Thesis: Differentieeren aan de hand van de 10 leerbreinprincipes - Essay Marketplace

Thesis: Differentieeren aan de hand van de 10 leerbreinprincipes

Hoofdstuk 1 – Inleiding
In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de aanleiding (1.1), probleemstelling (1.2) doelstelling (1.3), onderzoeksvraag (1.4) en relevantie van dit onderzoek beschreven.
1.1 Aanleiding
De aanleiding van het onderzoek komt voort uit het toenemend aantal leerlingen met een lwoo-indicatie(leerwegondersteunend onderwijs) binnen het opleidingsniveau 2 kok in het regulier onderwijs. De hoge mate van toestroom wordt deels veroorzaakt door de invoering van de kwalificatieplicht in 2007 door de Rijksoverheid. De Rijksoverheid (2014) stelt als eis dat jongeren tussen de 16 en 18 jaar onderwijs moeten volgen en een startkwalificatie havo, vwo of mbo behalen. Uit onderzoek van de Onderwijsinspectie (2009) blijkt dat, door het instellen van de kwalificatieplicht de toestroom van leerlingen met een lwoo achtergrond is gestegen.
Om het onderwijs te verbeteren, is sinds augustus 2014 de wet op ”passend onderwijs” van kracht. Dit houdt in dat alle leerlingen met een lwoo-indicatie recht hebben op een plek op school. Bij het plaatsen van leerlingen met een lwoo-indicatie moet de school rekening houden met de kwaliteiten en de zorgbehoefte van de leerling. De scholen hebben vanaf augustus 2014 een zorgplicht. Dit betekent dat de school verantwoordelijk is voor de zorgbehoefte van de leerling met een lwoo-indicatie. Hierbij heeft de school de plicht bij iedere leerling die deelneemt of zich aanmeldt een passende plek te verzorgen. De school kan dit aanbieden binnen de eigen school, op een andere reguliere school of binnen het speciaal onderwijs. In een schoolondersteuningsprofiel geven de scholen weer welke ondersteuning en zorg zij kunnen bieden aan de leerling met een lwoo-indicatie. (Passend onderwijs, 2014)
Binnen De Rooi Pannen wordt deelgenomen aan het ”project puberbrein”. Dit project heeft als doel een doorlopende leerlijn te cre??ren tussen het vmbo en het mbo en hierbij activerend onderwijs te bevorderen. Binnen dit project wordt er een samenwerkingsverband aangegaan tussen diverse scholen, het bedrijfsleven en externe partijen. Het komen tot een maatschappelijk brede aanpak is hierbij de sleutel om te kunnen innoveren binnen de scholen, wat betreft de benadering en scholing van de leerling (Puberbreinbreda, 2014).
Uit het onderzoek van Thomas en Hesseling (2013) komt naar voren dat de ontwikkeling van competenties van leerlingen die deelnemen aan het project positief is. Het project puberbrein heeft een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van de competenties bij leerlingen zoals reflecteren, samenwerken en flexibiliteit. Enig minpunt is het uitblijven van verbetering tot de competentie plannen en organiseren. Voor de docent in de klas betekent het project dat er een kans ligt om te kunnen innoveren als het gaat om de aanpak in de klas. Om de vernieuwingen te ontwikkelen, zijn er bijeenkomsten geweest waarbij de aanpak is geformuleerd. (Puberbreinbreda, 2014)
1.2 Probleemstelling
Binnen De Rooi Pannen krijgt de docent door de invoering van de kwalificatieplicht en de wet op passend onderwijs steeds meer te maken met leerlingen die een lwoo-indicatie hebben. De toename aan leerlingen met een indicatie is de afgelopen drie jaar gestegen met vijftien procent dit komt neer op ongeveer vijf leerlingen per klas. Het is belangrijk om als docent pedagogisch en didactisch te leren handelen met de problematiek van een leerling die een indicatie heeft. Het cre??ren van een verantwoord zorg- en leerklimaat maakt dat een leerling beter tot zijn recht kan komen binnen het regulier onderwijs. De tijdsdruk en de grootte van de groepen zijn facetten waarmee een docent moet leren omgaan. Op een verkeerde manier handelen bij een problematiek zoals faalangst kan bij een leerling leiden tot verergeren van de klachten. Dit kan negatief bijdragen aan de ontwikkeling van de leerling op sociaal-emotioneel gebied omdat een succeservaring uitblijft met als gevolg dat de leerprestatie verminderd (Bresser,2013).
Binnen de praktijkles koken is het een uitdaging om rekening te houden met het individu. Hierbij kan de docent ondanks de studiedagen en het project puberbrein (2014) extra ondersteuning gebruiken in het differenti??ren op het individu in de klas. De extra ondersteuning aan de docent kan een bijdragen leveren om te komen tot een verbeterde aanpak met betrekking tot het vinden van de aansluiting bij de leerling met een lwoo-indicatie. Met aansluiting vinden bij het individu wordt bedoeld, het voorzien in de zorg- en leerbehoefte van de leerling met een lwoo-indicatie. Dat brengt ons op het volgende probleem:
”De invoering van de kwalificatieplicht en de wet op passend onderwijs zorgen voor een toeloop van leerlingen met een lwoo-indicatie in het regulier onderwijs. De docent binnen het regulier onderwijs is niet voldoende voorbereid, om te zorgen voor een verantwoord zorg- en leerklimaat”.
1.3 Doelstelling
In dit onderzoek wordt onderzocht wat de randvoorwaarden zijn die nodig zijn voor een docent om te komen tot een verantwoord werk- en leerklimaat. Het doel van het onderzoek is om een verbeterd zorg- en leerklimaat te cre??ren voor zowel de leerling, docent als de school. De resultaten worden meegenomen in een advies, die worden beschreven in een aanbevelingsrapport voor De Rooi Pannen locatie Breda.
De doelstelling binnen dit onderzoek is om de voorwaarden helder te krijgen om op een verantwoordelijke manier te kunnen voorzien in de zorg- en leerbehoefte met betrekking tot de leerling met een lwoo-indicatie. Hierbij gaat het voornamelijk om het verbeteren van de praktijkles koken niveau 2 eerstejaars. Het onderzoek draagt bij aan het verkrijgen van kennis en inzicht met betrekking tot het onderwijs aan leerlingen met een lwoo-indicatie zowel op beleidsniveau als op klassenniveau. Differenti??ren is belangrijk voor zowel de docent als de leerling. Iedere leerling heeft talenten waar de docent op in kan spelen zodat de leerling zich optimaal kan ontwikkelen. De docent in de klas kan een verantwoord klimaat cre??ren door het bieden van voldoende ondersteuning en het vormen van voldoende structuur en regelmaat.
1.4 Onderzoeksvraag
In dit onderzoek staat de volgende vraag centraal met betrekking tot de probleemstelling.
Op welke manier kan een docent, die les geeft binnen de reguliere opleiding kok niveau 2, rekening houden met de zorg- en leerbehoefte van de leerling met een lwoo-indicatie tijdens de praktijkles koken’?
1.5 Relevantie
Relevant voor de praktijkdocent koken is dat het zorg- en leerklimaat voor leerlingen met een lwoo-indicatie verbetert. Een docent moet zich blijven ontwikkelen. Dit kan hij doen door zich in bestaande methodes voor praktijklessen koken te verdiepen en zich te specialiseren in de verschillende gedrags- en leerproblematieken van leerlingen. Het verwerven van nieuwe kennis en inzichten dragen bij dat de leerling met een indicatie op een verantwoorde manier kan werken aan zijn ontwikkeling. De relevantie op schoolniveau is dat verbeterpunten aan de orde komen met betrekking tot een verantwoord zorg- en leerklimaat, waarin de leerling met een indicatie en de praktijkdocent koken kunnen functioneren. Dit wordt meegenomen in een advies binnen dit onderzoek.

Hoofdstuk 2- Theoretisch kader
In dit hoofdstuk wordt het theoretisch kader beschreven van dit onderzoek dat gericht is op differenti??ren in de praktijkkookles met betrekking tot leerlingen met een lwoo indicatie. Daarbij wordt eerst ingegaan op Randvoorwaarden binnen de school (2.1). Vervolgens worden voorwaarden om te kunnen differenti??ren in de klas beschreven (2.2) waarna de rol van de docent als pedagoog wordt beschreven (2.3). Tenslotte volgt een samenvatting van differenti??ren volgens de 10-breinprincipes (2.4), waarna het hoofdstuk eindigt met het formuleren van de deelvragen (2.5).
2.1 De randvoorwaarden binnen de school
Met de invoering van passend onderwijs in augustus 2014, probeert de overheid het onderwijs te verbeteren. Om te komen tot verbetering vergt voor de scholen een herziening op de traditionele aanpak binnen de school. Om een bredere aanpak te kunnen vormen wordt gestimuleerd om regionaal te gaan samenwerken. Binnen deze samenwerkingsverbanden zitten de diverse scholen van zowel het primaire onderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, AOC’s als ROC’s. Naast de scholen bevinden zich onder andere instellingen in het samenwerkingsverband zoals, Bureau Jeugdzorg en Centra indicatie stelling Zorg. Het doel is om te komen tot een daadkrachtige aanpak en het verbeteren van de leerlijnen (Broesder, et al., 2010). Binnen De Rooi Pannen wordt samengewerkt met diverse partijen. De Rooi Pannen werkt nauw samen met scholengemeenschap Tessenderlandt Breda en het Radiuscollege. Binnen deze samenwerking is het project Puberbrein(2014) ontstaan. Het Radiusconcept is gebaseerd op ”10 leerbreinprincipes” hierbij is de visie dat iedere deelnemer binnen het onderwijs op zijn eigen manier kan leren zo ook de leerling met een indicatie.
Breinprincipes gaan uit van het kunnen leggen van de focus op een onderwerp of activiteit. De aandacht kan enerzijds onbewust zijn door een automatisch reactie op een gebeurtenis. Anderzijds kan bewust de aandacht gelegd worden op een leertaak of activiteit. De hersenen reageren op de leertaak of activiteit die wordt ondergaan. De visie van het BCL (2014) op leerbreinprincipes is: hoe bewuster de leerling een keuze maakt hoe beter hij de focus kan leggen tot de leertaak of de activiteit (BCL, 2014). Het doel van het project puberbrein is een betere aansluiting vinden op de leerbehoeften van leerlingen. Hierbij wordt ingespeeld op het cognitief en sociaal-emotioneel leren van iedere leerling om te kunnen differenti??ren. (Puberbreinbreda, 2014)
2.2 Voorwaarde om te differenti??ren in de klas
In het lectoraat Flex college: op zoek naar een effectieve benadering van zorgleerlingen, beweert Steenvoorde (2014) dat de optimale begeleiding voor risicovolle jongeren niet bestaat. Binnen het onderwijs bestaan een aantal factoren die relevant zijn om eventuele successen te kunnen boeken volgens de auteur. Om dit te bewerkstelligen zijn de volgende factoren belangrijk voor een docent; De persoonlijke relatie met de leerling, structuur en duidelijkheid, consequent handelen. Op die manier cre??ert de docent overzicht en rust voor de leerling. Hierin moet de docent duidelijke afspraken maken en uitspreken in de leerling te geloven. Deze factoren zijn randvoorwaarden om aan een verantwoord zorg- en leerklimaat te kunnen voldoen.
Deze factoren kunnen in ‘?n adem genoemd worden met de rol van een docent. Volgens Berben en van Teeseling (2014) is de rol van een docent in te delen in vijf rollen: gastheer, presentator, didacticus, pedagoog en afsluiter. Naast de vijf rollen zijn drie andere niveaus, die van invloed zijn om op een verantwoorde manier aansluiting te vinden bij de leerling. De tweede fase is passende werkvormen; hoe actiever de leerling participeert in het leerproces, hoe meer de focus ligt op de lesstof. De rol van de docent onder andere de werkvormen aanpassen aan de leerling, zodat hij wordt geactiveerd om mee te doen. Hiervoor is het belangrijk om haalbare doelen te stellen, die bereikbaar zijn binnen de tijd van de les. Een docent zal de tijd verantwoord moeten indelen en de les in fases op moeten bouwen. Met andere woorden een les moet de volgende opbouw hebben volgens de auteurs:
AD-model:
Terugblik, ori??ntatie, uitleg en instructie, begeleide oefening, zelfstandig verwerken, evaluatie en terugblik.
Het derde niveau betreft volgens de auteurs het omgaan met verschillen. Het omgaan met verschillen is voor een docent weten wanneer en hoe hij de leerling de lesstof aanbiedt. Bovendien moet hij bewust alternatieven kunnen aanbieden als de reguliere methode niet aanslaat. Dit is een vaardigheid die vooral bij een leerling met een zorgindicatie belangrijk is. Dit kan zowel zijn op sociaal-emotioneel vlak als op cognitief niveau. De laatste fase is volgens de auteurs zelfregulatie. Binnen deze fase is het voor een docent belangrijk om te kunnen coachen en begeleiden. De leerling aanleren om eigen doelen te kunnen stellen en hierbij leren het eigen leerproces te bewaken is onderdeel van de taak van de docent. Hierbij moet een docent het leerproces bewaken en de doelen helpen te concretiseren (Berben & Van Teeseling, 2014).
2.3 De docent als pedagoog
Het BCL (2014) heeft een methode ontwikkeld die in gaat op het benoemen van positief benaderen van leerpunten. Hierbij is het voor de docent belangrijk om de leerling te stimuleren en te motiveren, zodat de leerling toegankelijk is om optimaal deel te nemen binnen het leerproces (BCL, 2014).


Autonomie en Status
”Het BCL(2014) geeft aan dat autonomie en status te maken heeft met het emotioneel brein”. De hersenen maken dopamine aan waardoor de leerling meer openstaat om te kunnen leren. Door een leerling verantwoordelijk te maken voor zijn eigen leerproces en hem te belonen staat het brein open voor de doorstroom van dopamine. Het resultaat is dat een leerling creatiever wordt binnen het leerproces. Als een situatie ontstaat waarbij de leerling minder zelfstandigheid heeft, kan het zijn dat de focus niet meer gericht wordt op de leertaak of activiteit met als gevolg dat het leerproces in gevaar komt. De focus kan niet meer gelegd worden tot de leertaak, waardoor de aanmaak van dopamine stopt. Het niet meer kunnen leggen van de focus op de leertaak of activiteit vormt een belemmering in ons creatieve denkvermogen, door de aanmaak van adrenaline (BCL, 2014).
De visie van het BCL (2014) is:
– het geloof in eigen ontwikkeling;
– het geloof in ontwikkelbaarheid van anderen en;
– het geloof de anderen in zijn ontwikkelbaarheid.

Overtuiging Over Ontwikkelbaarheid
”Het BCL (2014) geeft aan dat; de overtuiging over ontwikkelbaarheid het cognitieve gedeelte is van de methode”. Binnen dit proces worden de lijnen uitgezet in samenspraak met de leerling. De docent uit zijn vertrouwen in de leerling. De focus moet gericht worden op de leertaak, hierbij is het belangrijk dat de leerdoelen helder zijn. Volgens de auteur zijn de OOO sterk in het bepalen of iemand zijn ontwikkelpotentieel waar kan maken. Hierbij zijn een aantal onderwerpen relevant (BCL, 2014):
De visie van het BCL (2014) is:
– de concrete feedback op aanpak, proces en inspanning;
– de proud to be vout;
– de voorbeelden van eigen leren, fouten en doorzetten en;
– de maakbaarheid van het brein.

2.4 Differenti??ren volgens de ”10 leerbreinprincipes”
De hoofdvraag binnen dit onderzoek heeft betrekking op het differenti??ren naar leerlingen met een lwoo-indicatie. Tijdens de literatuurstudie is op beleidsniveau en klassenniveau gezocht naar theorie waarin de voorwaarde beschreven zijn om te kunnen differenti??ren op met name pedagogisch en didactisch benadering. Samenvattend bestaat het theoretisch kader uit de volgende onderdelen: de rollen van de docent, differenti??ren aan de hand van de ”10 leerbreinprincipes” en de docent als pedagoog. Volgens Berben en van Teeseling (2014) vraagt het differenti??ren op gedragskenmerken voor een docent dat hij verschillende rollen kan hanteren, om zowel op pedagogisch als didactisch vlak te voorzien in de zorg- en leerbehoefte van een leerling. De verschillende rollen zijn; presentator, gastheer, pedagoog, didacticus en afsluiter. Naast de vijf rollen zijn drie niveaus waarop de docent kan differenti??ren. De niveaus zijn hierbij; omgaan met verschillen, werkvormen, zelfregulatie. Binnen De Rooipannen wordt gewerkt aan de hand van de ”10 leerbreinprincipes”. De ”10 leerbreinprincipes” differentieert de docent op verschillen in kenmerken van het brein (BCL,2014). Dit kan zijn op sociaal-emotioneel vlak of op cognitief niveau. Breinprincipes gaan uit van de werking van het brein bij leerlingen tussen de achttien en zesentwintig jaar. Het richt zich tot het leggen van de aandacht op de leertaak of activiteit dit kan bewust of passief zijn. De hersenen maken dopamine aan waardoor de leerling meer openstaat voor het leerproces. Om te zorgen dat de leerling de focus kan behouden is het belangrijk om hem verantwoordelijk te maken en hem op een juiste manier te benaderen.
Volgens het BCL (2014) is de ASOO-benadering onderdeel van de ”10 leerbreinprincipes”. ASOO-benadering wil zeggen dat de docent als pedagoog vooral positiefgedrag benoemd en negatiefgedrag positief benaderd. Zonder vertrouwen is het lastig om deel te nemen voor een leerling binnen een verantwoord zorg- en leerklimaat. De basis ligt in duidelijkheid en structuur. Hierbij is het als didacticus belangrijk om duidelijke afspraken te maken en leerdoelen helder te stellen binnen een haalbaar tijdspad met het oog op een krachtig en veilige leeromgeving, waarin de basis wordt gelegd voor een verantwoord zorg- en leerklimaat. Vervolgens moet de docent consequent zijn in het naleven van de afspraken en het controleren van de leerling. Op een positieve manier omgaan met het geven van feedback en tijdens bijvoorbeeld een evaluatie is de rol als afsluiter voor een docent om het beste uit de leerling met een indicatie te kunnen halen. De docent is als dopaminedealer verantwoordelijk om de leerling te activeren deel te nemen binnen het leerproces in de klas. De entertainer moet zorgen voor genoeg afwisseling in het aanbieden van lesstof in de klas.
2.5 Deelvragen
Binnen het onderzoek ligt de focus op de behoefte van de leerling met een lwoo-indicatie die deelneemt binnen het regulier onderwijs. Het onderzoek vindt plaats binnen De Rooi Pannen.
Deelvraag 1:
– Op welke wijze kunnen de voorwaarden worden geschapen om aan de zorg- en leerbehoeften van leerlingen met lwoo-indicatie te voldoen binnen De Rooi Pannen?

Deelvraag 2:
– Op welke manier kan door middel van de ”10 leerbreinprincipes” die binnen De Rooi Pannen Breda gelden aansluiting gevonden worden bij de leerling met een lwoo-indicatie binnen de praktijkles koken’?
Hoofdstuk 3- Methode

In dit hoofdstuk wordt de methode van het onderzoek uiteengezet. Achtereenvolgens worden de participanten (3.1) en de instrumenten (3.2) beschreven, waarna ingegaan wordt op de gehanteerde procedure (3.3) en de analyses (3.4) in het onderzoek
3.1 Participanten
Het onderzoek is gericht op leerlingen en praktijkdocenten koken binnen de afdeling horeca op De Rooi Pannen in Breda. De leerlingen die hebben deelgenomen aan dit onderzoek zijn twintig eerstejaars leerlingen binnen de opleiding niveau 2 kok BOL. Deze keuze komt voort uit het gegeven, dat binnen de opleiding kok niveau 2 BOL veel leerlingen met een lwoo-achtergrond zitten. De keuze voor vijf praktijkdocenten is gemaakt, omdat deze doelgroep actief is binnen de dagelijkse onderwijspraktijk binnen De Rooi Pannen.
Tijdens het onderzoek is gebruik gemaakt van vier experts die ervaring hebben met betrekking tot de lwoo-leerling. De eerste expert is de zorgco??rdinator, deze is elf jaar werkzaam binnen de school. De zorgco??rdinator heeft inzichtelijk wat op dit moment aan de orde is met betrekking tot de lwoo-leerling op De Rooi Pannen. De tweede expert is een medewerker van het bureau onderwijs, zij is verantwoordelijk voor de onderwijskundige ondersteuning binnen De Rooi Pannen. Dit bureau is een intern orgaan wat zich onder andere heeft toegelegd op het implementeren van nieuwe lesmethodes binnen de school.
Naast de interne groep bestond de groep nog uit twee docenten die lesgeven binnen het speciaal onderwijs dus buiten De Rooi Pannen. Net als op De Rooi Pannen verzorgen deze docenten de praktijk- en theorielessen koken. De experts hebben ruime praktijkervaring met zorgproblematieken met betrekking tot een leerling met een lwoo-indicatie.
3.2 Instrumenten
In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse meetinstrumenten namelijk interviews, een enqu??te en een groepsinterview.
3.2.1 Interview interne experts
Met de zorgco??rdinator en de onderwijskundige werd tegelijk een interview gehouden met betrekking tot de leerbreinprincipes en de zorg voor de leerling (zie bijlage 1- Interviews en enqu??te). In het interview is het relevant in hoe ver De Rooi Pannen zorg kan bieden aan de lwoo-leerling. De volgende topics staan centraal:
De algemene zorg op schoolniveau voor de lwoo-leerling;
voorbeeldvraag: Welke zorg kan de school bieden met betrekking tot de leerling die een zorgindicatie heeft bijvoorbeeld aan; ASS, dyslexie, AD(H)D of faalangst?

De ”10 leerbreinprincipes” in relatie tot de lwoo-leerling binnen de school;
voorbeeldvraag: Op welke manier kan er doormiddel van de ”10 leerbreinprincipes” aansluiting gevonden worden bij de leerling met een bepaalde problematiek bijvoorbeeld; ASS, AD(H)D, dyslexie of ernstige faalangst?

