Rond het jaar 1000 hielden in Europa de invallen op van agressieve volken, zoals de Hunnen en de Vikingen. Dat zorgde voor veel rust. In de drie eeuwen verdubbelde de bevolking. De economie groeide en opnieuw weden er nieuwe steden gecreëerd. - Essay Marketplace

Rond het jaar 1000 hielden in Europa de invallen op van agressieve volken, zoals de Hunnen en de Vikingen. Dat zorgde voor veel rust. In de drie eeuwen verdubbelde de bevolking. De economie groeide en opnieuw weden er nieuwe steden gecreëerd.

De groeiende bevolking kon worden gevoed doordat de landbouw steeds werd uitgebreid en verbeterd. In een jaar was er genoeg oogstoverschot om het te verhandelen. Boeren verkochten hun producten (zoals wijn en vlees),op de markten die ontstonden waar wegen elkaar kruisten, of bij kloosters en kastelen. Op deze plaatsen groeiden steeds nieuwe steden. Steden werden nog meer afhankelijk van de boeren uit de omgevingen.

De stad en de handel hoorden erg bij elkaar. Ook kwamen er ambachten: zoals bakkers, timmerlui en wevers.

Maar in sommige gebieden werden steden na een tijdje zo rijk en groot, dat ze staten op zich werden. Ook wel stadstaten genoemd.

De eerste stadsbewoners beleefden een bijzondere en unieke vrijheid. Ze hadden van de graaf/hertog toestemming gekregen om een aparte gemeenschap te vormen, met een eigen bestuur en eigen rechtspraak. In ruil betaalden alle stadsbewoners belasting. De heer liet wel iemand in de stad toezicht houden: de schout of baljuw. De heren werden minder afhankelijk van de verschillende opbrengst van hun eigen land en hadden ook de horigen niet meer nodig. De invloed van de adel nam hierdoor wel sterk af.

Door slechte hygiëne en grote branden dreigde er vaak honger in het land. Daarom moest de stadsbevolking voortdurend worden aangevuld met nieuwe burgers (van het platteland). De horigheid verdwenen. Nieuwe dorpen die ontstonden, konden ook privileges (speciale rechten) krijgen van hun heren.

Van het geld van de belasting werden muren, pleinen, straten en bruggen gebouwd om vijandige volken buiten te houden. Ambachtslieden vormden een gilde (samenwerkingsverband van ambachtslieden). Een gilde zorgde voor de leden van de wieg tot het graf, regelde de opleiding in het ambacht, lette erop dat de producten van goede kwaliteit waren, stelde prijzen vast , zorgde ervoor dat buitenstaanders niet hetzelfde beroep konden uitoefenen in de stad etc.  Binnen een gilde waren meesters de baas over de leerlingen (zoals in een klas). Als een leerling zijn opleiding had voltooid, werd hij een gezel.

In de steden waren de kooplieden erg rijk. Vaak waren dat maar een handjevol families. Tussen deze families ontstonden vaak grote ruzies.

Waar voorheen de koningen van het ene hof naar het andere reisde om hun macht te bevestigen, kozen vorsten nu een stad als centrale plaats en probeerden van daaruit steeds meer macht te krijgen in hun koninkrijk(en). Dit noemen we: centralisatie.

Het begin van staatsvorming bestond uit:

Koningen die belasting hieven, met het geld konden ze de trouw van hun leenmannen ‘kopen’, en legers en ambtenaren betalen, met behulp van de ambtenaren probeereden koningen regels in te voeren die voor alle inwoners van hun rijk golden en ze traden op als hoogste rechters.

De machtige hertog had het recht om samen hun koning te kiezen, die vervolgens kon proberen keizer te worden. Maar het lukte alleen de sterkste keizers om de macht van de grote hertogen wat te beperken. De hertogen waren niet afhankelijk van de keizers.

De adelen werd minder machtig. Leenmannen waren niet veilig in hun kasteel door de opkomst van een nieuw wapen, het kanon. Maar de koning had door de centralisatie wel steeds meer geld nodig en daarvoor was hij onder andere afhankelijk van de adel. Om daarover afspraken te maken ontstonden de parlementen van de Staten-Generaal. Dit waren vergaderingen van de drie standen: adel, geestelijkheid en de burgers. De vorst deed het parlement beloftes in ruil voor geld en andere steuningen.

De Duitse keizer en de paus zagen zichzelf in de middeleeuwen allebei als de opvolger en erfgenaam van de Romeinse keizer(s). Dit leidde in de 11e eeuw tot een heftige conflict. Vorsten en andere leken, mochten zich niet meer bemoeien met de kerk. De paus vond dat hij keizers af moest zetten als ze tegen de wil van God ingingen. De keizer had flink wat invloed in de kerk, dus hij vond,: (evenals andere wereldlijke) heersers dat het zo moest blijven dat hij het laatste woord had. Zo gaf hij de bisschoppen in zijn/hun rijk bij hun benoeming de bijbehorende staf en ring. Met deze overhandiging van de symbolen van hun geestelijke macht, had hij hun benoeming in handen. De bisschoppen waren steunpilaren van de macht van de keizer, omdat hij wereldlijke macht gaf als hertog of graaf.

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.