningsverschil dat partijen verdeeld houdt niet oplossen door op een respectvolle en vreedzame wijze de dialoog aan te gaan. Bij toetsing van de wet aan de Grondwet zijn morele of politieke voorkeuren beslissend. In het parlementaire debat kan daarover op een open wijze worden gediscussieerd. In de rechtszaal is daar geen plaats voor.

Hoe kan constitutionele toetsing het beste ingevuld worden?

Halsema stelt voor dat constitutionele toetsing gaat behoren tot de taakuitoefening van iedere rechter. Dit wordt gespreide toetsing genoemd. Nadrukkelijk is niet gekozen voor een systeem waarbij er een constitutioneel hof of ander rechtscollege in het leven wordt geroepen als uitlegger van de Grondwet. Gespreide toetsing zou binnen het bestaande rechtsstelsel passen omdat de toetsing aan internationale verdragen in Nederland ook via gespreide toetsing geschiedt. Een geconcentreerd stelsel voor constitutionele toetsing zou leiden tot twee systemen naast elkaar. Daarbij komt dat er geen zuiver onderscheid bestaat tussen de toetsingsgronden aangezien de grondrechten in verdragen en de grondwettelijke grondrechten dezelfde strekking hebben. Dit maakt het eigenlijk praktisch onmogelijk om twee stelsels naast elkaar te hanteren. Is een volledig geconcentreerd stelsel een alternatief? Los van inhoudelijke bezwaren is dit niet mogelijk omdat op grond van het Unierecht elke nationale rechter verplicht is bepalingen van gemeenschapsrecht toe te passen en wetgeving die in strijd is met communautaire wetgeving buiten toepassing te laten.

Wanneer rechtelijke toetsing aan onze nationale grondrechten werkelijkheid wordt past gespreide toetsing. Maar wat mij betreft neemt het parlement zijn taak serieus en houdt het laatste woord over onze Grondwet. We hoeven de rechter niet met een grondrechtentoets op te zadelen. Beter kan het parlement bedenken wat het zelf beter zou kunnen doen. Een blik over de grens kan wellicht uitkomst bieden. Everse laat met een rechtsvergelijkend onderzoek zien dat het Britse parlement zich aardig heeft gedisciplineerd om fractieoverstijgend te denken als het om grondrechten gaat. Volgens haar zijn daar voldoende tools voorhanden, zoals het gebruiken van uitgebreide checklists voor de interpretatie en toepassing van grondrechten en het instellen van een brede Kamercommissie voor constitutionele zaken.

Een ongewenste systeembreuk

Ik maak de balans op. De gevolgen van het opheffen of inperken van het toetsingsverbod zijn nauwelijks te taxeren. Duidelijk is wel dat het probleem wat met rechterlijke constitutionele toetsing wordt opgelost klein is. In een enkel individueel geval kan toetsing aan onze Grondwet rechtsbescherming aan een burger bieden die hij niet zou genieten bij toetsing van de wet aan algemeen verbindende verdragsbepalingen. Daartegenover staat dat het opheffen of inperken van het toetsingsverbod leidt tot een systeembreuk in ons constitutioneel bestel. Het vertrouwde machtsevenwicht tussen wetgever en rechter wordt doorbroken. Evenals de wetgever zal de rechter zich bij de interpretatie van de Grondwet laten leiden door politieke en morele overtuigingen. Wat mij betreft houdt het parlement het laatste woord over onze Grondwet en blijft het grondwettelijk toetsingsverbod verankerd.

About Essay Marketplace

Essay Marketplace is a library of essays for your personal use as examples to help you write better work.

...(download the rest of the essay above)

About this essay:

This essay was submitted to us by a student in order to help you with your studies.

If you use part of this page in your own work, you need to provide a citation, as follows:

Essay Marketplace, …Naam: Gijsbert Klaassen. Available from:<https://www.essaymarketplace.com/dutch-essays/paste-your-essay-in-here-naamgijsbert-klaassen/> [Accessed 10-07-20].

Review this essay:

Please note that the above text is only a preview of this essay.

Name
Email
Review Title
Rating
Review Content

Latest reviews:

Leave a Comment

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.