De zorg voor de lwoo-leerling in de klas;
voorbeeldvraag: Op welke manier wordt de leerling aangezet tot zelfstandig werken en het reguleren van zijn eigen leerproces tijdens de les?
3.2.2 Interview externe experts
Een ander interview was gericht op docenten die werkzaam zijn binnen het speciaal onderwijs deze hebben veel ervaring met leerlingen die een indicatie hebben (zie bijlage 1- Interviews en enqu??te). Er wordt onderzoek gedaan naar bruikbare methodes op pedagogisch didactisch vlak die inzetbaar zijn binnen het regulier onderwijs. De methodes zouden bij kunnen dragen aan een verbeterd van zorg- en leerklimaat. Hierbij zijn de vragen ingedeeld in de volgende thema’s:
Pedagogische benadering;
voorbeeldvraag; Zijn er eventueel randvoorwaarden om een vertrouwensband op te bouwen met een leerling die een zorgindicatie heeft?
Didactische benadering,
Voorbeeldvraag; Op welke manier zou de docent de leerdoelen kunnen formuleren zodat de leerling met een zorgindicatie in zijn leerbehoefte wordt voorzien?

Beleid/organisatie
Voorbeeldvraag; Welke punten zijn belangrijk om mee te nemen in het beleid om te komen tot een krachtige leeromgeving als het gaat om leerlingen met een zorgindicatie

3.2.3 Interview praktijkdocenten koken
De praktijkdocent koken wordt bevraagd wat zijn visie is op onderdelen die gerelateerd zijn aan van de 10 leerbreinprincipes de thema’s zijn samengevat in vier samenhangende topics(zie bijlage 1- Interviews en enqu??te):
Een krachtige leeromgeving,
Voorbeeldvraag: Wat is uw visie op een krachtige leeromgeving waarin de leerling centraal staat en hoe past u dit toe tijdens de les?
Sturing/structuur en herhalen/oefenen,
Voorbeeldvraag: Op welke manier gaat u om met het bieden van structuur met betrekking tot een leerling die een zorgindicatie heeft, hoe past u dit toe tijdens de les?

Focus/prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving/relatie met de leerling,
Voorbeeldvraag: Hoe belangrijk vindt u een veilig leerklimaat in relatie tot de leerling tijdens de praktijkles koken, hoe geeft u hier vorm aan?

Voortbouwen op bestaande kennis en feedback/evalueren,
Voorbeeldvraag: Op welke manier houdt u rekening met de leerling die een indicatie heeft zoals ASS, ADHD of faalangst met betrekking tot het voortbouwen op bestaande kennis?
3.2.4 Enqu??te leerlingen
Een enqu??te geeft de mogelijkheid om de zorg en-leerbehoeften te meten van leerlingen. In de enqu??te is onderzocht wat de bevindingen zijn van de praktijkles koken (zie bijlage 1- Interviews en enqu??te). Aan de hand van de ”10 leerbreinprincipes” zijn een aantal principes uitgelicht die ook centraal staan in het interview met de praktijk docenten om vergelijking mogelijk te maken. In de enqu??te wordt de leerling bevraagd aan de hand van een stelling. Hierbij kan de leerling aangeven met behulp van een ”Likertschaal” van een tot en met zes of hij het oneens of eens is. De enqu??te wordt anoniem afgenomen en er is ruimte voor opmerkingen de topics zijn:
Een krachtige leeromgeving;
Voorbeeldstelling: Tijdens de praktijkles koken wordt er gebruik gemaakt van voldoende technieken, materialen en apparatuur om een realistisch beeld te kunnen vormen van het toekomstig beroep binnen het bedrijfsleven

Sturing/structuur en herhalen/oefenen;
Voorbeeldstelling: Tijdens de praktijkles wordt duidelijk uitleg gegeven over de regels en de onderwerpen die tijdens de les behandeld worden.

Focus /prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving/relatie met de leerling,
Voorbeeldstelling: Ik voel mijzelf tijdens de praktijkles op mijn gemak om vragen waarmee ik zit te kunnen stellen aan de docent.
3.2.5 Groepsinterview leerlingen
Er is een groepsinterview met leerlingen afgenomen met onderwerpen die in relatie staan tot de ”10 leerbreinprincipes”. De keuze voor een groepsinterview is gemaakt om de interactie te zoeken met de leerling om erachter te komen of de les beter in de behoeften voorziet van de leerlingen. De thema’s zijn dezelfde als in het interview met de docenten en de enqu??tes met de leerlingen om vergelijkbaarheid mogelijk te maken(zie bijlage 1- Interviews en enqu??te). De thema’s zijn:
Een krachtige leeromgeving;
Voorbeeldstelling: Tijdens de afgelopen praktijkles koken wordt er gebruik gemaakt van voldoende technieken, materialen en apparatuur om een realistisch beeld te kunnen vormen van het toekomstig beroep binnen het bedrijfsleven

Sturing en structuur en herhalen en oefenen;
Voorbeeldstelling: Tijdens de afgelopen praktijkles wordt duidelijk uitleg gegeven over de regels en de onderwerpen die tijdens de les behandeld worden.

Focus en prikkel de nieuwsgierigheid, veilige leeromgeving en relatie met de leerling,
Voorbeeldstelling: Ik voel mijzelf tijdens de afgelopen praktijkles koken op mijn gemak om vragen waarmee ik zit te kunnen stellen aan de docent.
3.3 Procedure
Binnen deze paragraaf wordt uitleg gegeven over het verloop van het onderzoek met het oog op het participeren van de deelnemers.
3.3.1 Participanten en documentenanalyse
Tijdens de beginfase zijn afspraken gepland met de experts en de praktijkdocent koken om de interviews af te nemen. Daarnaast is mondeling toestemming gevraagd aan de leerlingen om de enqu??te te mogen uitvoeren. De afspraken met de praktijkdocenten en de interne experts zijn mondeling ingepland. Met betrekking tot de externe experts was het moeilijk om een afspraak face-to-face in te plannen en is gekozen voor een telefonisch interview wat opgenomen is met de voicedialer applicatie. Binnen alle situaties is gekozen om de doelgroep geen informatie te verstrekken over het interview. Daardoor bestaat de kans dat de doelgroep te sociaalwenselijke antwoorden zou kunnen geven. Dit zou de betrouwbaarheid van het onderzoek ongunstig kunnen be??nvloeden. Binnen de school is gezocht naar documenten die informatie konden verstrekken over het zorg- en leerklimaat. Hierbij is het zorg- en visiebeleid document geanalyseerd (zie bijlage 2- Documentenanalyse).
3.3.2 Interne/externe experts
In het onderzoek is een interview ontwikkeld voor de experts. Met de interne partij is te gelijk een interview gehouden. Deze zijn inhoudelijk bevraagd op beleidsniveau met betrekking tot het vormgeven van een verantwoord pedagogisch en didactisch klimaat. Hierbij is gebruik gemaakt van camerabeelden en geluidsopname. De duur van het interview is een uur en is gehouden op De Rooi Pannen in Breda. Na afloop van het interview is de data uitgewerkt in een verslag, hierbij hebben de participanten de kans gekregen om de data na te kunnen lezen en aan te passen. Vervolgens hebben de participanten mondelinge goedkeuring moeten geven om de data te gebruiken in het onderzoek. Vervolgens zijn twee docenten binnen het speciaal onderwijs bevraagd naar hun opvatting over het vormgeven van een verantwoord pedagogisch en didactisch leerklimaat. De duur van het interview was een uur. Op grond van de toegestuurde samenvatting heeft het aanpassen telefonisch plaatsgevonden. (zie bijlage 3 ‘ Verslag interview experts)
3.3.3 Praktijkdocenten/leerlingen
In het onderzoek hebben interviews plaatsgevonden met praktijkdocenten koken en is een enqu??te gehouden onder de leerlingen. De interviews hebben plaatsgevonden op De Rooi Pannen. De praktijkdocenten zijn bevraagd over de invulling van een verantwoord zorg- en leerklimaat in de klas. De docenten hebben het verslag mogen inzien en mogen aanpassen om de validiteit te vergroten binnen het onderzoek (zie bijlage 4 ‘ verslag interviews). De duur van het interview was een halfuur. Aan de enqu??te hebben twintig leerlingen niveau 2 eerstejaars BOL deelgenomen. De leerling is bevraagd over het verloop van de praktijkles koken (zie bijlage 5 ‘ Uitkomst enqu??te). Om de validiteit te waarborgen is tijdens de theorieles de enqu??te afgenomen door een theoriedocent koken. Dit om te voorkomen dat de leerlingen be??nvloed worden door de aanwezigheid van een praktijkdocent en sociaalwenselijke antwoorden geven. De duur van de enqu??te was ongeveer een half uur.
3.3.4 Praktijkles koken nieuwe methode
De praktijkles nieuwe methode is ontwikkeld aan de hand van de ”10 leerbreinprincipes”. Het beoogde doel was om een krachtige leeromgeving te cre??ren die beter aansluit op de behoefte van de leerling met een indicatie. Tijdens de les is gekozen om de leerlingen vooral met activerende werkvormen aan de slag te laten gaan zoals; interactie en samenwerken in groepsverband. De keuze voor deze werkvormen is gemaakt om de leerling te activeren in de les en het leerproces bij de leerling te leggen. Hiermee is het beoogde doel om de leerling gefocust bij de les te kunnen houden en uit te dagen binnen een verantwoord klimaat. Dit heeft als gevolg dat de leerlingen moesten communiceren in de samenwerking om tot een goed resultaat te komen. De les bestond uit een ?? la carte menu met verschillende gerechten en vond plaats in restaurant ??n route op De Rooi Pannen. De leerlingen werden in groepen ingedeeld met daarin een authentieke situatie gecre??erd. De groep is onderverdeeld in een specifieke rolverdeling zoals; Chef-kok, souschef en chef de parti. Tevens moesten de leerlingen per groepje van zes leerlingen een uitwerking maken met daarin een groepsindeling, werkplanning/taakverdeling met tijdsplanning, voorbereidingslijst, tekening van het gerecht en kritieke punten van het menu (zie bijlage 6 ‘ Praktijkles koken nieuwe methode). De duur van de les was acht lesuren.
3.3.5 Groepsinterview
Na afloop van de les heeft er een groepsinterview plaatsgevonden met de leerlingen (zie bijlage 4 ‘ Verslagen interviews). Tijdens de les is gekozen om met twee praktijkdocenten aanwezig te zijn. Een praktijkdocent gaf les en de ander bood ondersteuning tijdens de les en het groepsinterview. Het interview heeft plaatsgevonden in klaslokaal 803 en is vastgelegd op beeld. Het interview is aan de hand van de vooraf opgestelde stellingen verlopen. Binnen het tijdspad van het interview is doormiddel van interactie gevraagd wat de leerlingen vonden van de nieuwe situatie. De duur was ongeveer een halfuur. Om de objectiviteit te kunnen waarborgen heeft de praktijkdocent die het interview afnam niet de les gegeven.
3.4 Analyse
In deze paragraaf wordt duidelijk op welke manier de gegevens zijn verwerkt tijdens het onderzoek.
3.4.1 Documentenanalyse
Binnen De Rooi Pannen zijn een aantal documenten die van invloed zijn op de algemene zorg voor de leerling en de docent in de klas. Hierbij is gebruik gemaakt van: ”Startnotitie Zorgstructuur” en ”leidraad in de besluitvorming en communicatie”(zie bijlage 2- Documentenanalyse). Hierbij is de zorg- en leerklimaat binnen de school geanalyseerd, door een onderscheid te maken naar de zorg voor de leerling en ondersteuning op beleidsniveau en anderzijds de praktische invulling daarvan voor de docent in de klas
3.4.2 Interview interne experts
Tijdens het interview is het beleid van De Rooi Pannen met betrekking tot het cre??ren van een verantwoord zorg- en leerklimaat voor de leerling aan de orde gesteld. Hierbij zijn de topics onderverdeel in; pedagogische/benadering, didactische/benadering, beleid/organisatie (zie bijlage 3 ‘ Verslag interviews experts). Het analyseren van de data is gedaan op schoolniveau met betrekking tot beleidspunten die van invloed zijn op de docent in de klas. Tevens is gekeken naar de algemene zorg binnen de school, met het oog op de algemene zorg voor de leerling. Onder andere is op beleidsniveau onderzocht welke punten belangrijk zijn voor een verantwoord zorg- en leerklimaat op school.
3.4.3 interview externe experts
In het interview is onderzocht op welke manier de pedagogische en didactische benadering plaatsvind binnen het speciaal onderwijs met betrekking tot de lwoo-leerling. Hierbij is onderzocht welke verschillen er zijn met het regulier onderwijs op schoolniveau en voor de docent in de klas. Binnen het interview zijn de vragen opgedeeld in drie thema’s met betrekking tot de zorg voor de leerling. De onderwerpen zijn: pedagogische/benadering en didactische/benadering, beleid/organisatie. De data die zijn verzameld wordt gebruikt om te kijken of er bruikbare methodes zijn die kunnen bijdragen aan een verantwoord zorg- en leerklimaat (zie bijlage 3 Verslag interview experts).
3.4.4 Interviews praktijkdocent koken
Tijdens het interview is gekeken naar overeenkomsten op vlak van pedagogische en didactische benadering en de aanpak volgens de ”10 leerbreinprincipes” binnen de praktijkles koken. De thema’s zijn: een krachtige leeromgeving, sturing en structuur, herhalen en oefenen, focus leggen tot het onderwerp, prikkel de nieuwsgierigheid, veilige leeromgeving en relatie met de leerling, voortbouwen op bestaande kennis en feedback (zie bijlage 4 ‘ Verslag interviews). De data zijn gebruikt om te kijken naar de huidige situatie en voor de ontwikkeling van een nieuwe methode voor de kookles.
3.3.5 Leerlingenenqu??te
Bij de leerlingenenqu??te is gekeken naar de situatie op dit moment met betrekking tot de kookles. De meting gaat aan de hand van onderdelen die betrekking hebben op de ”10 leerbreinprincipes” de thema’s zijn onderverdeeld in dezelfde thema’s als het interview voor de praktijk docenten koken: veilige leeromgeving en relatie, focus leggen tot het onderwerp, krachtige leeromgeving, zintuiglijkheid, sturing en structuur(zie bijlage 5 ‘ Uitkomst enqu??te). De gegevens zijn geanalyseerd op basis van pedagogische en didactische behoeften van leerlingen om een betere aansluiting te kunnen vinden bij de doelgroep. Met de gegevens is de huidige situatie tijdens de praktijkles koken onderzocht en is een praktijkles koken ontwikkeld naar aanleiding van de bevindingen.

3.3.6 Groepsinterview leerlingen
Na afloop van de praktijkles koken waarbij de nieuwe aanpak is uitgeprobeerd heeft een groepsinterview plaats gevonden met de leerlingen (zie bijlage 4 ‘ Verslag interviews). Tijdens het groepsinterview is onderzocht of de nieuwe aanpak aansluit op de zorg- en leerbehoeften van de leerlingen. De gegevens die zijn verkregen zijn geanalyseerd aan de hand van onderwerpen die in relatie staan tot de ”10 leerbreinprincipes”. De thema’s zijn: veilige leeromgeving/relatie, focus/krachtige leeromgeving, focus, zintuiglijkheid, sturing en structuur.


Hoofdstuk 4 ‘ Resultaten

In dit hoofdstuk wordt deelvraag 1 beantwoord in sub paragraaf 4.1 en deelvraag 2 in sub paragraaf 4.2 met betrekking tot de resultaten in dit onderzoek.
4.1 Visie en beleid met betrekking tot zorg- en leerklimaat
Binnen deze paragraaf is weergegeven wat de visie is van De Rooi Pannen met betrekking tot het bieden van een verantwoord zorg- en leerklimaat binnen de school en wordt antwoord gegeven op de eerste deelvraag;
Deelvraag 1:
– Op welke wijze kunnen de voorwaarden worden geschapen om aan de zorg- en leerbehoeften van leerlingen met lwoo-indicatie te voldoen binnen De Rooi Pannen?
4.1.2 De algemene zorg
De resultaten zijn verkregen door een beleidsdocument te analyseren (zie bijlage 2 ‘ Documentenanalyse) (van de Laak et al., 2009) ??n door de analyse van de interviews met de interne experts en met de externe experts (zie Bijlage 3 Verslag interview experts). ”De voorwaarden met betrekking tot het cre??ren van een goed zorg- en leerklimaat begint bij het beleid”. Uit het beleidsstuk Leidraad in de besluitvorming en communicatie met de titel ”Waarom wij de dingen doen zoals wij ze doen” De Rooi Pannen(2015, p1) wordt de missie als volgt verwoord: ” Wij halen het beste uit onze leerlingen”. Onder de pijler van ”de kleinschaligheid van opzet” zit de zorgstructuur die betrekking heeft op de lwoo-leerling. In het beleidsstuk ”Start notitie Zorgstructuur (2009)” staat beschreven wat de visie binnen De Rooi Pannen is met betrekking tot de zorg voor de leerling. De visie op zorg is onderverdeeld in drie thema’s positief pedagogisch klimaat, leerlingenzorg is preventief van karakter, accent op onderwijs gerelateerde problemen. Binnen het beleidsstuk staat omschreven dat de school in principe geen zorginstelling is, maar zich wel verantwoordelijk voelt voor problemen die het leerproces be??nvloeden. Hierbij wordt er onderscheid gemaakt tussen niet onderwijs gerelateerd en onderwijs gerelateerde problemen (van der Laak et al., 2009, p4).
Uit het interview met de interne experts komt naar voren ”dat school goed screent op leerlingen met een indicatie. De screening richt zich op leerlingen die binnen het grijs gebied vallen. Hiermee wordt bedoeld of ze de opleiding kunnen behalen ondanks de indicatie”. De interne expert geeft aan dat de wet is gewijzigd met betrekking tot het invoeren van passend onderwijs. De school heeft als plicht om toekomstige leerlingen gelijk te behandelen. Hierbij zijn drie punten belangrijk in het aannamebeleid van de school. Punt een: de leerling moet een voorlichting krijgen met betrekking tot de inhoud van de opleiding en het toekomstig beroep. Punt twee; de leerling die deelneemt aan het intakegesprek moet capabel genoeg zijn om het toekomstig beroep uit te oefenen. ”Een leerling die een visuele handicap heeft kan moeilijk het beroep van kok uitoefenen”. Punt drie; wat kan de school bieden met betrekking tot zorg voor de (lwoo)leerling. De mentor is de hoofdpersoon als het gaat om de leerling hij heeft inzichtelijk wat speelt als het gaat om de lwoo-indicatie. De zorgco??rdinator co??rdineert de zorg in overleg met de mentor, zorgadviesteam, leerling begeleiders, schoolmaatschappelijk werk. Hierin biedt de school training aan en zijn twee leerlingbegeleiders die ondersteunen bij bijvoorbeeld, rouwverwerking en faalangst. De interne expert zegt dat; ”het niveau van de verschillende mentoren verschilt waardoor signalen waar het dreigt mis te gaan met een lwoo-leerling niet worden gesignaleerd, dit kan als gevolg hebben dat hij vastloopt in het leerproces”. Binnen de school wordt met de leerling een handelingsplan opgesteld waarin afspraken staan wat de leerling en de school kunnen verwachten van elkaar, dit met betrekking tot zorg en regels. De school is geen zorgschool en is hierin beperkt.
4.1.2 De benadering door de docent in de klas
Uit onderzoek van Steenvoorde (2014) blijkt dat relatie met de leerling, de zorg voor structuur, duidelijkheid en consequent handelen belangrijk is om een verantwoord zorg- en leerklimaat te cre??ren voor de leerling. Met het oog op het handelen van een docent zijn de interne en externe experts bevraagd op verschillende onderdelen die betrekking hebben op de ”pedagogische/benadering en didactische/benadering”. Dit met het oog op de onderdelen van de deelvraag 1 ”het cre??ren van de juiste randvoorwaarden voor een verantwoord klimaat waarin ruimte is voor de zorg- en leerbehoeften van leerlingen”.
Pedagogische/benadering;
Uit het verslag van het interview met de interne experts komt met betrekking tot het thema ”pedagogische/benadering” naar voren dat een randvoorwaarden van een verantwoord zorg- en leerklimaat ligt in ”structuur en duidelijkheid, de leerling moet positief aan zijn leertaak beginnen”. De docent zou uit moeten gaan van de leertaken die goed gaan. Hierbij vult de externe expert aan dat; ”alles valt en staat met een veilige leeromgeving en een goede relatie met de leerling, hij moet het vertrouwen krijgen in de docent en weten wat hij aan een docent heeft”. Hierbij geeft hij aan dat focus vaak ligt op het afkrijgen van de lesstof, het pedagogische aspect wordt hierbij weleens vergeten binnen het regulier onderwijs. Hierbij wordt de leerling weleens als dom betitelt waardoor hij gedemotiveerd kan raken.
Het is belangrijk volgens de externe expert dat; ”een docent uitspreekt dat hij in de leerling gelooft en hem vertrouwen geeft als hij aan een leertaak begint”. Hierbij moet de docent consequent afspraken maken en de regels vastleggen en controleren. De leertaken die goed zijn gegaan vooral benoemen en die minder goed verlopen zijn positief benaderen, zijn onder ander voorwaarden voor een goed zorg- en leerklimaat. Hierbij is hij sceptisch over de haalbaarheid in het bieden van ”passend onderwijs” binnen het regulier onderwijs. Individuele trajecten kosten veel tijd hier is niet altijd tijd voor binnen het reguliere onderwijs”. Zo geeft hij aan, binnen het speciaal onderwijs de leerling veertig procent van de tijd bezig is met het leren van de lesstof. Terwijl het rendement binnen het regulier onderwijs van tachtig procent is. De rest van de tijd is de leerling bezig om op sociaal-emotioneel vlak vaardigheden op te doen om te kunnen functioneren binnen de maatschappij”. De randvoorwaarden moet liggen volgens de externe specialisten bij de invoering van ”passend onderwijs” op het individu. Dit kan bereikt worden met kleinschaligheid in groepsverband, dit heeft als gevolg dat de docent meer tijd heeft om het individu te ondersteunen. Het bieden van een ”veilig zorgklimaat” is een randvoorwaarde bij een leerling met een indicatie. Hierbij is het belangrijk om de docenten binnen het regulier onderwijs te ondersteunen met trainingen om het rendement van slagen van een leerling met een indicatie te verhogen”.
Didactische/benadering;
Het tweede thema is ”didactische/benadering” met betrekking tot de leerling met een zorgindicatie. Hierin geven de interne experts aan dat voor iedere leerling dezelfde doelen gelden die binnen het kwalificatiedossier van toepassing zijn. De school houdt wel rekening met een de indicatie van de leerling. De experts binnen het vso geven bij de ”didactische/benadering” aan dat; ”de leerdoelen eerst helder moeten zijn”. Tevens is het belangrijk om de problematiek van de leerling bespreekbaar te maken. Doormiddel van observatie van de docent wordt de leerling geanalyseerd op de gedragsproblematiek. Vervolgens gaat de docent persoonlijke leerdoelen formuleren aan de hand van een observatie. Na het formuleren van de leerdoelen gaat de docent in gesprek met de leerling om te kijken of de leerling zich herkent in de leerpunten. Deze leerdoelen worden naast de gangbare doelen in een individueel opleidingsplan geformuleerd. In de klas is het belangrijk om de leerling doormiddel van kleine stapjes de lesstof aan te bieden. Ieder individu leert anders en heeft een andere benadering nodig. Hierbij is het belangrijk om de lesstof bij de leerling tastbaar te maken volgens alle experts.
Tevens is het van belang om de leerling verantwoordelijk te maken voor zijn eigen leerproces door het leerproces bij de leerling te leggen. Het proces tot ”zelfstandigheid” is een voorwaarde om te komen tot het ”zelfreguleren” van het leerproces volgens de interne experts. Hierbij moet wel gezegd worden dat er goed gekeken moeten worden naar het beginsituatie van de leerling. Binnen het vormgeven van een les op goed didactisch niveau is het belangrijk om variatie te bieden. Dit kan worden gecre??erd door het samenwerken in groepsverband, het onderling communiceren en het probleemoplossend werken in groepsverband te bevorderen. Het zintuigelijk prikkelen door de leerling uitdaging te bieden in lesinhoud en activerende werkvormen dragen bij dat de leerling de ”focus” kan behouden. Voorbeelden van actieve werkvormen zijn; ”samenwerken in groepsverband en interactie”. Hierbij is het voor een docent belangrijk om binnen een duidelijk theoretisch kader te werken waarin de theorie aan de praktijk wordt gekoppeld om een ”krachtige leeromgeving” te kunnen krijgen.
4.1.3 Samenhang tussen de gegevens uit de interviews en documentenanalyse
Uit de analyse de documentenanalyse en de interviews met de experts komen de volgende punten naar voren. In het speciaal onderwijs ligt de nadruk op het aanbieden van individuele trajecten. Binnen het regulier onderwijs wordt minder aandacht aan het individu besteed doordat de focus meer ligt op het geheel het overbrengen van de lesstof. Het motto is dat geprobeerd wordt het beste te halen uit iedere leerling. De school is geen zorgschool, dit kan tot een bepaalde hoogte met betrekking tot een zorgindicatie. Hierin is de mentor verantwoordelijk om de leerling met een indicatie te begeleiden, uit het interview blijkt dat het niveau van mentoren erg verschillend is. Dit heeft als gevolg dat leerlingen met een zorgindicatie kunnen vastlopen als de mentor niet op tijd signaleert.
4.2 De ”10 leerbreinprincipes” en de lwoo-leerling
In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de tweede deelvraag die betrekking heeft op het toepassen van de ”10 leerbreinprincipes” binnen de praktijkles koken.
Deelvraag 2:
– Op welke manier kan door middel van de ”10 leerbreinprincipes” die binnen De Rooi Pannen Breda gelden aansluiting gevonden worden bij de leerling met een lwoo-indicatie binnen de praktijkles koken?

4.2.1 De ”10 leerbreinprincipes met betrekking tot de (lwoo)leerling in de klas
In dit stuk wordt antwoordgegeven op welke manier de praktijkdocenten (zie bijlage 4 ‘ Verslag interviews) de ”10 leerbreinprincipes” principes toepassen in de les. Uit de theorie van het BCL(2014) en interviews met de interne experts (zie Bijlage 5 – Uitkomst enqu??te) blijk dat; Bij breinprincipes wordt uitgegaan van de werking van het brein bij jongeren in de leeftijd tot zesentwintig jaar. De hersenen maken dopamine aan tijdens het leerproces waardoor de leerling in staat is om zich te focussen op de lesstof. Bij dit proces is het aan de docent om de toelevering van dopamine opgang te brengen en te houden.
Thema 1 krachtige leeromgeving;
Uit het interview met de interne expert komt naar voren dat; ”de breinprincipes ingevoerd zijn om de doorlopende leerlijn vanuit het vmbo te verbeteren. Hierbij is de opzet om het onderwijs aantrekkelijker te maken voor de leerling”. Met de breinprincipes wordt voornamelijk gewerkt binnen de projecten van het CGL.(competentiegericht leren). Uit het verslag met de praktijk docenten koken blijkt dat; de praktijkdocenten het belangrijk vinden om in te spelen op de belevingswereld van de leerling, hierbij structuur en duidelijkheid te bieden. De gebruikten middelen om een krachtige omgeving aan te bieden zijn; het smartboard, instructiebank, whiteboard en de producten voor het menu.
Thema 2; Sturing en structuur/herhalen en oefenen;
Uit het interview met de praktijkdocenten komt verder naar voren dat: het belangrijk is dat de leerling met een indicatie stap voor stap de lesstof krijgt aangeboden, herhaald en oefent. Alleen is hier niet altijd de tijd voor.” Een praktijkdocent zegt; ”ze moeten klaargestoomd voor de arbeidsmarkt ondanks de indicatie moet je niet te soft zijn. Een andere zegt; ”de leerling naar sterkte en zwakte in te delen met het oog op het leerrendement tijdens de les. Hierbij worden individuele afspraken gemaakt met de leerling die extra aandacht nodig heeft”. Regels en afspraken vinden de praktijkdocenten belangrijk om een goede structuur te kunnen bieden aan een leerling met een indicatie.
Thema 3; Focus en prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving en relatie met de leerling
Uit het interview met de praktijkdocenten blijkt dat het belangrijk is om de achtergrond van de leerling te weten met een indicatie om te kunnen voortbouwen op een goede relatie waarin vertrouwen wordt gekweekt. Vertrouwen is inherent aan succesmomenten volgens de praktijkdocenten koken moeten deze gekoesterd worden. Bij een indicatie als AD(H)D zegt een docent dat hij extra opdrachten geeft om de leerling aan het werk te houden. De prikkel ligt in het aanbieden van de lesstof leren moet leuk en uitdagend zijn. Tijdens het interview zegt een docent dat hij groepen maakt waarin een duidelijke rolverdeling is weggelegd. Hiermee wordt de uitdaging en de focus gezocht bij de leerling met een indicatie om te komen tot een goede relatie en een veilige omgeving.
Thema 4; Voortbouwen op bestaande kennis/feedback en evaluatie
Uit het interview met praktijkdocenten blijkt dat; met name door interactie de aansluiting wordt gevonden op de leerling. Hierbij wordt gevraagd naar bestaande kennis zoals ervaringen tijdens een voorgaande praktijkles, stage of werk. Door het te visualiseren wordt betekenis gegeven aan een nieuwe ervaring. Hierbij is het koppelen van leerstof en ervaring een must. Het laten benoemen door de leerling en het door te nemen na de les draagt bij aan het beter kunnen verwerken van de lesstof. Tot slot geven zij aan dat bij een leerling met een indicatie vooral de nadruk moet leggen op de positieve punten. Een manier om dit te doen is om te werken met tips/tops. Hun advies luidt; gun de leerling de rust door duidelijk te zijn in de duur van de onderdelen.
4.2.2 De leerling enqu??tes
Tevens is de leerling bevraagd naar zijn mening over de huidige methode van de praktijkles koken. Met de uitslag van de enqu??te (bijlage 5- Uitkomst enqu??te) is onderzocht in hoe ver de docent volgens de leerlingen komt tot een goed zorg- en leerklimaat. De thema’s binnen de enqu??te zijn dezelfde als tijdens het interview met de praktijkdocenten koken.

Thema 1 krachtige leeromgeving;
Om een krachtige leeromgeving te kunnen cre??ren is het belangrijk om een realistisch beeld weer te geven tijdens de praktijkles koken, dit kan bereikt worden door echte situaties na te bootsen of dezelfde materialen te gebruiken als in de beroepspraktijk van het horeca vak. Met betrekking tot het cre??ren van een krachtige leeromgeving hebben de leerlingen een aantal stellingen voor zich gekregen die betrekking hebben op de volgende aspecten, het gebruik van vakkennis van de docenten, materialen, apparatuur en technieken. Op sommige punten is tijdens de les nog verbetering te behalen door eventueel de les anders vorm te gaan geven. De volgende stelling die betrekking heeft over het gebruik van technieken, apparatuur en materialen die een realistisch beeld geven over de praktijkles koken is de uitkomst;
Stelling 1.
Bij de praktijkles koken wordt er gebruik gemaakt van voldoende technieken, materialen en apparatuur om een realistisch beeld te kunnen vormen van het toekomstig beroep binnen de praktijk.

Zoals figuur 4 weergeeft vindt driekwart van de les aansluiten op hun beleving van een krachtige leeromgeving. Van de twintig geven zes leerlingen een minder cijfer in het thema ”krachtige leeromgeving”.

Sturing en structuur/herhalen en oefenen;
Het bieden van sturing en structuur is belangrijk voor de leerling met een zorgindicatie. Hierbij is het een prioriteit om de leerling te begeleiden om de lesstof te herhalen en te oefenen. De leerlingen is de stelling voorgelegd of ze de theorie in de praktijk kunnen toepassen. Hierin geven de meeste leerlingen aan de theorie in de praktijk te kunnen toepassen. Tevens is tijdens de enqu??te de leerling de stelling voorgelegd die betrekking heeft op de begeleiding en het herhalen en oefenen van lesstof. Hierin is blijkbaar nog verbetering te halen als het gaat om het verbeteren van structuur en sturing/herhalen en oefenen, zoals te lezen valt in figuur 5;

Stelling 5.
Ik krijg genoeg begeleiding tijdens de praktijkles om mijzelf de lesstof eigen te maken.

Uit figuur 5 is af te leiden dat vijftien leerlingen de begeleiding wel goed vonden. Van de twintig leerling vonden vijf leerlingen dat de begeleiding tijdens de les beter kan. Dit met betrekking tot de aansluiting vinden op de zorg- en leerbehoefte van de leerling.
Focus en prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving en relatie met de leerling;
Binnen dit thema is de uitslag heel verschillend en opvallend te noemen. Van de in totaal twintig leerlingen dus ruim driekwart geeft aan dat de relatie met de docent goed is. Tevens geven de meeste leerlingen aan zich vertrouwd en veilig te voelen om aan een leertaak te beginnen; slechts een enkeling geeft aan van niet. Op de stelling die betrekking heeft op het leggen van de focus in relatie tot het onderwerp is de score verschillend. Van de twintig leerlingen geven twaalf leerlingen aan dat ze zelf mogen zoeken naar oplossingen binnen de les. Acht leerlingen geven een mindere score op de stelling. Hierin zou nog een betere aansluiting gevonden kunnen worden op de zorg en-leerbehoeften van leerlingen door de leerling meer uit te dagen.
Stelling 14.
Van de docent mag ik tijdens de praktijkles koken zelf een oplossing uitvoeren om te komen tot een goed eindproduct.

Uit figuur 6 blijkt dat twaalf leerlingen geen moeite hebben om de focus te behouden tijdens de praktijkles koken. Vijf van de twintig hebben moeite om de focus te behouden.
4.2.2 Uitkomsten groepsinterview
Na afloop van de kookles is een groepsinterview gehouden met betrekking tot de bevinding van de nieuwe lesmethode (zie bijlage 5 ‘ Uitkomst enqu??te). De thema’s zijn het zelfde als tijdens het interview met praktijkdocenten en de enqu??te met de leerlingen. Dit is gedaan om te kunnen vergelijken of de nieuwe methode beter aansluit op de behoefte van de leerling.
Krachtige leeromgeving:
De leerlingen ervaren de les als prettig en vonden het uitdagend. Het kwam meer bij de realiteit als de normale les. De realiteit zat hem volgens de leerling in het ?? la carte koken en de rolverdeling in de keuken. Hierbij hadden de leerlingen moeite om te communiceren met de bediening.
Sturing en structuur/herhalen en oefenen
De leerlingen gaven aan tijdens de praktijkles koken dat ze de uitleg door de docent duidelijk vonden. Het lesmateriaal was goed verzorgd en duidelijk de leerlingen gaven aan dat de stappen van een receptuur overzichtelijk waren. Hierbij kregen de leerlingen het gevoel ondanks een theoretisch kader dat ze veel zelf mochten doen. Daarnaast hadden de leerlingen het gevoel dat ze een goede begeleiding kregen waarin ze de ruimte konden vinden om zelf aan de slag te gaan. Een leerling gaf aan dat hij het erg fijn vond om in het begin van de les met de groep een werk- en tijdsplanning, opmaakschema van het bord en een lijst te maken met kritieke punten.

Focus/prikkel de nieuwsgierigheid/veilige omgeving en relatie met de leerling
De leerlingen vonden dat sfeer tijdens de les goed was en gemoedelijk. Het gaf de leerlingen een veilig gevoel om aan de leertaak te kunnen starten. Tijdens de les was er de ruimte om de docent vragen te kunnen stellen als iets dreigde mis te gaan. Hierop zeiden de leerlingen dat dit veel vertrouwen bracht om de leertaak uit te voeren. In de les was het rustig en kon de focus behouden worden doordat iedereen druk bezig was met zijn leertaak. De leerlingen vonden dit prettig en gaven aan dit normaal niet genoeg te ervaren. Met vergelijking tot de andere lessen was binnen deze les geen tijd om niet de focus te kunnen houden. De leerlingen moesten de voorbereiding af hebben en daarna bepaalde de binnenkomst van de gasten de snelheid van doorgeven. Hierdoor lag de focus continu op het bereiden van gerechten. Tevens vonden de leerlingen dat de docent ruim de tijd nam voor de uitleg deze was iets directer als normaal dit ervaren de leerlingen niet als storend. Doordat er genoeg werk was zat er veel afwisseling in de werkzaamheden. Dit vonden de leerlingen prettig ze voelde hiermee meer betrokkenheid.

4.2.3 Samenhang resultaten
Uit de gegevens kan worden opgemaakt dat binnen het onderzoek verschillen liggen tussen het beleid en de uitvoering in de praktijk en de aanpak in het speciaal onderwijs door docenten. De nadruk binnen het speciaal onderwijs ligt vooral op sociaal-emotioneel vlak en kleinschaligheid in groepsverband met betrekking tot het cre??ren van een goed zorg- en leerklimaat. Hierin worden observaties gedaan en wordt door middel van een individueel-handelingsplan individuele leerdoelen gesteld, zowel op sociaal-emotioneel vlak als het gaat om gangbare leerdoelen die inherent zijn aan de opleiding. Dit is binnen het regulier onderwijs niet aan de orde: hier worden afspraken gemaakt wat de leerling kan verwachten met betrekking tot de zorg binnen de school en primaire leerdoelen zoals bijvoorbeeld ”op tijd komen”. Met betrekking tot de mentoren is het belangrijk dat ze goed kunnen signaleren om goed te kunnen anticiperen op de zorg- en leervraag van de leerling met een indicatie. Hierin is het niveau van mentoren erg verschillend dit heeft van invloed op het op tijd kunnen handelen zodat de leerling niet vastloopt.
Alle bevraagde geven aan dat het belangrijkste is om een klimaat te cre??ren waarin de leerling vertrouwen krijgt en sturing en structuur wordt geboden. Uit de gegevens die zowel tijdens het interview met de experts als uit het interview met de praktijkdocent koken blijkt dat sturing en structuur en de relatie met de leerling belangrijk is. De leerlingen ervaren tijdens de oude methode dat de relatie met de docent goed is. Als het gaat om sturing en structuur ervaart een kwart van de leerlingen dat de begeleiding beter aan kan sluiten op de behoeften van leerlingen. Dit komt overeen met wat de experts aangeven in het interview. Met betrekking tot het uitdagen van de leerling geven acht leerlingen aan dat ze niet genoeg zelf naar oplossingen mogen zoeken, dit in tegenstelling met wat de praktijk docenten zelf aangeven of beogen met hun lessen.
Na afloop van de praktijkles is een groepsinterview gehouden met betrekking tot het zorg- en leerklimaat. De structuur van de les was duidelijk. De nieuwe lesmethode sloot aan op hun beleving en ze werden voldoende uitgedaagd volgens de klas.

Hoofdstuk 5 – Conclusie, discussie en aanbevelingen

In dit hoofdstuk komen de conclusie, discussie en aanbevelingen aan de orde met betrekking tot de dit onderzoek.

5.1 Conclusie
In deze paragraaf wordt een antwoord gegeven op de hoofdvraag binnen dit onderzoek. De aanleiding van dit onderzoek is voortgekomen uit de toenemende aantal leerlingen met een lwoo-indicatie binnen de koksopleiding niveau 2 BOL. Het toenemende aantal leerlingen komt voort uit de invoering van de kwalificatieplicht door de Rijksoverheid (2014) en de wet op passend onderwijs(2014). Hierbij is de praktijkdocent koken binnen het regulier onderwijs niet voldoende voorbereid, om te zorgen voor een goed ”zorg- en leerklimaat”. Het doel binnen dit onderzoek was een betere aansluiting vinden op de leerling met een lwoo-indicatie. Binnen De Rooi Pannen wordt gebruik gemaakt van de ”10 leerbreinprincipes” deze principes zijn ingesteld om het onderwijs binnen het mbo aantrekkelijker te maken. De conclusie komt voort uit de resultaten van de documentenanalyse, interviews met de interne en externe experts, interview met de praktijk docenten koken, Groepsinterview en de enqu??te onder de leerlingen zoals weergegeven werd in hoofdstuk 4. De hoofdvraag is:
Op welke manier kan een docent die les geeft binnen de reguliere opleiding kok niveau 2 rekening houden met de zorg- en leerbehoefte van de leerling met een lwoo-indicatie tijdens de praktijkles koken?
Steenvoorde (2014) geeft aan dat het begeleiden van leerlingen met een indicatie bestaat uit een goede relatie met de leerling, het bieden van voldoende structuur, duidelijkheid en consequent handelen. Ieder individu is uniek en heeft zijn eigen benadering en aanpak nodig in de les. Om te kunnen differenti??ren is het volgens Berben en van Teeseling (2014) belangrijk dat de les duidelijk van structuur is met heldere lesdoelen die haalbaar zijn binnen het tijdsbestek van de les. De rol van de docent is hierbij belangrijk om te kunnen differenti??ren deze bestaat uit: de presentator, gastheer pedagoog, didacticus en afsluiter. Daarnaast zijn nog drie andere niveaus van belang om rekening te houden met het individu tijdens de les: passende werkvormen, omgaan met verschillen en zelfregulatie. Binnen De Rooi Pannen wordt gebruik gemaakt van leerbreinprincipes die ingaan op het sociaal-emotioneel en cognitief leren van leerlingen. Volgens het BCL (2014) is het belangrijk dat de leerling het leerproces zelf in de hand heeft afhankelijk van het beginniveau van de leerling. Daarbij is het belangrijk dat de leerling positief gestimuleerd en gemotiveerd wordt om zelf te komen tot oplossingen. De taak van een docent is hierbij het bewaken van het leerproces en het concretiseren van de leerdoelen en hierbij op tijd te signaleren mocht het fout gaan. Dit kan zijn zowel op cognitief als op sociaal-emotioneel niveau.
Uit de interviews met de betrokken partijen blijkt dat alle het belangrijk vinden om een verantwoorde relatie aan te gaan met de leerling waarin de leerling zich veilig voelt en er vertrouwen is. Uit de uitkomst van de enqu??te blijkt dat de leerlingen dit ook ervaren tijdens de les. Daarnaast vinden ze het belangrijk om heldere leerdoelen te stellen binnen de les. Tevens wordt door de externe experts benadrukt dat het stellen van individuele cognitieve en sociaal-emotionele leerdoelen bijdraagt aan het verhogen van de betrokkenheid bij leerlingen. Een kwart van de leerlingen geeft aan dat de begeleiding tijdens de les niet optimaal is. Uit de interviews met de praktijk docenten blijkt dat de lestijd soms tekort is om genoeg aandacht te besteden aan het herhalen en oefenen van de lesstof. Hierbij ligt de nadruk vooral op het eindresultaat en minder op het leerproces binnen de klas. De gasten moeten immers binnen vastgesteld tijdsbestek het eten geserveerd krijgen. Daarnaast geven acht leerlingen tijdens de enqu??te aan dat het zelf zoeken naar oplossingen tijdens de les niet voldoende wordt gestimuleerd. De controle ligt vaak teveel bij de docent. Om meer tijd te cre??ren om te kunnen anticiperen op het individu zou de docent de les anders in kunnen delen. De rol van de docent zou meer begeleidend kunnen zijn waardoor hij tijd krijgt om extra aandacht te besteden aan het individu. Belangrijk is dat afhankelijk van het beginniveau van de leerling de docent de leerling verantwoordelijk maakt voor zijn eigen leerproces door hem uit te dagen en te stimuleren in werkvormen. Dit heeft als gevolg dat de leerling zich beter kan focussen op het leerproces en minder afgeleid wordt door niet relevante zaken. Hierbij is het belangrijk om een optimaal beeld te hebben van de deelnemende leerlingen om samenwerkend leren te bevorderen aan de hand van een groepsindeling op basis van sterke en zwakke punten. Door samen te werken leren de leerlingen niet alleen van de docent maar ook van elkaar. Het bevorderen van een goede communicatie is hier onderdeel van.
Afhankelijk van de beginsituatie kan de leerling met een indicatie beter voorzien worden in zijn zorg- en leerbehoefte door de les uitdagender te maken met werkvormen, waarin duidelijkheid en structuur geboden wordt. Door het leerproces meer bij de leerling te leggen en de samenwerking onderling te bevorderen cre??ert de docent meer tijd om te kunnen begeleiden. Zintuigelijk wordt de leerling geprikkeld en kan hij de focus behouden. Hij wordt minder afgeleid door niet relevante gebeurtenissen. Door het hanteren van een positieve benadering ontstaat een positief klimaat, waardoor er genoeg vertrouwen ontstaat bij de leerling om zelfstandig aan de slag te gaan. Het gevolg is dat de docent meer tijd krijgt om te signaleren waar het minder goed gaat en de lesstof kan herhalen en oefenen, dit om te voorzien in de extra aandacht die een lwoo-leerling nodig heeft.
5.2 Discussie
In deze paragraaf wordt ingegaan op de beperkingen van dit onderzoek en wordt kritisch teruggeblikt op het verloop ervan. Daarna volgen enkele suggesties voor vervolgonderzoek en worden implicaties en aanbevelingen voor in de praktijk gegeven. Een punt van discussie is de beperking van het onderzoek met betrekking tot de reikwijdte,” slechts ‘?n les en ‘?n klas”.
5.2.1 Beperking van het onderzoek
Er zijn een aantal beperkingen aan dit onderzoek te onderscheiden die in het hiernavolgende worden beschreven. Deze hebben onder meer betrekking op de reikwijdte ( slechts ‘?n les, ‘?n klas) validiteit betrouwbaarheid. De reikwijdte binnen dit onderzoek betrof eerstejaars leerlingen niveau 2 en praktijkdocenten koken binnen De Rooi pannen. Naast de doelgroep waren binnen dit onderzoek nog meerdere groepen betrokken. Deze groepen zijn, docenten binnen het speciaal onderwijs, de zorgco??rdinator en een medewerker van bureau onderwijs. Deze hebben intern op beleidsniveau en met betrekking tot de leerling met een indicatie ruime ervaring om informatie te verstrekken over het vormgeven van een verantwoord zorg- en leerklimaat. De beperking is dat niet alle klassen die zitten binnen niveau 2 en 3 deel hebben genomen aan het onderzoek. Tevens is het tijdsbestek waarin dit onderzoek plaats heeft gevonden te klein geweest om meerdere lessen te kunnen onderzoeken.
5.2.2 Kritische terugblik
Tijdens het onderzoek is gekozen om gebruik te maken van de theorie op het differenti??ren bij leerlingen (Berben&van Teeseling,2014) en de theorie over breinleren (BCL,2014). Tijdens het onderzoek was het doel met betrekking tot de participanten om opvattingen en bevindingen te meten op vlak van pedagogische en didactische benadering. De variabelen waren hierbij onderdelen van de 10 leerbreinprincipes zoals: een krachtige leeromgeving, sturing en structuur, herhalen en oefenen, focus en prikkel de nieuwsgierigheid, veilige leeromgeving en relatie met de leerling. Tijdens het interview participeerden interne en externe partijen onder andere: zorgco??rdinator, onderwijskundige van bureau onderwijs, docenten binnen het speciaal onderwijs, praktijkdocenten koken en eerstejaars leerlingen niveau 2 BOL. Hierbij zijn diverse meetinstrumenten gebruikt om te komen tot valide gegevens. Deze heeft de validiteit en betrouwbaarheid van dit onderzoek vergroot. De meetinstrumenten zijn: documentanalyse, interview, enqu??te en groepsinterview. Tijdens het onderzoek was het planmatig niet mogelijk om zeven praktijkdocenten koken te vinden die bereid waren om te participeren, was dat wel mogelijk geweest dan was dat ten goede gekomen aan de betrouwbaarheid van dit onderzoek. Voor de externe experts was het moeilijk om een afspraak in te plannen en is gekozen voor een telefonisch interview wat opgenomen is met de voicedialer applicatie. Binnen de doelgroep van externe experts zag de gedragswetenschapper geen mogelijkheid om te participeren binnen het onderzoek. Binnen alle situaties is gekozen om de doelgroep geen informatie vooraf te verstrekken over het interview. Ondanks dat het niet te voorkomen is hebben de participanten geen tijd gehad om zich voor te bereiden op het interview, door het niet verstrekken van de vragen. Hierdoor bestaat een verminderde kans dat de doelgroep sociaalwenselijke antwoorden zou kunnen geven. Om de validiteit te bewaken hebben de betrokkenen het verslag na kunnen lezen en aan kunnen passen. Tijdens de enqu??te is gekozen om een theoriedocent verantwoordelijk te maken voor de afnamen van de enqu??te. Dit heeft wellicht als gevolg dat de invloed van de aanwezigheid van een praktijkdocent op het geven van sociaalwenselijke antwoorden door de leerlingen is verminderd. Na afloop van de les heeft een andere praktijkdocent koken het interview afgenomen als diegene die de praktijkles met de nieuwe methode heeft gegeven. Dit omdat hij meer inzichtelijk had wat binnen de les gebeurd is doordat hij de processen op een afstand gevolgd heeft tijdens de praktijkles koken. Met betrekking tot de opzet van het onderzoek zou eventueel meer aandacht gegeven kunnen worden voor meerdere leerjaren en verschillende niveaus binnen De Rooi Pannen. Hiermee krijgt het onderzoek meer draagvlak binnen de school. Binnen de diverse opleidingen zitten eveneens leerlingen met een zorgindicatie. Daarnaast kan niet uitgegaan worden van ‘?n les met ‘?n klas om een goed overzicht te kunnen krijgen aan de zorg- en leerbehoeften van leerlingen. Er zijn meerdere meetmomenten nodig om een goed beeld te kunnen vormen wat de zorg- en leerbehoeften is bij leerlingen met een indicatie.
5.2.3 Suggesties voor vervolgonderzoek
Het onderzoek is binnen een korttijdsbestek in de praktijk gebracht waardoor het meetmoment maar een praktijkles koken betrof binnen de opleiding niveau 2 eerste jaar. Binnen andere studiejaren op de koksopleiding binnen De Rooi Pannen zijn eveneens leerlingen die een zorgachtergrond hebben, deze leerlingen met een zorgindicatie zijn niet meegenomen in dit onderzoek. De gegevens van slechts ‘?n praktijkles koken kan niet volstaan als valide genoeg. Om breed te meten wat de invloed is van de nieuwe methode is over de gehele linie onderzoek nodig. Dit betekent dat onderzoek gedaan kan worden binnen de koksopleiding BOL met betrekking tot de verschillende niveaus en leerjaren. Daarnaast kan onderzocht worden welke problemen van invloed zijn bij bepaalde gedragsstoornis op de leerling tijdens de praktijkles koken om een verantwoord zorg- en leerklimaat te kunnen cre??ren voor alle leerlingen.
5.2.4 Implicaties en aanbevelingen voor de praktijk
Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen worden gedaan. De leerling met een indicatie kan beter voorzien worden in zijn zorg- en leerbehoefte door de les uitdagender te maken met wisselende werkvormen. Door het leerproces meer bij de leerling te leggen en de samenwerking tussen elkaar te bevorderen cre??ert de docent meer tijd om te kunnen begeleiden. Door het hanteren van een positieve benadering ontstaat een positief klimaat waardoor genoeg vertrouwen ontstaat bij de leerling met een indicatie. Hierdoor kan de docent meer tijd besteden aan het herhalen en oefenen van de lesstof. De docent kan dit bereiken door het implementeren van een nieuwe lessencyclus waarin heldere doelen worden geformuleerd en activerende werkvormen worden bevorderd. Het formuleren van heldere doelen geeft voor de leerling structuur en duidelijkheid en is een voorwaarde om te komen tot een verantwoord zorg- en leerklimaat.
Op beleidsniveau komt voort uit dit interview dat de communicatie met de mentor belangrijk is om problematieke eerder te kunnen signaleren. Het signaleren vraagt van een mentor dat hij op de hoogte is van allerlei gedragsproblematieke en kan ingrijpen wanneer een leerling met een indicatie dreigt te ontsporen. Het vooraf screenen van een leerling met een indicatie waarbij duidelijk in kaart wordt gebracht wat het probleem inhoud, kan bijdragen dat de docent beter inzicht krijgt in de problematiek. Uit het onderzoek is gebleken dat bij de mentoren het niveau verschilt. Hierbij kan een juiste training bijdragen aan het verhogen van het niveau bij de mentoren.
Uit het bovengenoemde komen de volgende concrete aanbevelingspunten naar voren;
‘ Ontwikkelen van een lessencyclus die zorgt voor een betere aansluiting op de leerling
‘ Training tot het verbeteren van de implementatie traject van de breinprincipes in de onderwijspraktijk van De Rooi Pannen voor docenten
‘ Het niveau van de mentoren verhogen door middel van training
‘ Bij de screening na aannamen van iedere leerling met een problematiek een handelingsplan maken voor de (praktijk)docent waarin wordt benoemd wat de persoonlijke doelen zijn op sociaal-emotioneel vlak’
Literatuurlijst

BCL. (2014, 11 12). BCL professional. Opgehaald van breinprincipes: http://martinferdinandgroenewegenvanderweijden.files.wordpress.com/2012/04/breinprincipes.pdf
Berben,M.,Teeseling van,M. (2014). Differentieren is te leren. In v. T. Berben.M, Differentieren is te leren (p. 128). Amersfoort: CPS Onderwijsontwikkeling en advies.
Bresser, E. (2014, 11 12). Contextuele leerlingbegeleiding . Opgehaald van Een vorm van begeleiden : http://www.orthoconsult.nl/upload_images/2013-11-262013.11-contextuele-leerlingbegeleiding-een-vorm-van-begeleiding-waarbij-thuis-altijd-aanwezig-is.pdf
Broesder,R., Donkers,A., Fanchamps,J., Goijaarts,A., Nammensma,J., Goei Lin,S.,Wosten,A. (2010). Vangnet van Zorg. Apeldoorn: Garant.+-
De Rooi Pannen.(2015). Waarom wij de dingen doen zoals we ze doen (Leidraad in de besluitvorming en communicatie). Breda: De Rooi Pannen.
Laak, van de,B.,Ethen-Rosie, van, M.,Peeters,H. (2009). Startnotitie zorgstructuur. Breda: De Rooi Pannen.
Onderwijsinspectie. (2009). Een verkennend onderzoek naar de kwaliteit van leerlingenzorg in het mbo. Utrecht : Onderwijsinspectie .
Passend onderwijs. (2014, 10 22). Opgehaald van Passend onderwijs: http://www.passendonderwijs.nl/
Project puberbrein. (2014, 11 12). Opgehaald van Project puberbrein: http://www.puberbreinbreda.nl/deelprojecten/
Rijksoverheid. (2014, 10 2). Passend onderwijs. Opgehaald van http://www.Rijksoverheid.nl: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs
Steenvoorde, M. (2014, 11 12). Lectoraat Flex college; op zoek naar een effectieve benadering van zorgleerlingen. Opgehaald van lectoraat Flex college; op zoek naar een effectieve benadering van zorgleerlingen: file:///C:/Users/Raphael/Downloads/BO-Lectoraat-Flex-College-op-zoek-naar-een-effectieve-benadering-van-zorgleerlingen.pdf
Thomaes,S., Hesseling,M. (2013). Puberbrein als innovatiekans. Utrecht: Universiteit Utrecht.

Bijlagen

Bijlage 1 – Interviews en enqu??te

Bijlage 1.1 ‘ Interview met de interne experts

Categorie: Algemene zorg voor de leerling
Vraag 1. Op welke manier wordt er passend onderwijs gefaciliteerd binnen de school?
Vraag 2. Welke zorg kan de school bieden met betrekking tot de leerling die een zorgindicatie heeft bijvoorbeeld aan; ASS, dyslexie, AD(H)D of faalangst?
Vraag 3. Tot in welke mate wordt een leerling aangenomen op school die een zorgindicatie heeft?
Vraag 4. Kunt u belichten wat de belangrijkste speerpunten zijn met betrekking tot het begeleiden van leerlingen met een indicatie binnen de school?
Vraag 5. Wordt er aandacht besteed aan individuele leerling die extra begeleiding nodig heeft op sociaal-emotioneel vlak of bij het ondersteunen tijdens het leerproces?

Categorie 2: ”10 leerbreinprincipes” in relatie tot de lwoo-leerling binnen de school
Vraag 6. Waarom is de keuze gemaakt om de ”10 leerbreinprincipes” te gaan hanteren binnen de school?
Vraag 7. Op welke manier wordt er doormiddel van de ”10 leerbreinprincipes” gewerkt aan het verbeteren van de relatie met de leerling in de klas?
Vraag 8. Op welke manier staan de ”10 leerbreinprincipes” in relatie tot de leerling met een zorgindicatie?
Vraag 9. Op welke manier kan er doormiddel van de ”10 leerbreinprincipes” aansluiting gevonden worden bij de leerling met een bepaalde problematiek bijvoorbeeld; ASS, AD(H)D, dyslexie of ernstige faalangst?
Vraag 10. Waaraan merkt u dat met het invoeren van de ”10 leerbreinprincipes” de leerling een hoger rendement haalt uit het leerproces?
Vraag 11. Op welke manier ondersteunt de school de docenten in het invoeren van de ”10 leerbreinprincipes” binnen de klas?
Vraag 12. Binnen welke lessen wordt er gewerkt aan de hand van de ”10 leerbreinprincipes”’?
Categorie 3: De lwoo-leerling in de klas
Vraag 13. Op welke manier worden de zintuigen geprikkeld bij de leerling om te komen tot de juiste werkmodus binnen de les?
Vraag 14. Op welke manier wordt de leerling aangezet tot zelfstandigwerken en het reguleren van zijn eigen leerproces tijdens de les?
Vraag 15. Op welk manier wordt er een krachtige leeromgeving gecre??erd?
Vraag 16. Op welke manier wordt de balans gevonden tussen de verhouding aan theoretische en praktische lesmomenten?
Vraag 17. Wordt de theorie ook Ge??ntrigeerd in de praktijkmomenten binnen de school?
Vraag 18. Op welke manier wordt er rekening gehouden met de leerdoelen die een leerling met een bepaalde indicatie dient te behalen?
Vraag 19. Zijn er voorschriften binnen de school waaraan de docent zich dient te houden met betrekking tot de opbouw van zijn les?
Persoonlijke aanvulling op het interview
Vraag 20. Zijn er eventueel nog punten met betrekking tot het vormgeven van het beleid binnen de school wat tijdens het interview nog niet aan de orde zijn gekomen?
Vraag 21. Zijn er nog punten die niet aan de orde gekomen zijn tijdens het interview wat betrekking kan hebben op de leerling in de klas met een zorgindicatie’?
Bijlage 1.2 ‘ Interview met de externe experts

Categorie 1. Pedagogisch benadering:
Vraag 1. Zijn er eventueel randvoorwaarden om een vertrouwensband op te bouwen met een leerling die een zorgindicatie heeft?
Vraag 2. Op welke wijze kan tijdens de praktijkles koken gezorgd worden voor de juiste randvoorwaarden om te komen tot een vertrouwensband met de leerling?
Vraag 3. Op welke wijze kan een docent omgaan met de diverse verschillen in gedragskenmerken van leerlingen met een zorgindicatie tijdens de praktijkles koken?
Vraag 4. Op welke wijze kan de leerling het beste geactiveerd worden om deel te nemen aan het leerproces in de klas?
Vraag 5. Op welke wijze worden er afspraken gemaakt om te komen tot het beoogde gedrag bij de leerling tijdens de praktijkles koken?
Categorie 2. Didactische benadering:
Vraag 5. Op welke manier zou de docent de leerdoelen kunnen formuleren zodat de leerling met een zorgindicatie in zijn leerbehoefte wordt voorzien?
Vraag 6. Op welke manier worden er afspraken gemaakt met de verschillende leerlingen binnen de klas met betrekking tot de leerdoelen die ze moeten behalen?
Vraag 7. Op welke manier kan de docent zorgen dat een lwoo-leerling aangezet wordt tot het cre??ren van zelfstandigheid en zelfregulatie tijdens de praktijkles koken’?
Categorie 3. Beleid en organisatie:
Vraag 9. Waarop zou de focus kunnen liggen binnen de lessen in het regulier onderwijs met betrekking tot het invoeren van passend onderwijs?
Vraag 10. Welke punten zijn belangrijk om mee te nemen in het beleid om te komen tot een krachtige leeromgeving als het gaat om leerlingen met een zorgindicatie?
Vraag 11. Op welke manier zou het raadzaam zijn om binnen het beleid ruimte te maken voor persoonlijke ontwikkeling van een docent, met betrekking tot de problematiek die een leerling met een lwoo-indicatie kan ondervinden?
Persoonlijke aanvulling:
Vraag 12. Zijn er bepaalde punten die nog van invloed kunnen zijn op de aanpak van een docent in de klas die binnen dit interview nog niet zijn meegenomen?
Vraag 13. Zijn er nog eventueel punten die binnen de onderwijsinstelling met betrekking tot het beleid belangrijk zijn om mee te nemen in het ontwikkelen van een krachtige leeromgeving voor een leerling met een lwoo-indicatie’?
Bijlage 1.3 – Interview met de praktijkdocent koken

Categorie 1. Krachtige leeromgeving
Vraag 1. Wat is uw visie op een krachtige leeromgeving waarin de leerling centraal staat en hoe past u dit toe tijdens de les?

Vraag 2. Op welke manier ziet u de rol van de docent binnen een krachtige leeromgeving zoals een praktijkles koken?

Categorie 2. Sturing en structuur / herhalen en oefenen
Vraag 3. Wat is uw visie op het geven van sturing en het bieden van structuur tijdens een praktijkles koken en op welke manier geeft u hier vorm aan?

Vraag 4. Op welke manier gaat u om met het bieden structuur met betrekking tot een leerling die een zorgindicatie heeft, hoe past u dit toe tijdens de les?

Vraag 5. Op welke manier zorgt u voor de leerling die extra aandacht nodig heeft met betrekking tot bijvoorbeeld herhalen en oefenen van een leertaak tijdens de praktijkles koken?

Categorie 3. Focus/Prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving en relatie
Vraag 6. Hoe belangrijk vindt u een veilig leerklimaat in relatie tot de leerling tijdens de praktijkles koken, hoe geeft u hier vorm aan?

Vraag 7. Is het voor u belangrijk om een leerling te stimuleren een proactieve houding aan te laten nemen tijdens de praktijkles koken op welke manier past u dit toe?

Vraag 8. Op welke manier prikkelt u de leerling met een indicatie zoals ADHD, ASS of faalangst om deel te nemen aan het leerproces tijdens de praktijkles koken?

Vraag 9. Hoe belangrijk vindt u dat de leerlingen gefocust zijn tijdens een praktijkles koken, hoe houdt u hier zicht op?

Categorie 4. Voortbouwen op bestaande kennis/feedback en evaluatie
Vraag 10. Op welke manier vindt u aansluiting op de parate kennis van de leerling binnen de praktijkles koken?

Vraag 11. Op welke manier houdt u rekening met de leerling die een indicatie heeft zoals ASS, ADHD of faalangst met betrekking tot het voortbouwen op bestaande kennis?

Vraag 12. Op welke manier houdt u rekening met de leerlingkenmerken als het gaat om het geven van feedback en het evalueren van een les?

Vraag 13. Heeft u nog aanvullende informatie die van waarde kan zijn binnen dit interview met betrekking tot de aansluiting vinden met de leerling in de klas’?
Bijlage 1.4 – Enqu??te met de leerlingen

Beste leerlingen,
Hierbij wil ik jullie medewerking vragen om de onderstaande enqu??te in te vullen. De enqu??te maakt onderdeel uit van mijn afstudeeronderzoek en gaat over de praktijkles koken. De enqu??te is opgebouwd uit stellingen waarbij de vraag is of je het ermee eens bent of niet. De gegevens worden anoniem verwerkt in mijn onderzoek. Ik wil jullie via deze weg bedanken voor jullie medewerking.
Met vriendelijke groet,
Instructeur koken Dhr. Klinkert
Enqu??te leerling Oneens ”’ Eens
Stelling: 1 2 3 4 5 6
1. Tijdens de praktijkles koken wordt er gebruik gemaakt van voldoende technieken, materialen en apparatuur om een realistisch beeld te kunnen vormen van het toekomstig beroep binnen de praktijk.
2. De docent die de praktijkles koken geeft heeft voldoende vakkennis om mij te kunnen ondersteunen tijdens de praktijkles koken.
3. Tijdens de praktijkles wordt er duidelijk uitleg gegeven over de regels en de onderwerpen die tijdens de les behandeld worden.
4. De docent legt de lesstof zo uit dat ik de theorie in de praktijk kan toepassen.
5. Ik krijg genoeg begeleiding tijdens de praktijkles om mijzelf de lesstof eigen te maken.
6. Ik voel mijzelf tijdens de praktijkles op mijn gemak om vragen waarmee ik zit te kunnen stellen aan de docent.
7. Tijdens de praktijkles voel ik mijzelf vertrouwd en veilig om aan mijn leertaak te kunnen werken.
8. De docent neemt voldoende tijd voor mij, om mij te begeleiden als ik iets niet snap of denk dat ik iets niet kan.
9. Tijdens de praktijkles krijg ik voldoende afwisseling zodat ik mijzelf niet hoef te vervelen.
10. Tijdens de praktijkles koken zorgt de docent dat ik bij de les betrokken blijf.
11. Het boeit mij altijd als de docent uitleg geeft over een onderwerp tijdens de les.
12. De docent weet mij altijd aan het werk te krijgen doordat hij mij op de juiste manier benaderd om aan het werk te gaan.
13. De docent zorgt er voor dat ik tijdens de les wordt aangezet om zelf na te denken over een onderwerp.
14. Van de docent mag ik tijdens de praktijkles koken zelf een oplossing uitvoeren om te komen tot een goed eindproduct.
Misschien heb je nog een opmerking of wil je nog iets toelichten wat te maken heeft met de onderwerpen die tijdens de enqu??te zijn gevraagd. Het kan ook zijn dat je eventueel iets hebt wat niet meegenomen is tijdens de enqu??te dan kan je het invullen onder het kopje opmerkingen/toelichting:
opmerkingen/toelichting:

Bijlage 1.5 – Groepsinterview leerling

Interview stellingen
1. Tijdens de afgelopen praktijkles koken is er gebruik gemaakt van voldoende technieken, materialen en apparatuur om een realistisch beeld te kunnen vormen van het toekomstig beroep binnen de praktijk.
2. De docent die de praktijkles koken geeft heeft voldoende vakkennis om mij te kunnen ondersteunen tijdens de praktijkles koken.
3. Tijdens de praktijkles wordt er duidelijk uitleg gegeven over de regels en de onderwerpen die tijdens de les behandeld worden.
4. Ik krijg genoeg begeleiding tijdens de praktijkles om mijzelf de lesstof eigen te maken.
5. Ik voel mijzelf tijdens de praktijkles op mijn gemak om vragen waarmee ik zit te kunnen stellen aan de docent.
6. De docent heeft voldoende tijd om mij te begeleiden als ik iets niet snap of denk dat ik iets niet kan.
9. Tijdens de praktijkles krijg ik voldoende afwisseling zodat ik mijzelf niet hoef te vervelen.
10. Tijdens de praktijkles koken zorgt de docent dat ik bij de les betrokken blijf.
11. Het boeit mij altijd als de docent uitleg geeft over een onderwerp tijdens de les.
12. De docent zorgt er voor dat ik tijdens de afgelopen les wordt aangezet om zelf na te denken over een onderwerp.
13. Van de docent mag ik tijdens de afgelopen praktijkles koken zelf een oplossing uitvoeren om te komen tot een goed eindproduct.

Bijlag 2 ‘ Documentenanalyse

Bijlage 2.1 Visie en beleid met betrekking tot de algemene zorg voor de leerling
Uit het beleidsstuk Leidraad in de besluitvorming en communicatie met de titel ”Waarom wij de dingen doen zoals wij ze doen” de Rooi pannen (2015) wordt de missie duidelijk verwoord. De missie wordt als volgt verwoord ” Wij halen het beste uit onze leerlingen”. Hierbij berust de uitspraak op drie kernwaarden, Eigen koers lef, kwaliteit in elk aspect en gedegen consistentie. De draagkracht van de kernwaarden wordt gedragen door drie pijlers, praktijkgericht onderwijs, ondernemende leerlingen en kleinschalig van opzet. Hierbij wordt aan de leerling een aantal beloftes gedaan. Onder de pijler van het praktijkgericht onderwijs staat, de leerling ervaart dagelijks de beroepspraktijk in de eigen schoolomgeving hierbij hanteert de Rooi pannen de waarde en normen die gebaseerd zijn op de beroepspraktijk. Onder de pijler van de ondernemende leerling wordt de belofte gedaan dat de school de leerling activeert en stimuleert een ondernemende houding aan te nemen. Daarnaast is de visie van de school om het beste uit iedere leerling te halen en daarbij verantwoordelijkheidsgevoel bij te brengen. Onder de pijler kleinschaligheid van opzet wordt de belofte gedaan dat de school zorgt voor een veilige leeromgeving waarin ieder wordt herkend en erkend. Binnen deze omgeving krijgt de leerling de persoonlijke begeleiding die hij nodig heeft en wordt er doormiddel van een goede samenwerking met ouders of verzorgers naar passende begeleiding gezocht aldus beleidsstuk ”Waarom wij de dingen doen zoals wij ze doen” de Rooi pannen (2015).
Bijlage 2.2 Het beleid met betrekking tot de zorg voor de lwoo-leerling
Onder de pijler van ”de kleinschaligheid van opzet” zit de zorgstructuur met betrekking tot de leerling met een lwoo-indicatie. In het beleidsstuk ”Start notitie Zorgstructuur (2009)” staat beschreven wat de visie binnen de Rooi pannen is met betrekking tot de zorg voor de leerling. De visie op zorg is onderverdeeld in een positief pedagogisch klimaat, leerlingenzorg is preventief van karakter, accent op onderwijs gerelateerde problemen.
Binnen het beleidsstuk ”Start notitie Zorgstructuur (2009) staat omschreven dat de school in principe geen zorginstelling is maar zich wel verantwoordelijk voelt voor problemen die het leerproces be??nvloeden. Hierbij wordt er onderscheid gemaakt tussen niet onderwijs gerelateerde en gerelateerde problemen. Binnen de Rooi pannen speelt de basisbegeleiding zich zoveel als mogelijk in de klas af hierbij is de spil de mentor. Binnen de dagelijkse onderwijspraktijk is het de taak van de docent en/of de instructeur om vroegtijdig te signaleren. Bij het signaleren van eventuele problemen initieert de mentor betrokkenheid bij ouders of verzorgers. De mentor bespreekt de casus in het mentoroverleg. Dit overleg bestaat uit de mentor, de interne begeleiders en de zorgco??rdinator. De zorgco??rdinator co??rdineert de zorg en afhankelijk van het probleem zoekt de zorgco??rdinator voor passende zorg bij het probleem. Bij niet onderwijs gerelateerde problemen kan de zorgco??rdinator er voor kiezen om de casus door te verwijzen naar het zorgadviesteam (ZAT). Hieruit kan er een handelingsadvies komen voor de docent of instructeur in de klas. Het kan zo zijn dat een leerling een verhoogd ongeoorloofd verzuim laat zien dan wordt er aan de bel getrokken bij de leerplichtambtenaar. Hierbij wordt er een gesprek gepland met de leerling en eventueel ouders om vroegtijdige uitval te voorkomen in het kader van een minimale startkwalificatie niveau 2.

Bijlage 3 ‘ Verslag interview experts

Bijlage 3.1 Verslag interne experts
Categorie: Algemene zorg voor de leerling
Binnen de school wordt niet specifiek rekening gehouden met individuele leerdoelen die van toepassing zijn op de leerling. Binnen de school is wel spraken van een zorgstructuur in hoe ver de school de zorg kan structureren.
De mentor is het eerste aanspreekpunt voor de leerling kan deze het niet oplossen zijn er binnen school nog twee leerling begeleiders. Deze begeleiders hebben ieder hun eigen specialisatie de een doet faalangstreductietraining en de andere begeleider ondersteund bij rouwverwerking. Naast hun specialisatie hebben de begeleiders de verantwoordelijkheid om individuele gesprekken te voeren met leerlingen. Voordat de leerling bij de leerlingbegeleiders wordt geplaats is er een gesprek met de zorgco??rdinator. Deze is verantwoordelijk voor het tot stand brengen van zorg op maat voor de leerling. De zorgco??rdinator heeft een beterbeeld wat betreft zorg die kan worden geboden. Daarnaast is vier uur per week schoolmaatschappelijk werk aanwezig. Dit is een externe die wordt ingezet voor de leerling om te ondersteunen bij een bepaalde problematieke. De zorgco??rdinator en de leerlingbegeleiders vormen binnen De Rooi Pannen het zorgadviesteam (ZAT). Samen met de leerplichtambtenaar wordt geprobeerd om de leerling binnen boord te houden. Alleen het verschil in het niveau van de mentoren is groot, dit heeft als gevolg dat sommige mentoren soms niet genoeg signaleren en te laat zijn. De wet is gewijzigd, hierbij is de wet op passend onderwijs ingevoerd. Hierbij heeft de school als plicht om toekomstige leerlingen gelijk te behandelen. Het aannemen van leerlingen is onder te verdelen in drie kernpunten. Punt een is een goede voorlichting met betrekking tot de inhoud van de opleiding. Hierbij moet diegene die de voorlichting geeft helder zijn over zowel de positieve als de negatieve punten. Punt twee is de leerling die tijdens het intakegesprek deelneemt capabel genoeg om het toekomstig beroep uit te voeren. Bijvoorbeeld een leerling die blind is kan moeilijk kok worden. Hierbij wordt er gekeken in hoe ver de leerling met een bepaalde handicap een kans van slagen heeft binnen het vak. Hierbij gaat het vaak om het grijze gebied waarbij niet meteen duidelijk is of hij of zij het vak aan kan. Het derde kernpunt is wat kan de school bieden. Is de keuze voor de leerling ja dan wordt er gekeken welke zorg de school kan bieden binnen. Is de zorg binnen de school niet aanwezig dan wordt gekeken welke zorg buiten de school moet worden gezocht.
Het ZAT binnen de school analyseert individuele casussen waarop zij een handelingsplan maken met daarin afspraken tussen verschillende partijen. Bijvoorbeeld de school, de leerling en het thuisfront (ouders en/of verzorgers). Deze afspraken worden schriftelijk vastgesteld en ondertekend door alle partijen. Binnen dit plan staat genoteerd wat is afgesproken met betrekking tot de zorg voor de leerling. Het eerste speerpunt is het behalen van het diploma, hierbij is het nog belangrijker dat de leerling gelukkig is binnen de school. Hiervoor zijn wij heel erg bereid om hierin ver te gaan. Het is wel van belang om hierin niet te ver door te slaan. Hier is het wel een verschil tussen niveau 2 en 3 met betrekking tot niveau 4.

Categorie 2: ”10 leerbreinprincipes met betrekking tot de zorgleerling binnen de school
De invoering van de ”10 leerbreinprincipes komt voort uit de samenwerking met het Tessenderlandt college. Het is ingevoerd om de doorlopende leerlijn vanuit het VMBO door te trekken en te verbeteren binnen het MBO. Hierbij is de opzet om de lessen aantrekkelijker te maken voor de leerlingen en is de gedachte de leerling beter bij de les te houden. Doordat men als docent weet hoe het brein functioneert bij leerlingen tot 26 jaar, en hierbij weet hoe de asoo-methode moet worden ingezet kan een betere aansluiting worden gevonden bij de leerling. Door de sterke punten van de leerling te belichten en een positief te benadering kan vertrouwen worden gecre??erd bij de leerling. Hierbij is het van belang om niet de hele tijd het leerproces onder controle te willen houden als docent maar de leerling zelf kennis te laten reguleren. Als de docent niet het proces loslaat en de leerling niet zelf kennis laat reguleren kan het leiden tot stagnatie in het leerproces waardoor de leerling met minder vertrouwen aan het werk is tijdens de les. Dit kan van grote invloed zijn op een leerling met een indicatie. Door een leerling met een indicatie positief te benaderen krijgt hij meer zelfvertrouwen en heeft hij het gevoel dat hij waardevol is. Binnen het groepsproces wordt de klas ingedeeld in groepen. Hierbij wordt een rolverdeling toebedeeld aan de leerlingen. De werkvormen zijn vooral actief en niet passief voorbeelden zijn, samenwerken in groepsverband en/of de interactie aan te gaan met leerlingen. Door de activerende werkvormen zou de docent beter kunnen inspelen op het vertrouwen van het individu. De docent heeft hierbij meer een begeleidende rol waardoor hij tijd heeft om in te kunnen spelen op de individuele leerling, dit is niet het geval als hij alleen maar moet uitleggen. De leerling heeft meer autonomie en status en kan binnen de les beter de focus behouden, hij doet immers iets waar zijn interesse ligt. Het is hierbij belangrijk dat de docent binnen een duidelijk theoretisch kader werkt wat helder is voor de leerling. Immers het doel moet eerst helder zijn. Om de docenten wegwijs te maken met de ”10 leerbreinprincipes” zijn er bijeenkomsten geweest. Hierbij hebben de docenten geleerd om de ”10 leerbreinprincipes” in te brengen binnen de onderwijspraktijk.
Het implementeringstraject is twee jaar geleden ingevoerd, het is alleen jammer dat er op dit moment te weinig aandacht is voor het toepassen van ”10 leerbreinprincipes” in de klas. Het zou bij de docenten wederom op de agenda moeten komen. Binnen de school wordt er voornamelijk binnen de projecten van het CGL gewerkt met de leerbreinprincipes bijvoorbeeld bij, het project van het familiediner. Hierbij wordt er door de betrokken partijen in groepen verdeeld, deze groepen bestaat uit de koksklas en de bedieningsklas. Tijdens de les wordt door de groep een rolverdeling gemaakt wie verantwoordelijk is voor een bepaalde taak, samen wordt een menu gemaakt. Tijdens het proces gaan ze in overleg met elkaar over het menu en de bijpassende wijnen. De groep beslist aan de hand van een thema wat de invulling wordt van de avond. Binnen dit leerproces wordt van de docent verwacht dat hij vooral een begeleidende en coachende rol heeft. Doormiddel van het integreren van de theorie met betrekking tot taal en rekenen wordt er een koppeling gemaakt naar de AVO vakken. Hierbij is het van belang om als docent te communiceren met de collega’s om het proces zoveel mogelijk te stimuleren en te begeleiden. Het geven van de juiste hoeveelheid theoretische kennis is hierbij een belangrijk item. Te weinig kan leiden tot het niet helder krijgen van de lesstof, teveel tot het niet loslaten van het leerproces. Na afloop van het leerproces vindt er een peerbeoordeling plaats. Deze peerbeoordeling mag alleen maar positief zijn tips en tops. Hierbij is het de bedoeling om het positieve uit iemand te halen en daarbij een tip mee te geven waarbij de leerling kan groeien binnen het leerproces.

Categorie 3: De zorg voor de leerling in de klas
Met betrekking tot leerdoelen wordt niet specifiek rekening gehouden met de doelen die een leerling met een indicatie moet behalen, dit is het zelfde als een reguliere leerling. Wel wordt er rekening gehouden met een bepaalde indicatie bijvoorbeeld, dyslexie hiervoor wordt het lettertype aangepast en krijgt een leerling meer tijd om een toets te kunnen maken. Voor bijvoorbeeld faalangst worden er trainingen gegeven waardoor de leerling leert omgaan met faalangst. Hierbij zijn de afspraken in het handelingsplan de fundamenten voor een goed verloop binnen de klas.
Doormiddel van een krachtige leeromgeving bijvoorbeeld, het gebruiken van beelden en het tastbaar maken tijdens de lessen wordt er geprobeerd om de leerling zintuigelijk te prikkelen. Bij het cre??ren van een krachtige leeromgeving is het belangrijk om te zorgen voor genoeg afwisseling tijdens de les. De leerling moet zich niet afgeleid raken maar de focus behouden.
Doormiddel van het werken in een groepsproces waarin ze leren te communiceren met andere partijen om te komen tot een goed eindresultaat wordt de leerling aangezet tot zelfstandig werken. Binnen het proces van het zelfstandig werken wordt verwacht van de leerling dat hij leert probleemoplossend te werk te gaan. Hierbij wordt onder begeleiding gewerkt aan individuele leervragen en/of houding. Het zelfstandig werken en het zelfreguleren van kennis is voor de leerling moeilijk maar niet onmogelijk. De hoofdmoot binnen de vakopleiding is de beroepspraktijk zoals de praktijkles koken of een het CGL. Binnen het CGL (competentiegericht leren ) komt de theorie terug in de praktijk. Qua voorschriften voor de opbouw van de les zijn er geen specifieke voorschriften. Alleen wat belangrijk is voor een docent is, dat iedere docent de les opbouwt volgens een volwaardig didactisch model


Bijlage 3.1 ‘ Externe expert Vso
Categorie 1. Pedagogisch benadering:
Wat heel belangrijk is dat je eerlijk bent, ze moeten weten wat ze aan je hebben. Afspraken nakomen en staan voor wat je zegt. De voorwaarde cre??er je als docent op basis van de communicatie die je hebt met leerlingen. Je bent als docent een controlerende factor maar je zal niet er continu boven op moeten staan. Je geeft ze het vertrouwen om de leertaak uit te voeren door een stapje terug te doen maar daarbij moet je wel blijven controleren en eventueel bijsturen. Hierbij is het belangrijk om steeds meer de teugels een beetje te laten vieren. Daarnaast is het van belang om consequent afspraken te maken met de leerling en de leerling daar ook aan te laten houden.
Eerlijk en oprecht zijn de leerling het gevoel geven dat hij de leertaak kan uitvoeren. Hierbij in de interactie de leerling het gevoel geven dat hij de taak tot succes kan volbrengen. Daarbij niet compleet de regie in houden proberen te houden maar tevens ook laten ervaren. Tijdens de interactie is het belangrijk om niet vanboven af te reageren op de leerling dit kan leiden tot angst en tegengedrag van de leerling. Hierbij is het de taak van de docent om het samen gevoel te cre??ren bij de leerling. Tevens zal de docent in het gesprek met de leerling moeten uitspreken dat hij het kan en dat de docent in hem gelooft. Tevens is het belangrijk om vertrouwen en de verantwoording te geven. Hierbij moet je als docent blijven controleren of het goed gaat.
Alle leerlingen hebben hun eigen problemen, om te kunnen omgaan met de verschillen zou je als docent de eisen en doelen bij het individu anders moeten stellen. Daarbij zou je als docent de leerling kunnen aanspreken op het gedragsverschil wat hij vertoont. Hierbij is het wel belangrijk om dit door te communiceren met de klas om bij de leerlingen niet het gevoel te krijgen dat iemand voorgetrokken wordt.
Het doel moet eerst duidelijk zijn voor de leerling. Is het doel niet duidelijk zal de leerling minder gemotiveerd zijn om aan de slag te gaan tijdens de les. Maak als docent het doel bespreekbaar en vraag wat hij hier voor nodig denkt te hebben. Meestal vraag ik de leerling met welk doel hij binnen de school binnen komt bijvoorbeeld wat wil je worden of binnen welke sector wil je werkzaam zijn. Als dit duidelijk is wordt de vraag gesteld wat denk je hier voor nodig te hebben om je doel te kunnen bereiken. Hierbij worden afspraken gemaakt binnen de klas wat de leerling kan verwachten en wat er van de leerling wordt verwacht. Daarbij worden persoonlijke doelen gesteld en doelen die inherent zijn aan de keuze voor een bepaald vak. Als het doel en de verwachtingen duidelijk in beeld zijn genomen wilt de leerling hier ook aan voldoen, dit komt doordat hierdoor de intrinsieke motivatie van de leerling wordt aangesproken.
Binnen de les activeer ik de leerling mede door de punten helder op bord te schrijven en het gewenste gedrag te benoemen hierdoor cre??er je als docent duidelijkheid voor de leerling, dit om doelgericht te kunnen werken aan zijn leertaak. Hierbij let ik als docent op of de leerling uit zichzelf de dingen op pakt voorbeeld hiervan is het zelfstandig afsluiten van een lesmoment bij een vak wissel. Vaak hoef ik maar te kijken en ze doen het dan vanzelf mede doordat ik ze het gevoel geef dat we samen aan de leertaak werken. Een positieve benadering van de leerling is hierbij een must voor iedere docent. Ze moeten zelf tot actie overgaan.
Met betrekking tot het regulier onderwijs wordt er meer de nadruk gelegd op de lesstof en wordt het pedagogisch aspect vaak vergeten. Dit heeft als gevolg dat binnen het regulier onderwijs de leerling als dom wordt benoemd en zo gedemotiveerd wordt. Dit wordt vaak ook nog eens uitgesproken door de docent. Maar in feite is het aan de docent om de leerling doormiddel van een positieve benadering te motiveren en te activeren. Uit het pedagogische stuk kan immers de winst worden behaald om de leerling om dusdanige manier te activeren om deel te nemen aan het leerproces in de klas.
Afspraken met de leerling bespreken en noteren op bord. Hierbij is het de bedoeling om het verwachtingspatroon van beide kanten uit te spreken en te benoemen. Meestal betrek ik de sport erbij die de leerling doet. Het is net een spel wat je gaat spelen er zijn regels nodig om het spel goed te spelen. Hierbij is het voor de docent belangrijk om aan te geven waar hij op gaat letten en wat er verwacht wordt. Tijdens het maken van de afspraken kijk ik als docent wat kan ik van die leerling eisen en wat is eventueel te veel gevraagd. Dit is voornamelijk belangrijk om een veilig klimaat te cre??ren waarin de leerling zich veilig voelt om te kunnen werken. Het overvragen van de leerling werkt immers demotiverend en zal leiden tot niet acceptabel gedrag. In de basis komt het erop neer dat je duidelijkheid bij de leerling moet cre??ren waardoor hij weet waar hij aan toe is dit is in de klas als met het individu. Ik verwijs hierbij vaker naar het regulier onderwijs, dit om vooral duidelijk te maken wat de eisen zijn om het diploma te behalen. Hierbij geef ik aan dat als je een diploma wilt behalen het nodig is om zich hieraan te conformeren ondanks dat het speciaal onderwijs is. Dit geef ik aan omdat dit immers hoort bij de eisen die worden gesteld aan de competenties van het diploma.
Categorie 2. Didactische benadering:
Wat ik meestal doe is de problematiek van de leerling bespreekbaar maken hierbij ga ik uit van de observatie die ik gedaan heb. Hierbij ga ik kijken naar de problematiek van de leerling wat staat er in het dossier. Vervolgens ga ik het gesprek aan met de leerling en geef aan welke leerpunten ik heb gezien bij de leerling. Dit noteer ik in het IOP (individueel opleidingsplan). Nadat het is geformuleerd ga ik in gesprek met de leerling over de leerdoelen die in het IOP benoemd zijn. Ik vraag de leerling met betrekking tot de leerdoelen of hij zichzelf erkend in de leerdoelen die zijn geformuleerd. Wat heel belangrijk is dat je als docent het goed onderbouwd waarom een leerdoel van belang is bij de leerling. Dit kan zijn op gedrag of op formelen leerdoelen die aan de opleiding geconformeerd zijn. Naast het gesprek met de leerling worden de afspraken tevens met de ouders of verzorgers doorgenomen om zo een helder beeld te vormen voor alle betrokken partijen. Alles wordt opgenomen in het IOP de afspraken zijn specifiek benoemd. Hierbij worden bijvoorbeeld ook afspraken benoemd als het maken van huiswerk, het zelfstandig naar school komen met het openbaarvervoer tot het grotere doel het behalen van het diploma in twee jaar. Doormiddel van individu gesprekken en het formuleren binnen het IOP( individueel opleidingsplan). Wordt er een duidelijk opleidingsplan gemaakt van het individu. Dit heeft als gevolg dat er duidelijkheid en overzicht wordt geboden waarbinnen de leerling kan functioneren.
Als ik kijk zelfstandigheid en het zelfreguleren van kennis binnen de eigen onderwijspraktijk dan komt het in alles wat ik doe terug. Wilt een leerling regulier gaan meedraaien wordt zelfstandigheid en het regulieren van eigen processen verwacht. Om zelfstandig te leren werken is het belangrijk om kleinschalig te beginnen met opdrachten. Dit betekend doormiddel van bijvoorbeeld het zelfstandig brengen van een boodschap of het zelf doen van een boodschap leren om zelfstandig te kunnen functioneren. Hierbij merk je als de leerling nog niet veel zelfvertrouwen heeft dat hij vooraf aan de opdracht steeds komt vragen wat hij moet doen. Hierbij vraagt de leerling dan wat moet ik ook al weer doen en bij wie. Vaak komt de vraag of er in eerste instantie iemand mee kan gaan om te begeleiden. Bij een boodschap bijvoorbeeld dan zal ik de leerling hierin begeleiden om hem naar de plek van bestemming te brengen maar de leerling moet zelf vragen en ondernemen wat hij moet halen. Door de kleine stappen te nemen cre??er je zelfvertrouwen en vergroot je het vermogen om zelfstandig opdrachten en processen te kunnen regulieren. Voornamelijk het reguleren van eigen processen kan je oefenen door klein te beginnen. Hierbij is het belangrijk om het te visualiseren zodat het zichtbaar wordt voor de leerling. Het tastbaar maken heeft als uitwerking op de leerling dat hij er beter betekenis kan geven aan de actie die hij onderneemt. Het waarschuwen van een leerling bij niet acceptabel gedrag kan bijvoorbeeld door een voor afgesproken teken. Dit heeft als uitwerking dat de leerling op die manier visueel weet wanneer hij dreigt af te dwalen. Dit zou ook kunnen doormiddel van het stellen van een vraag aan de leerling. Bij deze actie pak je de leerling apart. Dit kan je doen door een aantal leerlingen apart te pakken waaronder de desbetreffende leerling. Hierdoor cre??er je geen onrust in de klas en zal de leerling niet aangekeken worden door andere leerlingen doordat hij een directe benadering heeft. In de basis is het eerlijk zijn en duidelijk als het de leerling niet lukt om de actie te voltooien moet je de leerling helpen om het wel te kunnen. Door de leerling op een positieve manier te benaderen en te helpen krijgt de leerling het zelfvertrouwen om het wel te kunnen. Op deze manier kan je het steeds uitbreiden en de leerling binnen zijn comfortzone bewust en vertrouwd laten worden met het zelfstandig werken en het zelf reguleren van processen.

Categorie 3. Beleid en organisatie:
De focus moet liggen bij de docenten, ik heb veel contact met collega’s van scholengemeenschap Den Hulster die geven aan dat ze zelf niet opgeleid zijn om met dit type leerling te werken. Met betrekking tot de zorg leerling wordt gezegd door de docenten dat ze hier niet voor opgeleid zijn. De opvatting van de docent binnen het regulier is vaak dat de leerling maar moet volgen en als die dat niet kan dan is dat niet mijn zorg. Met dit type leerlingen kunnen ze heel slecht omgaan en hebben ze veel moeite mee. Hierbij denk ik dat er veel meer aandacht moet zijn voor de pedagogische aspecten zoals leerling benadering en oog voor bepaalde problematieke. Binnen het regulier onderwijs is dit stukje van het docentschap onder gesneeuwd ze denken te veel aan de lesstof en kijken niet naar de leerlingen. Als gevolg hiervan krijgt de docent te weinig tijd om op pedagogisch vlak bezig te kunnen zijn en zijn les zo in te richten zodat de leerling met een indicatie kan opbloeien. Als de scholen binnen de school ”passend onderwijs” vorm willen gaan geven zouden de scholen meer oog moeten gaan hebben voor de problematiek van de leerling. Dit is op dit moment niet het geval. Het begrip voor de zorgleerling is soms ver te zoeken bij de docenten die werken binnen het regulier onderwijs.
De krachtigheid kan alleen maar vergroot worden door de kleinschaligheid. De leerlingen hebben aandacht nodig voor hun problematiek, dit kan je alleen maar gegeven worden als de groepen niet te groot zijn. Kleinschaligheid qua groepen bevordert de tijd waarmee de docent aan de slag kan met het individu. Binnen het regulier onderwijs zou je de tijd moeten krijgen om met de problematieke van de leerling aan de slag te kunnen gaan. Binnen de eisen die gesteld worden door een lesprogramma zou er tijd gemaakt moeten worden om de leerling met een indicatie te begeleiden. Hierbij is het belangrijk dat er momenten zijn dat leerlingen zelfstandig kunnen werken waardoor je tijd krijgt om individueel leerlingen te spreken. Hierbij krijgen alle leerlingen de tijd om hun verhaal te doen.
Hierbij is het belangrijk om extra bijscholing te geven voor de docenten. Dit om te leren omgaan met bepaalde problematieke die horen bij de diverse gedragsstoornissen die je kan tegenkomen binnen het onderwijs. Daarnaast is het krijgen van verschillende manier waarop je kan omgaan met diverse kenmerken die horen bij gedragsstoornissen van belang. Een simpel voorbeeld hiervan is intervisie met collega’s. Dit kan er aan bijdragen dat je doormiddel van het delen van een bepaalde casus kunt komen tot een verbeterde aanpak. Het leren handelen op gedragskenmerken van leerlingen met een indicatie zou je kunnen oefenen met collega docenten. Hierbij is het voordeel dat je spelenderwijs leert omgaan met de diverse gedragskenmerken die inherent zijn aan het werken met de doelgroep.
Persoonlijke aanvulling en visie:
Gezamenlijk ben je bezig om samen te werken aan het doel wat de leerling voor ogen heeft. Misschien is het mooi om doormiddel van therapie te werken aan het vergroten van het vertrouwen van leerlingen. Een voorbeeld is hiervan speltherapie. tevens is het zeer belangrijk om een krachtige omgeving te cre??ren met veel openheid om de leerling het vertrouwen te geven om te kunnen presteren. Daarbij is het van belang om doormiddel van interactie in samenspraak te komen tot een goed klimaat waarin er ruimte is voor het individu

Bijlage 3.2 ‘ Verslag interview externe expert
Categorie 1. Pedagogisch benadering:
Een vertrouwensrelatie met de leerling cre??er jezelf en is het belangrijkste om ??berhaupt te kunnen werken met een leerling. Om binnen het speciaal onderwijs te leren omgaan met bepaalde kenmerken wordt er gebruik gemaakt van de interactiewijzer. De interactiewijzer gaat uit van de benadering van een leerling. Niet iedere leerling is het zelfde de een heeft een directe manier nodig van benaderen, een andere leerling heeft meer een benadering nodig die rustig is zodat hij meer zelfvertrouwen krijgt om de leertaak uit te voeren. De randvoorwaarden liggen binnen het speciaal onderwijs in de formatie van de groep. Dit heeft als gevolg voor de docent dat de aandacht beter kan verdelen over het individu. In het kader van het passend onderwijs denk ik dat niet iedereen daar wel bij kan varen. De kwetsbare groep de leerling met een indicatie zou daarbij verloren kunnen gaan. Hierbij liggende de risico’s in het niet optimaal krijgen van een veilig leerklimaat en op juiste manier vertrouwen te cre??ren bij de leerling. Dit heeft als gevolg dat het vertrouwen er niet is om aan de leertaak te kunnen starten. Het begint bij de relatie en het optimaal krijgen van het pedagogisch klimaat. Door als docent veel in te steken op wat de leerling kan en niet op wat hij niet kan is het mogelijk om bij deze doelgroep een vertrouwensband te cre??ren. Een zeer positieve benadering is hier onderdeel van om de juiste band te kunnen krijgen. Hierbij is het belangrijk dat je de leerling status geeft en laat participeren binnen het leerproces. Het omgaan met verschillen blijft maatwerk ieder individu heeft een andere benadering. Voor dat je begint met de les moet eerst een moment van ontlading zijn. Dit betekent voor een docent dat hij de tijd moet nemen om de juiste mindset te cre??ren bij de leerling om aan de leertaak te kunnen beginnen. Laat de leerling hierbij hun eigen verhaal vertellen. Tevens hanteer ik een zerotolerance beleid als het gaat om plagen, pesten en stoeien. Goed inschatte van de begin situatie is voor een docent erg belangrijk. Een leerling leert op twee manieren didactisch en sociaal-emotioneel deze doelen liggen voor een deel vast in het IOP. Op sociaal-emotioneel gebied begin de leerling met kleine doelen bijvoorbeeld, op tijd komen in de les. Het einddoel is het koksdiploma maar voor dat het doel bereikt wordt zijn er kleinere stapjes nodig die maken dat een leerling zich sociaal-emotioneel kan ontwikkelen. Tijdens de les is het belangrijk dat een docent consequent blijft als het gaat om het waarborgen van de regels.

Categorie 2. Didactische benadering:
Vooral het gedrag van de leerling laat zien welke leerbehoefte een leerling heeft dit met betrekking tot het sociaal-emotioneel vlak. Leerdoelen stel je binnen het speciaal onderwijs meer op sociaalvlak. Elke leerling heeft behoefte aan zijn eigen leerdoelen binnen het speciaal onderwijs. Het cre??ren van zelfstandigheid hangt af van de leerling. Voor een docent is het de kunst om de leerling zover te krijgen dat hij weet dat bij een docent kennis is te halen valt. Een docent moet het gevoel cre??ren dat de leerling er mag zijn en wat betreft kennis iets te halen valt. Wat belangrijk voor een leerling is dat hij medeverantwoordelijk wordt gemaakt in het formuleren van de leerdoelen. Door ze te betrekken in het formuleren van zijn leerdoelen maak je ze gemotiveerder om er aan de leerdoelen te werken. Zelfregulatie is binnen het speciaal onderwijs met deze leerling heel moeilijk maar niet onmogelijk. Het gaat erom dat je ze betrekt bij het proces in de klas door ze vertrouwen te geven en verantwoordelijk te maken voor taken in de samenwerking binnen de groep.

Categorie 3. Beleid en organisatie
Hierbij kan ik nog niet genoeg zeggen, maar wat ik wel kan zeggen is dat de partijen zich niet bewust zijn wat voor werk het is voornamelijk kijkende naar de individuele trajecten. Met deze leerling moet je qua tijd zeer flexibel zijn. Leerling moet eigenaar worden van zijn eigen leerproces en hiervoor zelf de tijd moet indelen hiermee kijkende naar de indicatie die een leerling heeft. Een reguliere leerling leert 80% van de tijd, een leerling binnen het speciaal onderwijs leert 40% van de tijd. De leerling met een indicatie heeft meer tijd nodig om de lesstof eigen te maken. Hierbij denk ik dat het ontwikkelingsperspectief moet liggen op de individuele ontwikkelingsplannen bij een leerling met een indicatie. Voor het beleid van een school moet de nadruk liggen op het cre??ren van veiligheid en structuur binnen de school. Hierbij is het belangrijk om de leerling voor de leerling een beschermend klimaat te bieden waarin ze zelfstandig leren werken binnen de school. Vooral door training en ontwikkeling aan te bieden aan de docent kan de school de docent in de klas beter klaarstomen voor de problematieke die een leerling met indicatie met zich meebrengt. Binnen het speciaal onderwijs wordt dit weg gezet in de studiedagen maar er wordt verwacht van een docent dat hij een stukje eigen ontwikkeling cre??ert. Binnen de school zijn een aantal uur weggelegd voor expertise bevordering om te komen tot genoeg kennis.

Bijlage 4 ‘ Verslag interviews

Bijlage 4.1 – Verslag interview praktijkdocent koken
Categorie 1. Krachtige leeromgeving
Binnen een krachtige leeromgeving begint alles met het opbouwen van een goede band met de leerling. Gezien het type leerling met betrekking tot de leeftijd vergt het duidelijkheid en structuur. Vervolgens na het opbouwen van een goede relatie is het belangrijk om de lijnen strak te houden. In het begin zou de docent frontaal les moeten geven om de structuur aan te geven en de kennisoverdracht op gang te krijgen. Hierbij is het belangrijk om de werkvormen uitdagend en afwisselend te houden. Naarmate de tijd is gevorderd zou je de verantwoording steeds meer moeten leggen bij de leerling. Hierbij zou de docent doormiddel van interactie met de leerling moeten komen tot meer zelfstandigheid en zelfregulatie. Door het geven van gerichte praktijk demo’s het visualiseren van handelingen kom je tot een doelgerichte overdracht van kennis. De rol van de docent is hierin op pedagogisch vlak een goede relatie opbouwen met de leerling. De leerling moet het vertrouwen hebben in een docent en ontspannen kunnen werken. Daarnaast is de didactische rol om kennis over te dragen. De kennisoverdracht zou op een rustige basis moeten plaatsvinden. Met rust gedoseerd stap voor stap het onderwerp brengen, het zelf laten ervaren en er betekenis aangeven heeft de prioriteit.

Categorie 2. Sturing en structuur / herhalen en oefenen
Binnen de onderwijspraktijk van een les koken is het belangrijk om duidelijkheid te cre??ren. Geen duidelijkheid leerdoel is vooral onrust bij de leerling. Het begint bij regels en een duidelijke uitleg c.q. instructie. Stap voor stap de onderwerpen aangaan en controleren of de kennis beklijfd. Hierbij is het herhalen en oefenen belangrijk om betekenis te geven aan de kennis wat overgedragen wordt. Verschillende situaties en momenten om de handeling uiteindelijk zelfstandig te kunnen uitvoeren binnen de beroepspraktijk is een het doel. Hierbij is het belangrijk om naar de groepsindeling te kijken met betrekking tot de sterke en/of de zwakke leerling. Om rekening te kunnen houden met het individu met betrekking tot het kunnen overdragen van kennis in groepsverband. 85 procent leren we immers door te doen met andere het werken in groepsverband versterkt de overdracht van kennis. Met betrekking tot de leerling met een zorgindicatie is het van belang om het dossier door te lezen. Het is goed om de achtergrond van de leerling te kennen om beter te kunnen anticiperen op de zorgvraag. Het is wel van belang om de leerling die een zorgvraag heeft op dusdanige manier te begeleiden zodat hij klaar wordt gestoomd voor de arbeidsmarkt. Dit betekend dat je niet te soft moet omgaan met het gedragsprobleem van de leerling. Wel rekening mee houden maar binnen bepaalde voorwaarde die inherent zijn aan het vak wat de leerling gaat uitoefenen. Allereerst is het belangrijk om binnen de les een band op te bouwen met de leerling. Daarnaast is het raadzaam om jezelf hierbij open te stellen voor de leerling om een goede band met de leerling te kunnen krijgen. Het gaat immers om wederzijds respect en eerlijkheid, het motto is hierbij bekend maakt bemind. Tijdens de les is het belangrijk om duidelijkheid te cre??ren en rust voor de leerling. Om te komen tot kennisoverdracht zijn de bovengenoemde voorwaarde het belangrijkste om tot resultaat te komen bij een leerling met een zorgindicatie. Tijdens het geven van een demo of instructie is het belangrijk om het stap voor stap te doen. De lesstof aangeven in stukjes die behapbaar zijn voor de leerling. Vervolgens is het belangrijk om te controleren door diepere denkvragen te stellen. Tijdens het proces is het belangrijk om aanwezige kennis te activeren. Het voortbouwen op bekende situaties en theoretische kennis geeft de leerling eerder de kans om nieuwe kennis op te slaan. Het geven van beeld en het visualiseren van kennis maakt dat de leerling er eerder betekenis geeft aan nieuwe kennis. Binnen het doen van kennisoverdracht is het belangrijk om met regelmaat de kennis te herhalen. Dit draagt er aan bij dat de leerling de kennis beter kan opslaan.

Categorie 3. Focus/Prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving en relatie
Binnen een veilig leerklimaat is een vertrouwensband met de leerling een must, is er geen vertrouwensband is er geen goede voorwaarde voor een veilig klimaat. De leerling moet je als docent veel vertrouwen geven en het geloof in zichzelf om tot prestatie te kunnen komen binnen de les. Door te stimuleren en te motiveren tijdens de les kan je bereiken dat je een goede band opbouwt met de groep en het individu. Een proactieve houding is erg belangrijk bij de leerling tijdens de les om kennis tot zich te nemen. Hierbij is het belangrijk om de leerling tijdens de les te stimuleren en te motiveren. Een voorbeeld hiervan is de leerling betrekken bij het proeven en het opmaken van gerechten en daarbij vooral het laten ervaren. Hierbij is het als docent belangrijk om de leerling positief te benaderen en uit te leggen waarom het zo moet. Daarbij is de rol van een docent belangrijk. Het positief benaderen is een van de kernwaarde die belangrijk is. Positieve feedback geven waarmee een leerling aan de slag kan is een must. Een negatieve ervaring door een niet goede benadering door de docent kan leiden tot terughoudendheid en stagnatie in het leerproces. Iedere gedragsstoornis en individu heeft zijn eigen benadering. Door van te voren goed in te lezen in de dossiers kan je al een beeld vormen van een leerling. Hierbij is het van belang om goed de achtergrond te leren kennen van het individu. Bij een leerling met faalangst, AD(H)D of autisme is het belangrijk om je benadering positief te houden en te complementeren zodat de leerling een succeservaring krijgt. Het positief benaderen is vooral de punten benoemen die goed gaan. Daarnaast moet je bij een leerling met autisme gestructureerd werken, het duidelijk benoemen en laten zien van iedere stap draagt er aan bij dat een leerling met autisme beter uit de voeten kan. Hierbij is het van belang om sociaal gezien de leerling te helpen door hem uit zijn leefwereld te halen. De bedoeling is daarbij om hem bewust te maken dat hij onderdeel is van een team met dezelfde doelen.
Binnen een praktijkles vind ik het belangrijk dat een leerling gefocust is om de lesstof tot zich te nemen. Hierbij zoek ik continu de interactie met de leerling om de leerling hierbij aan te spreken om alert te zijn. Door van tevoren te het doel duidelijk te vertellen en het te onderbouwen met realistische beelden vanuit het bedrijfsleven probeer ik de focus te krijgen en te behouden. Daarnaast is het belangrijk om de leerling het verhaal te laten vertellen. De uitwerking van deze actie is dat de leerling alert is omdat hij weleens een beurt zou kunnen krijgen en aan het woord zou kunnen komen.

Categorie 4. Voortbouwen op bestaande kennis/feedback en evaluatie
Ik vind de aansluiting bij de leerling door voort te bouwen op bestaande kennis. Hierbij ga ik de interactie aan doormiddel van vragen over de lesstof die de leerling heeft gehad. Naast het voortbouwen op al bestaande kennis probeer ik aan de hand van voorbeelden een beeld te vormen. Hierbij kan de leerling doormiddel van het visualiseren en de voorkennis te activeren een betekenis geven aan een nieuwe ervaring. Hierbij is het belangrijk om diepere denkvragen te stellen en de leerling te laten komen met antwoorden, niet als docent de antwoorden in te vullen voor de leerling. Ik hou rekening met een leerling met een indicatie zoals ASS, AD(H)D of faalangst door het onderwerp te visualiseren. Het tekenen op bord of het laten zien van plaatjes met aanvullend de theorie draagt bij aan het beter begrijpen van een onderwerp. Tijdens het geven van feedback en het evalueren is het belangrijk om de leerling positief te benaderen. Hierbij moet je vooral benoemen wat er goed is gegaan alvorens je ingaat op de minder goede dingen. Daarbij moet een evaluatie niet te langdradig zijn dit om te voorkomen dat de leerling afhaakt tijdens de evaluatie. Vooral eerst tops geven en dan met tips komen waarbij je het handelen goed onderbouwt. Tijdens het proces in de klas is het voor een docent belangrijk om de richtlijnen duidelijk te hebben. Hierbij moet je de leerling stimuleren om het beste uit zichzelf te halen. De rol van de docent is hierbij belangrijk om het leerproces te bewaken en te komen tot een goed eindresultaat. Vooral complementeren en stimuleren tijdens het koken en motiveren om thuis het te oefenen.

Bijlage 4.2 – Verslag interview praktijkdocent koken
Categorie 1. Krachtige leeromgeving
Een krachtige leeromgeving is in mijn beleving een omgeving waarin de leerling gestimuleerd wordt tot het nemen van eigen initiatief en een duidelijke eigen inbreng heeft. Gedurende de les wordt aanwezige kennis uit eerdere lessen, stages en eventuele bijbaantjes geactiveerd en waar nodig aangevuld. Tijdens mijn instructies vraag ik regelmatig of leerlingen al eens met een bepaald product gewerkt hebben of een techniek al eerder hebben uitgevoerd. Deze informatie betrek ik in mijn les om zo goed mogelijk aan te sluiten op de belevingswereld van de leerlingen. Als docent ben je verantwoordelijk om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de belevingswereld van de leerlingen, door te vragen naar hun eigen ervaringen en hier ook actief gebruik van te maken. Op die manier gaat de lesstof veel meer leven en zal het leerrendement een stuk hoger liggen. Wanneer leerlingen al ervaring hebben met een bepaalde handeling of product, geef ik graag de leerling de kans om in overleg een deel van de instructie voor zijn/ haar rekening te nemen. Zo gun je de betreffende leerling een succesmoment en beloon je als het ware het getoonde initiatief.

Categorie 2. Sturing en structuur / herhalen en oefenen
Structuur en duidelijkheid zijn twee termen die naar mijn mening als een rode draad door een praktijkles horen te lopen. Ik hanteer tijdens de praktijkmomenten een duidelijke structuur, waarbij ik ter ondersteuning gebruik maak van het Smartbord. Hierop presenteer ik de leerstof en wordt de uit te voeren handeling stap voor stap uitgelegd. Waar nodig gebruik ik filmpjes van bijvoorbeeld Passie voor horeca, om zo een handeling vast een keer te laten zien. Vervolgens demonstreer ik de handeling stap voor stap en vraag ik de leerlingen de kritische momenten te benoemen. Op basis van de instructie gaan de leerlingen aan de slag. Waar nodig geef ik tussentijds nog individuele instructies aan leerlingen en stuur ik bij, wanneer handelingen niet volgens de richtlijnen uitgevoerd worden. Een andere vorm van structuur is het maken van duidelijke afspraken omtrent de omgang met materiaal en gedrag tijdens de praktijkles. Plezier is een belangrijk onderdeel van het leerproces, maar dit moet wel binnen duidelijke kaders plaats vinden. Het is relevant om te benoemen wat eventuele consequenties zijn, wanneer deze afspraken niet nageleefd worden. Hierna is het als docent van cruciaal belang om hier consequent in te zijn. Ik probeer de leerlingen altijd zo veel mogelijk in hun waarde te laten. Dat wil zeggen, dat ik ze niet op een andere manier ga behandelen als klasgenoten. Daardoor krijgen zij niet het gevoel dat ze ‘anders’ zijn dan de medeleerlingen. Indien nodig maak ik afspraken met individuele leerlingen over bijvoorbeeld medicijngebruik of gedrag tijdens de les. Dit doe ik wel altijd in een 1 op 1 situatie, de hele klas hoeft van mij niet mee te krijgen wat ik met een leerling bespreek. Wanneer leerlingen moeite hebben met het uitvoeren van een bepaalde handeling en de andere leerlingen deze wel al beheersen, kies ik er vaak voor om na de uitleg nog een individuele instructie te geven. Zo kan het groepsproces doorgaan en krijgt de leerlingen die extra aandacht behoeft toch de begeleiding die hij/ zij nodig heeft.
Als een dergelijke leerling goed op kan schieten met een leerling met meer ervaring, zet ik hen samen aan een taak. Op die manier kan de sterkere leerling de leerling die extra aandacht nodig heeft op weg helpen en corrigeren waar nodig. Op die manier cre??er je een win/-win situatie, waarin de sterkere leerling zijn aansturende capaciteiten vergroot en de leerling met de hulpvraag begeleid wordt. Natuurlijk moet je als docent wel regelmatig controleren of dit op een juiste manier gebeurt.
Categorie 3. Focus/Prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving en relatie
Een veilig leerklimaat is in mijn ogen een basisvoorwaarde om goed te kunnen leren. De leerling moet zich in mijn les op zijn gemak voelen en bij mij terecht kunnen met eventuele vragen. Ik realiseer dit, door aan het begin van het schooljaar duidelijke afspraken te maken met de leerlingen. Deze gaan dan vooral over wat ik van hen verwacht, maar ook zeker wat zij van mij mogen verwachten qua begeleiding en aansturing. Daarnaast streef ik ernaar om zo veel mogelijk in het lokaal aanwezig te zijn gedurende een praktijkmoment, zodat ik direct kan inspelen op situaties. Dit kan het beantwoorden van een leervraag zijn, het corrigeren van ongewenst gedrag of juist het belonen van een goede prestatie door middel van een compliment. Ik waardeer eigen initiatief vanuit een leerling altijd. Wel geef ik altijd aan, dat leerlingen even moeten overleggen, wanneer ze met een bepaald product aan de slag gaan. Hierbij vraag ik wat ze ermee van plan zijn, om zo achter hun eigen idee??n te komen en hen te stimuleren hierover na te denken. Op die manier kun je de leerling sturen, maar wel zelf met een passende oplossing laten komen. Deze leerlingen probeer ik succesmomenten te gunnen. Dit kan door hen een onderdeel van een instructie te laten verzorgen, waarvan ik weet dat ze dit al redelijk beheersen. Wel bespreek ik dit altijd al even vooraf met een leerling, om ze niet te overvallen en ze op die manier juist onzeker te maken. Hiernaast heb ik de ervaring dat het complimenteren bij goede prestaties leerlingen echt kan laten groeien in een leerproces. Een serieuze werkhouding is nodig om tot een goed resultaat te komen. Ik heb met leerlingen de afspraak, dat ze tijdens instructiemomenten niet onderling mogen praten, wanneer het niet relevant is voor de instructie op dat moment. Hiernaast stel ik steekproefsgewijs vragen, om te controleren of de gegeven informatie is over gekomen. De leerlingen weten op die manier dat ook zij aan de beurt kunnen komen, dus letten ze automatisch beter op. Wanneer er drukke combinaties gevormd worden tijdens een praktijkles, speel ik hierop in door hen te waarschuwen en eventuele consequenties te benoemen, indien geen verandering plaats vindt. In eerste instantie is dit het uit elkaar zetten van de betreffende leerlingen. Bij herhaling van het ongewenst gedrag kan lesverwijdering plaats vinden. Deze maatregel hoef ik echter maar zelden toe te passen.

Categorie 4. Voortbouwen op bestaande kennis/feedback en evaluatie
Het voortbouwen op bestaande kennis hangt samen met het inspelen op de belevingswereld van de leerlingen. Ik vraag dan ook altijd naar hun reeds opgedane ervaringen tijdens de praktijklessen, op stage of een bijbaantje. Deze informatie kun je later tijdens de les als voorbeeld gebruiken. Op die manier koppel je de leerstof aan de ervaringen van de leerling zelf en zal deze veel beter blijven hangen. Vooral leerlingen met autisme hebben moeite met verschillende werkwijzen die leiden tot hetzelfde resultaat. Deze leerlingen raken vaak in de war wanneer een andere leerling een situatie schetst die hij/ zij in de praktijk tegen is gekomen, die niet stroopt met de manier die zij kennen. Hier speel ik op in door uit te leggen dat deze manier ook een mogelijkheid is en dat ze beide goed kunnen zijn. Iedereen moet werken op een manier waar hij/ zij zich prettig bij voelt. Voor elke leerling is herhaling een goede manier om dingen te onthouden. Ik neem altijd aan het einde de les nog een keer door, waarbij ik de kritische punten door de leerlingen zelf laat benoemen. Ook hierbij probeer ik de ‘wat zwakkere leerlingen’ succesmomenten te gunnen. Wat ik nogmaals wil benadrukken is dat het belangrijk is, dat leerlingen weten wat je van ze verwacht en wat ze van jou mogen verwachten en hier consequent in te zijn.
Bijlage 4.3 – Verslag interview praktijkdocent koken

Categorie 1. Krachtige leeromgeving
Ik ben van mening dat de praktijklessen koken voor de leerlingen zo authentiek mogelijk moeten zijn aan het gene wat ze te wachten staat in het bedrijfsleven. Ook is het van belang dat er voor de leerlingen een veilig leerklimaat heerst tijdens deze lessen zodat de leer opbrengst zo hoog mogelijk is. De docent moet zorgen voor een veilig leerklimaat en een zo authentiek mogelijke setting. Zodat de school en het bedrijfsleven zo goed mogelijk op elkaar aansluiten. Tevens is het van belang dat de docent een duidelijk link maakt met de theorie zodat de leerling gemakkelijk de link kan leggen tussen het geleerde in de theorie als de praktijk.

Categorie 2. Sturing en structuur / herhalen en oefenen
Het is van belang dat de leerling tijd krijgt om de vaardigheden die hij aan leert op een rustige en ontspannen manier onder de knie kan krijgen hierbij is herhaling van de stof erg belangrijk. Ik probeer nieuwe technieken dan op een zo rustig mogelijk tempo uit te leggen en zo vaak mogelijk te herhalen en oefenen. Nu is hier helaas niet altijd een goede mogelijkheid toe omdat de leerlingen anders in tijdnood komen. Het zou mij persoonlijk meer aanspreken om een apart practicum te geven aan de leerlingen waarin zei op hun eigen tempo nieuwe technieken kunnen oefenen en dat ze vervolgens deze technieken toepassen in de praktijk.
Bij leerlingen met een indicatie vind ik het belangrijk om extra te herhalen. Als het kan wil ik de instructie ter ondersteuning een op een uitvoeren.

Categorie 3. Focus/Prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving en relatie
Veilig leerklimaat is voor mij heel belangrijk en heb ik ook hoog in het vaandel staan. Probeer een zo goed mogelijke band te cre??ren en vertrouwen te winnen bij de studenten. Ze duidelijkheid te bieden dat ze weten wat ze aan mij hebben, en maak ze duidelijk dat ze met problemen altijd bij me kunnen komen. Ik probeer leerlingen altijd positief te stimuleren om als een team aan de slag te gaan en samen de klus te klaren.
In de benadering van leerlingen met een indicatie heb ik persoonlijk moeite mee, probeer in ieder geval de leerling zo goed mogelijk te begeleiden en te zorgen voor succeservaringen door de leerling positief te blijven benaderen. Soms heb ik nog moeite met het benaderen van leerlingen met een indicatie ik zou hier soms graag ondersteuning in hebben. Tijdens de les probeer ik de focus te behouden zodat de leerling niet de tijd vindt om afgeleid te worden. Dit bewerk ik meestal door te zorgen dat er genoeg te doen is zodat de leerlingen zich niet vervelen. Helaas lukt dit niet altijd omdat het restaurant niet vol genoeg zit.

Categorie 4. Voortbouwen op bestaande kennis/feedback en evaluatie
Ik probeer aan het begin van de les goed zo goed mogelijk te polsen wat de leerling weet en wat niet. Hier pas ik dan mijn instructie zo goed mogelijk op aan. Bij activeren van voorkennis stel ik diepere denkvragen om de leerling te activeren en de leerlingen aan te zetten om te participeren in de les.
Door een op een begeleiding probeer ik de leerling met een indicatie extra ondersteuning te bieden. De extra instructie een op een en terug pakken op eerdere lessen merk ik dat dit helpt bij leerlingen met een indicatie. Hierbij hou ik rekening met het extra positief benaderen van succesmomenten. De feedback die ik geef is positief van aard en vooral het goede benoemen. Tijdens de evaluatie probeer ik tips en tops te geven om de leerling het idee te geven dat het goed is gegaan. Ondanks de tops is altijd wel iets wat beter kan gaan. Ik probeer dit dan mee te geven door op een positieve manier te zeggen wat de volgende keer beter kan.

Bijlage 4.4 – Verslag interview praktijkdocent koken
Categorie 1. Krachtige leeromgeving
Ik beging altijd met het cre??ren van een veilige haven. De leerlingen moeten zichzelf kunnen zijn. Wanneer de sfeer goed is in de klas zijn de leerlingen minder bang om vragen te stellen, en meer bereidt om elkaar te helpen wat tenslotte uit in een hoger leerrendement. Tijdens een praktijkles vindt ik het belangrijk dat je een duidelijke korte instructie geeft en controleert bij de leerlingen of de uitleg binnen is gekomen. Dit doe ik doormiddel van open vragen te stellen en meestal laat ik een leerling de uitgelegde techniek herhalen. Ik geef aan dat we op school zijn en dat we fouten mogen maken. Hierbij geef ik aan dat ik vroeger ook fouten heb gemaakt en dat je door fouten leert om dingen anders te doen.

Categorie 2. Sturing en structuur / herhalen en oefenen
Ik geef meestal korte instructies met veel interactie tussen de leerlingen en docent. Dit doe ik door veel vragen te stellen. Door het stellen van diepere denkvragen merk ik dat de leerling de lesstof in zijn hoofd herhaald en uiteindelijk kan opslaan. Bij een leerling met een indicatie zorg ik ervoor dat ik de leerling direct voor me neer zet. Hierdoor kan ik de leerling extra in de gaten kan houden en bijsturen wanneer nodig. Hierdoor kan ik de leerling soms meer aandacht geven omdat ik dingen eerder signaleer. Daarnaast ik loop continu door de keuken heen en wanneer ik zie dat bepaalde leerlingen nog moeite hebben met het uitvoeren van een bepaalde taak roep ik deze leerlingen bij elkaar en vraag waar ze tegenaan lopen. Zo kan ik gericht dat herhalen waarmee ze moeite hebben.

Categorie 3. Focus/Prikkel de nieuwsgierigheid/veilige leeromgeving en relatie
Ik geef duidelijk aan dat we op school zijn om te leren en dat we fouten mogen en moeten maken om een betere kok te worden. Dat ze netjes en gestructureerd moeten werken waardoor ze overzicht behouden.
Wanneer de docent zorg dat de leerling voldoende werkzaamheden heeft en hierbij een stuk eigen inbreng kan geven wordt een succesmoment gecre??erd. Hierdoor blijft de leerling meer betrokken en zal de focus beter kunnen houden. Bij leerlingen met een indicatie zoals AD(H)D vind ik het belangrijk om individueel extra opdrachten geven zodat ze meer gefocust blijven, dit heeft als gevolg dat de leerling niet afdwaalt tijdens de les. Door gebruik te maken van hun positieve eigenschappen probeer ik de leerling met een indicatie te benaderen. Hierbij vind ik het belangrijk dat de leerling aan het eind van de opleiding over dezelfde kennis en vaardigheden beschikt. Dat een docent hiervoor andere aanvliegroute nemen is een feit. In de relatie met de leerling vind ik het belangrijk om dat binnen de klas de rust overheerst en dat de leerling alle mogelijkheden heeft om zich op een positieve manier verder te ontwikkelen.

Categorie 4. Voortbouwen op bestaande kennis/feedback en evaluatie
Wanneer je begint met een nulmeting weet de docent in hoe ver de leerling beschikt over de kennis die ze eerder op hebben kunnen doen. Hierbij stel ik diepere denkvragen en probeer aan te sluiten bij de kennis die ze eerder op hebben gedaan. Door deze leerlingen regelmatig een succesmoment te ervaren en ze zoveel mogelijk gelijk te behandelen zoals de rest van de leerlingen. Het geven van feedback is van groot belang. Hierbij is het van uiterst belang om na de les te leerlingen te vragen wat goed en wat minder goed ging. Het bevordert het leerproces positief doordat ze stap voor stap het proces herhalen. En te vragen hoe ze de dingen de volgende keer dan eventueel anders zouden kunnen doen. Hierbij is het belangrijk om de leerlingen te bedanken voor hun inzet. Zorg als docent dat je voor de leerlingen er bent wanneer dat nodig is en wek hierbij vertrouwen. Wanneer een leerling lekker in z’n vel zit gaan de resultaten ook een stijgende lijn vormen. Houdt hierbij als docent de rust en geef duidelijk voor de les aan wat de leerlingen kunnen verwachten en hoelang bepaalde onderdelen gaan duren. Geeft de leerlingen ook tussendoor een momentje om te ontspannen dit is vooral belangrijk bij leerlingen met een indicatie. De boog kan immers niet altijd gespannen staan.

Bijlage 4.5 – Verslag interview praktijkdocent koken

Categorie 1. Krachtige leeromgeving
Voor mij is het heel belangrijk dat er binnen een krachtige leeromgeving een duidelijk lesprogramma aanwezig is. Hiermee cre??er je voor de leerling duidelijkheid en structuur. De tools in dit geval de keuken moet van alle gemakken voorzien zijn. Het komen tot een verzorgde leeromgeving zoals een keuken brengt en geeft structuur. Binnen deze leeromgeving is het zeer belangrijk dat er duidelijke afspraken gemaakt worden. Hierbij moet een leerling weten wat hij aan de docent heeft maar ook andersom wat er verwacht wordt.
Gebruik maken van smartboard en duidelijke instructies geven, continu blijven begeleiden en aansturen is hierbij een belangrijke rol voor de docent. De leerling erbij betrekken verantwoordelijk maken binnen het leerproces. Hiermee zorg je als docent dat de leerling de focus behoud. Met betrekking voor een leerling met een indicatie denk ik dat het belangrijk is dat er een duidelijk lesprogramma klaar ligt waarin veel structuur wordt geboden. Voor een docent is het belangrijk om continu te ondersteunen in de begeleiding en het bieden van structuur en overzicht.

Categorie 2. Sturing en structuur / herhalen en oefenen
De praktijklessen op de zelfde manier invullen (wekelijks), zodat het duidelijk is voor de leerlingen wat zij gaan doen. Hiermee kan de docent rust cre??ren waarbij een leerling met en zonder indicatie beiden tot hun recht kunnen komen. Instructies klassikaal voordoen waarna zij dit zelfstandig gaan uitvoeren dit biedt duidelijkheid bij de leerlingen. Wanneer zij bezig zijn continu blijven begeleiden, controleren eventueel ingrijpen als het mis dreigt te gaan. Vervolgens een op een de handeling herhalen en de vraagstellen waarom het mis is gegaan.
In het bieden van structuur vind ik het belangrijk dat de docent vooraf gemaakte afspraken bevestigt. Dit kan door het herhalen van de opdracht voorafgaande een instructie of het huiswerk wat de leerling moet maken voor de komende week. Maar het kan ook zijn dat er eventueel nog regels even verhelderd moeten worden.
Met betrekking tot de leerling met een indicatie vind ik het belangrijk dat er regelmatig gecontroleerd wordt of het goed verloopt. Hierbij moet een docent meer aandacht geven wanneer het nodig is om ze te begeleiden in het leerproces. De interventie die ik meestal inzet is dichter bij de centrale werkbank houden zodat ik hem/haar beter kan controleren.

Categorie 3. Focus/Prikkel de nieuwSGierigheid/veilige leeromgeving en relatie
Hierbij is het belangrijk voor een docent om binnen een veilige leeromgeving de leerling de ruimte te geven om zichzelf te ontplooien dit moet niet alleen op vaktechnisch gebied maar ook op sociaal-emotioneel vlak. Binnen de setting van een klaslokaal werkt de docent nu eenmaal met jongvolwassenen die volop in ontwikkeling zijn met ieder zo hun eigen sterke en zwakke punten. Als docent maak je afspraken met de leerlingen en zij ook met jou. Het is voor beide partijen belangrijk dat ieder zich houd aan de afspraken om de leeromgeving zo veilig mogelijk te maken. Verantwoordelijk geven is een onderdeel binnen mijn les. Hierbij is het belangrijk om een authentieke situatie te cre??ren binnen de keuken die als klaslokaal dient. Hierbij krijgt de leerling een rol toebedeeld waarin ze in de lessencyclus rouleren voorbeelden zijn; manager, chef-kok, souschef of chef de parti. Tijdens het leerproces in de klas vind ik het belangrijk voor een leerling met een indicatie dat hij leert participeren binnen het groepsproces. Dit kan een docent cre??ren door vooral de leerling verantwoordelijkheid te geven en vooral veel samen te laten werken in groepsverband.
Wanneer de leerlingen zich niet goed concentreren ontstaan er fouten. Voor een docent vind ik het belangrijk dat hij de leerlingen op een positieve manier wijst op fouten. Tevens vind ik het belangrijk voor een docent dat hij de leerling die samenwerkt in groepsverband stimuleert te overleggen. Dit heeft een positieve uitwerking op het leerproces doordat ze kennis delen. Tijdens de evaluatie moet een docent goed doorvragen om te achterhalen of de kennis is blijven hangen. De docent moet in de keuken blijven en continu blijven rondlopen
En blijven doorvragen wanneer zij taken hebben uitgevoerd.

Categorie 4. Voortbouwen op bestaande kennis/feedback en evaluatie
Een docent kan beter aansluiting vinden naar mijn mening op de parate kennis door gemaakt huiswerk vooraf te controleren. Binnen de les kan de docent doormiddel van specifiek bevragen zowel op theoretisch vlak als op praktisch vlak proberen aan te sluiten bij de leerling. Met betrekking tot een leerling met een indicatie is het soms handig om sommige leerlingen meer te laten vertellen het rendement ligt dan op het opslaan en beter vertalen van bestaande kennis. Daarnaast is het belangrijk om gericht feedback te geven en hierbij vertrouwen te geven. Het succesmoment benoemen en de onderwerpen die niet helemaal goed zijn gegaan positief benaderen. De leerlingen moeten wel allemaal goed deelnemen aan de evaluatie. Dit zou je kunnen doen door elkaar te laten beoordelen door gebruik te maken van tips en tops.

Bijlage 4.6 ‘ Verslag groepsinterview met de leerling
Krachtige leeromgeving
De leerlingen gaven aan dat ze de praktijkles koken op deze manier erg uitdagend vonden. Hierbij kregen de leerlingen een beter beeld hoe het in de realiteit in een horecabedrijf er aan toe gaat. Daarnaast was het een uitdaging om in groepsverband te mogen werken volgens de leerlingen. De uitdaging lag in de communicatie met elkaar. Op de vraag of er genoeg vakkennis aanwezig was tijdens de les werd positief op gereageerd. De leerlingen gaven aan dat binnen de context van de ?? la carte praktijkles meer technieken worden besproken en dat de docent voldoende vakkennis kon overleggen. Daarbij hadden de leerlingen het idee dat ze voldoende ondersteuning kregen geboden tijdens de les. Een kritiekpuntje was dat er veel tijd zat tussen de voorbereiding en het doorgeven van de gerechten dit kwam doordat de gasten laat binnen kwamen. De leerlingen gaven aan dit niet prettig te vinden. Daarnaast bleek het lastig om goed te communiceren met de bediening met betrekking tot de borden die er gebruikt werden en de manier waarop de avond zou verlopen. Tevens lag de uitdaging voor diegene die de chef-kok en de souschef was in het manage van de avond. Met oog op de leerling met een indicatie zoals faalangst, pdd-nos en AD(H)D vonden de praktijkles met andere aanpak verfrissend en zouden dit wel iedere week willen doen.

Sturing en structuur/herhalen en oefenen
De leerlingen gaven aan tijdens de praktijkles koken dat ze de uitleg door de docent duidelijk vonden. Het lesmateriaal was goed verzorgd en duidelijk de leerlingen gaven aan dat de stappen van een receptuur overzichtelijk waren. Hierbij kregen de leerlingen het gevoel ondanks een sterk theoretisch kader dat ze veel zelf mochten doen. Daarnaast hadden de leerlingen het gevoel dat ze een goede begeleiding kregen waarin ze de ruimte konden vinden om zelf aan de slag te gaan. Een leerling gaf aan dat hij het erg fijn vond om in het begin van de les met de groep een werk en-tijdsplanning, opmaakschema van het bord en een lijst te maken met kritieke punten.

Focus/prikkel de nieuwsgierigheid/veilige omgeving en relatie met de leerling
De leerlingen vonden dat sfeer tijdens de les goed was en gemoedelijk. Het gaf de leerlingen een veilig gevoel om aan de leertaak te kunnen starten. Tijdens de les was er de ruimte om de docent vragen te kunnen stellen als iets dreigde mis te gaan. Hierop zeiden de leerlingen dat dit veel vertrouwen bracht om de leertaak uit te voeren. In de les was het rustig en kon de focus behouden worden doordat iedereen druk bezig was met zijn leertaak. De leerlingen vonden dit prettig en gaven aan dit normaal niet genoeg te ervaren. Met vergelijking tot de andere lessen was binnen deze les geen tijd om niet de focus te kunnen houden. De leerlingen moesten de voorbereiding af hebben en daarna bepaalde de binnenkomst van de gasten de snelheid van doorgeven. Hierdoor lag de focus continu op het bereiden en het klaarmaken van de gerechten of de bestelling van de gast. Tevens vonden de leerlingen dat de docent ruim de tijd nam voor de uitleg deze was iets directer als normaal dit ervaren de leerlingen niet als storend. Doordat er genoeg werk was zat er veel afwisseling in de werkzaamheden. Dit vonden de leerlingen fijn ze voelde hiermee meer betrokkenheid.


Bijlage 5 ‘ Uitkomst enqu??te leerling

Stelling 1.
Tijdens de praktijkles koken wordt er gebruik gemaakt van voldoende technieken, materialen en apparatuur om een realistisch beeld te kunnen vormen van het toekomstig beroep binnen de praktijk.

Score 1t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 0
4 6
5 10
6 4
Figuur 1b Oneens>>>>> Eens per 20 leerlingen

Stelling 2.
De docent die de praktijkles koken geeft heeft voldoende vakkennis om mij te kunnen ondersteunen tijdens de praktijkles koken.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 0
4 1
5 5
6 14
figuur 2b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen

Stelling 3.
Tijdens de praktijkles wordt er duidelijk uitleg gegeven over de regels en de onderwerpen die tijdens de les behandeld worden.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 0
4 4
5 11
6 5
figuur 3b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen

Stelling 4.
De docent legt de lesstof zo uit dat ik de theorie in de praktijk kan toepassen.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 0
4 5
5 11
6 4
figuur 4b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen


Stelling 5.
Ik krijg genoeg begeleiding tijdens de praktijkles om mijzelf de lesstof eigen te maken.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 2
4 3
5 10
6 5
figuur 5b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen

Stelling 6.
Ik voel mijzelf tijdens de praktijkles op mijn gemak om vragen waarmee ik zit te kunnen stellen aan de docent.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 1
4 0
5 3
6 16
figuur 6b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen


Stelling 7.
Tijdens de les voel ik mijzelf vertrouwd en veilig om aan mijn leertaak te kunnen werken.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 2
4 3
5 10
6 5
figuur 7b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen

Stelling 8.
De docent neemt voldoende tijd voor mij, om mij te begeleiden als ik iets niet snap of denk dat ik iets niet kan.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 1
4 3
5 8
6 8
figuur 8b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen


Stelling 9.
Tijdens de praktijkles krijg ik voldoende afwisseling zodat ik mijzelf niet hoef te vervelen.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 2
4 3
5 10
6 5
figuur 9b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen

Stelling 10.
Tijdens de praktijkles koken zorgt de docent dat ik bij de les betrokken blijf.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 0
4 3
5 14
6 3
figuur 10b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen


Stelling 11.
Het boeit mij altijd als de docent uitleg geeft over een onderwerp tijdens de les.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 2
4 1
5 12
6 5
figuur 11b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen

Stelling 12.
De docent weet mij altijd aan het werk te krijgen doordat hij mij op de juiste manier benaderd om aan het werk te gaan.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 0
4 6
5 10
6 4
figuur 12b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen


Stelling 13.
De docent zorgt er voor dat ik tijdens de les wordt aangezet om zelf na te denken over een onderwerp.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 0
3 2
4 1
5 12
6 5
figuur 13b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen

Stelling 14.
Van de docent mag ik tijdens de praktijkles koken zelf een oplossing uitvoeren om te komen tot een goed eindproduct.

Score 1 t/m 6
Oneens/eens Keuze leerling
1 0
2 2
3 1
4 5
5 10
6 2
figuur 14b Tabel oneens/Eens per 20 leerlingen

Opmerkingen en toelichtingen leerlingen:
– Strenger en meer tijd vrijmaken als het mogelijk is
– Ik heb nog niet zelf naar oplossingen gezocht
– De lessen zijn zeer leerzaam, ik heb de eerste maanden veel geleerd
– Ik vind dat er goed les wordt gegeven, maar bij het CGL waren veel onduidelijkheden. De theorie is erg druk en er wordt stom uitgelegd
– De praktijk is altijd leuk. Maar er zijn dagen dat we eerder klaar zijn met de M.e.p dan is er niks meer te doen. Misschien moet er daar iets op verzonnen worden
– Ik vind het toppie

Bijlage 6 ‘ Praktijkles koken nieuwe methode

Inhoud
Hoofdstuk 1- Leeractiviteiten en lesdoelen
Hoofdstuk 2- De kaart
Hoofdstuk 3- Recepturen
3.1 Brood
3.2 Carpaccio van rund
3.3 Zacht gegaarde en gerookte zalm op de big green egg
3.4 Loempia van geitenkaas met een dressing van honing en tijm
3.5 Gebakken zeebaars met een antiboise van tomaat huisgemaakte linguini verse spinazie en gepofte sherrytomaatje
3.6 Gegrilde kalfsentrecote met een rode wijnsaus met gekarameliseerde marloeskes huisgemaakte frieten en snijboontjes au beurre
3.6 Taartje van courgette met pasta spinazie en blauwe kaas
3.7 Trilogie van Callebaut chocolade
Hoofdstuk 4 ‘ Misen en place lijst
Hoofdstuk 5- Werkindeling in het groepje
Hoofdstuk 6- Stappenplan en tijdsplanning
Hoofdstuk 6- Kritieke punten
Hoofdstuk 7 ‘ Evaluatie met de groep (parti)


Hoofdstuk 1- Leeractiviteiten en lesdoelen
Wat leer je vandaag’? Het bereiden van voorgerechten met diverse kook en- bereidingstechnieken
‘ Het bereiden van hoofdgerechten met diverse kook en- bereidingstechnieken
‘ Het bereiden van nagerechten met diverse kook en- bereidingstechnieken
‘ Het samenwerken in groepsverband
‘ Het plannen en organiseren in groepsverband met betrekking tot de ?? la carte kaart

Inhoud les:
‘ De klas wordt verdeeld in drie groepen voor hoofd en- nagerecht
‘ Er wordt een chef en een souschef aangewezen die verantwoordelijk zijn voor de mise en place, de doorgifte en het poetsen
‘ Je maakt met je eigen groep een werkplanning, M.E.P lijst en een lijst van kritieke punten van de diverse gerechten
‘ De groep van de voorgerechten maakt het brood en de amuse
‘ De groep van de dessert maakt een friandise


Hoofdstuk 2- De kaart
Voorgerechten
Rundercarpaccio met een truffelcr??me en een krokantje van oude kaas
Zacht gegaarde gerookte zalm met een cr??me van dille en zure room
Loempia van geitenkaas met een dressing van honing en tijm
Hoofdgerechten
Gebakken zeebaars met een antiboise van tomaat huisgemaakte linguini verse spinazie en gepofte sherrytomaatje
Gegrilde kalfs??ntrecote met een rode wijnsaus met gekarameliseerde marloeskes huisgemaakte frieten en snijboontjes au beurre
Taartje van courgette met pasta spinazie en blauwe kaas
Dessert
Kaas van de kaaswagen met druiven kletsenbrood en zoetzuur van bleekselderij
Trilogie van Callebaut chocolade

Hoofdstuk 3- Recepturen

3.1 Brood
Receptuur voor 30 personen
‘ 1 kg bloem
‘ 0,5 dl. Olijfolie
‘ 6 dl. Warm water
‘ 50 gram gist
‘ 20 gram zout
‘ ?? bosje rozemarijn
‘ Zwarte olijven 1 potje
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Doe alle ingredi??nten behalve het zout in een bekken
‘ Laat het deeg een minuut goed door kneden en voeg het zout er aan toe
‘ Laat het deeg vervolgens acht minuten goed door kneden
‘ Haal het deeg uit de machine en bol het op doe het terug in het bekken en laat het deeg onder de pas dertig minuten rijzen
‘ Bol het brood op in de vorm naar keuze en laat het vervolgens nog twintig minuten rijzen
‘ Bak het af op 180??C met 20% stoom ongeveer 10 tot 15 minuten

Gebruikte technieken in het gerecht:
Zetten van deeg, bewerken van deeg en afbakken van een deegproduct

3.2 Carpaccio van rund
Receptuur voor 10 personen
‘ 1.3 kg rundermuis
‘ 1 eetlepel grove mosterd
‘ 1 eetlepel Dijon mosterd
‘ 100 gr suiker
‘ 100 gr Azijn
‘ Slagersfolie
‘ Plasticfolie strak
Bereidingswijze:
‘ Zet de ingredi??nten en de materialen klaar
‘ Doe de suiker de mosterd en de azijn in een bekken en meng dit goed door
‘ Maak de rundermuis schoon en marineer hem in de mosterdmarinade
‘ Leg een laag plasticfolie op de bank met daarboven op een laag slagersfolie
‘ Leg de rundermuis er boven op en rol hem strak in
‘ Doe de rundermuis in de shockvriezer en laat hem vervolgens twee uurtjes aan vriezen
‘ Snij de carpaccio in dunne plakjes op bord

Truffelcr??me
Receptuur voor 10 personen
‘ 200 gram mayonaise
‘ 250 gram mascarpone
‘ 50 gram truffelsalsa
‘ Peper/zout
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Doe de mascarpone, mayonaise, truffelsalsa en de truffelolie in een bekken
‘ Meng de massa goed door en breng op smaak met peper en zout
‘ Doe vervolgens in een spuitzak en leg in de koeling
Gebruikte technieken in het gerecht
Onder andere: roeren, mengen, marineren, vriezen, inrollen, garneren en aromatiseren ‘
3.3 Zacht gegaarde en gerookte zalm op de big green egg
Receptuur voor 10 personen:
‘ 1 kg verse zalm
‘ 100 gram Boter
‘ Peper en zout
‘ 1 citroen
‘ 1 bosje dille
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en ingredi??nten klaar en steek de big green egg aan
‘ Pak een ovenschaaltje en besmeer deze met boter en citroensap
‘ Portioneer de zalm en beleg deze met takjes dille en citroensap
‘ Laat de zalm ongeveer 10 minuten op de big green egg garen tot dat hij mooi ros?? is

Dillecr??me met zure room
Receptuur voor 10 personen
‘ 1 bosje dille
‘ 250 gram mayonaise
‘ Paar druppels citroensap
‘ 200 gram zure room
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Doe de ingredi??nten bij elkaar en roer goed door
‘ Breng de massa op smaak met peper en zout
‘ Doe de cr??me in een spuitzak en hij is klaar voor gebruik

Gebruikte technieken in het gerecht:
Onder andere: roeren, mengen, roken, portioneren, garneren en aromatiseren ‘
3.4 Loempia van geitenkaas met een dressing van honing en tijm
Receptuur voor 10 personen
‘ 10 loempiavellen
‘ 800 gram geitenkaas
‘ 100 gram walnoten
‘ 1 eetlepel honing
‘ Eigeel (om de loempiavellen te besmeren smeren)
‘ Sesam en maanzaad
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Doe de geitenkaas brokkelen in de cutter en voeg de walnoten en de honing toe
‘ Draai de massa glad en breng op smaak met peper en zout
‘ Doe de massa in een spuitzak met een glad spuitmondje
‘ Leg de loempiavellen op een natte handdoek en de af met de rest van de doek
‘ Leg een loempiavel op de werkbank en besmeer deze met eigeel
‘ Spuit de massa op een loempiavel en vouw deze dicht en rol vervolgens de loempiavel dicht
‘ Besmeer de loempia met eigeel en bestrooi met sesam en maanzaad
‘ Frituur de loempia bij het doorgeven op 180??C

Dressing van honing en tijm
Receptuur voor 10 personen
‘ 1 dl. Aceto balsamico azijn
‘ 1 dl. Walnootolie
‘ 2 dl. Arachideolie
‘ 1 eetlepel honing
‘ 10 gram eigeel

Gebruikte technieken in het gerecht:
Cutteren, mengen, roeren, spuiten, aromatiseren en afgarneren ‘
3.5 Gebakken zeebaars met een antiboise van tomaat huisgemaakte linguini verse spinazie en gepofte sherrytomaatje
Receptuur voor 10 personen
‘ 20 zeebaarsfilet ?? 140 gram
‘ Boter
‘ Olijfolie
‘ Peper/zout
Bereidingswijze:
‘ Zet de ingredi??nten en materialen klaar
‘ Ontdoe de vis van de graten met een pincet en snij hem vervolgens in op de huid kant
‘ Zet een bakpan op het vuur doet hier de boter en de olie in en laat het warm worden
‘ Bak vervolgens de vis goudbruin op de huidzijde en leg deze op de ongebakken kant op een oven plaat
‘ Gaar de zeebaars vervolgens in de oven op 160??C 5 minuten en breng hem op smaak met peper en zout
‘ Maak vervolgens het bord op en geef het gerecht mee

Pastadeeg
Receptuur voor 10 personen
‘ 250 gram bloem
‘ 250 gram Semolina
‘ 4 stuks eieren
‘ 6 stuks eidooier
‘ 2 eetlepel olijfolie
‘ 1 theelepel zout
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en ingredi??nten klaar
‘ Meng de bloem, Semolina en het zout door elkaar
‘ Breek de eieren open en meng met de dooier en de olijfolie
‘ Maak een vulkaantje op de werkbank van het mengsel van het meel
‘ Doe in het kuiltje de vloeibare bestanddelen
‘ Meng vanaf de binnen kan naar buit de meelbestanddelen erdoor
‘ Laat vervolgens het deeg 30 minuten rusten
‘ Draai het af in de gewenste vorm


Antiboise van tomaat
Receptuur voor 10 personen
‘ 500 gram tomatenconcase’?? 2 sjalotjes
‘ 2,5 dl olijfolie
‘ 50 gram aceto balsamico
‘ ?? bosje dragon
‘ 1 dl. Tomatensap
‘ 200 gram olijven (ringen)
‘ 100 gram kappertjes
‘ 2 teentjes knoflook
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Snij de ingredi??nten en mondeer de tomaten
‘ Zet het sjalotje en het knoflook aan in de pan
‘ Blus de massa af met de azijn, de tomatensap en de olijfolie
‘ Voeg hier vervolgens de tomatenconcase??, olijven en kappertjes aan toe
‘ Let op niet meer aan de kook brengen!
‘ Als laatste voeg hier de kruiden aan toe en breng op smaak met peper en zout

Gebakken spinazie
Receptuur voor 10 personen:
‘ 6 kg spinazie (vers)
‘ 1 uitje gesnipperd
‘ Olijfolie/klontje boter
‘ 2 teentjes knoflook gehakt
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Was de spinazie en maak hem goed droog in een slacentrifuge
‘ Snipper het uitje en hak de knoflook
‘ Doe de olie in de pan en laat het warm worden
‘ Voeg het uitje toe en vervolgens voeg de knoflook toe en zweet aan
‘ Doe de spinazie erbij en breng gelijk op smaak met peper en zout
‘ Laat de spinazie uitlekken op een zeefje en leg hem vervolgens op een plaatje met papierrol
‘ Geef hem mee

Gebruikte technieken in het gerecht:
Bakken, monderen, mengen, bereiden met oven, aromatiseren, het zetten van deeg en afgarneren


3.6 Gegrilde kalfsentrecote met een rode wijnsaus met gekarameliseerde marloeskes huisgemaakte frieten en snijboontjes au beurre
Receptuur voor 10 personen:
‘ 10 stuks kalfsentrecote ?? 150 gram
‘ 1 dl. Olijfolie
‘ Rozemarijn
‘ ?? bol knoflook
‘ Peper/zout
Bereiding:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Haal de entrecote uit de verpakking en maak deze droog met papierrol
‘ Doe de olie in een bekken en voeg hier de knoflook en de gehakte rozemarijn aan toe
‘ Laat de entrecote 30 minuten marineren in de olie met de kruiden
‘ Gril de entrecote aan op de big green egg zorg voor een mooi ruitjesmotief
‘ Gaar het vlees verder in de oven op 160??C ongeveer 5 minuten
‘ Laat het vlees 5 minuten rusten voor dat het meegaat

Saus van rode wijn en marloeskes
Receptuur voor 10 personen
‘ 2,5 dl rode wijn
‘ 2,5 dl jus d’veau
‘ 300 gram marloeskes
‘ 100 gram suiker
‘ 1 eetlepel appelstroop
‘ Peper/zout
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Maak de marloeskes schoon en snij deze doormidden
‘ Zet de marloeskes aan in een beetje olijfolie en voeg hier de suiker aan toe
‘ Karmeliseer de suiker en blus af met de rode wijn
‘ Laat de rode wijn inkoken tot 1/3 inkoken en voeg de jus d’veau toe
‘ Laat deze vervolgens inkoken tot de helft en maak af met de appelstroop en peper en zout

Huisgemaakte friet
Receptuur voor 10 personen
‘ 2 kg aardappelen (geschild in pommes frites gesneden)
‘ Zout
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Schil de aardappelen en snijdt de aardappelen in 0,5 cm dikte en 7 cm lang
‘ Spoel de frites in koud water schoon en maak ze goed droog op een doek
‘ Bak de frites voor op 150??C en laat ze vervolgens goed afkoelen
‘ Bak de frites af op 180??C en zout de frites goed na
‘ Laat ze goed uitlekken in op een schaal met papierrol

Snijbonen au beurre
Receptuur voor 10 personen:
‘ 2 kg snijbonen (chinoise gesneden)
‘ 100 gram boter
‘ Peper/zout/suiker
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Zet een pan met water op het vuur om te blancheren
‘ Maak de snijbonen schoon en Snij de snijbonen in chinoise
‘ Blancheer de snijbonen beetgaar en koel goed terug op ijswater
‘ Doe de boter in de pan met wat van het kookvocht
‘ Voeg de suiker, peper en zout toe
‘ Maak de snijbonen goed warm en geef mee op bord

Gebruikte technieken in het gerecht:
Blancheren, grillen, stoven, diverse snijtechnieken chinoise, julienne, snipperen, arrateren, friteren en aromatiseren
3.6 Taartje van courgette met pasta spinazie en blauwe kaas
Receptuur voor 10 personen:
‘ Vulling voor het taartje
‘ 4 stuks courgette
‘ 3 stuks paprika
‘ 2 stuks rode uien
‘ 1 stuks aubergine
‘ 1 eetlepel tomatenpuree
‘ 1 eetlepel ketchup
‘ 1 eetlepel gembersiroop
‘ 3 takjes tijm
‘ 1 takje rozemarijn 10 plakjes blauwe kaas (bleu bress)
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Snij de groenten in brunoise en snipper de rode uien laat twee courgette heel
‘ Hak de kruiden fijn en snij de kaas in plakjes
‘ Zet het uitje aan in de pan en doe hier vervolgens de rest van de groenten bij
‘ Zet het geheel aan voeg de tomatenketchup, tomatenpuree, gembersiroop en de kruiden aan toe
‘ Breng op smaak met peper en zout en laat het afkoelen
‘ Snij de courgette in plakjes (doe dit in de lengte) en gril deze aan op de gril met olijfolie
‘ Laat de courgette afkoelen en doe deze in een steekring en vul af met de groenten massa
‘ Beleg het taartje met de kaas en bak af in de oven op 160??C 8 minuten

Pasta en spinazie zie visgerecht

Gebruikte technieken in het gerecht
Snijtechnieken brunoise, snipperen, gratineren, bereiden in de oven, grillen, stoven van groenten


3.7 Trilogie van Callebaut chocolade
Mousse
receptuur voor 10 personen
‘ 500 gram chocolade couverture
‘ 5 stuks eieren
‘ 1 dl. Likeur 43
‘ 1 liter slagroom
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Laat de chocolade smelten onder de warmtebrug
‘ Klop de slagroom tot normale dikte van slagroom
‘ Klop de eieren en de likeur 43 au ban marie op tot 75??C
‘ Klop vervolgens koud in de kitchenaid
‘ Spatel de gesmolten chocolade er door heen let op chocolade mag niet warm zijn
‘ Spatel als laatste de room er door en laat opstijven in de koeling

Chocolade ijs
Receptuur voor 10 personen
‘ 0.5 liter melk
‘ 0,5 liter room
‘ 200 gram suiker
‘ 240 gram eidooier
‘ 200 gram chocolade
‘ 30 gram cacaopoeder
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Doe de eidooier en de helft van de suiker witroeren
‘ Doe de melk, room en de helft van de suiker in een pan en breng aan de kook
‘ Als de melk aan de kook geweest is voeg de chocoladecouverture en de cacaopoeder toe
‘ Doe de warme massa op de eidooier let op eerst familie maken
‘ Zet de massa terug op het vuur en bind af tot de roos
‘ Laat de massa vervolgens terug koelen en draai op in de ijsmachine
Obliebeslag
Receptuur voor 10 personen
‘ 100 gram bloem
‘ 100 gram poedersuiker
‘ 100 gram boter (gesmolten)
‘ 100 gram eiwit
‘ 5 gram cacaopoeder
Bereidingswijze:
‘ Zet de materialen en de ingredi??nten klaar
‘ Doe de boter smelten in de pan en los de poedersuiker op
‘ Doe er vervolgens de rest van de ingredi??nten bij en roer de massa door
‘ Doe de massa uitsmeren op een bakplaat in de gewenste vorm en bak af op 160??C
Gebruikte technieken in het gerecht
Kloppen, mengen, bakken met oven en beslag maken

Hoofdstuk 4 ‘ Misen en place lijst

Vul de mise en place lijst in voor de parti waar je staat in de keuken. hierbij moet je alle producten die je gaat maken met jou groepje benoemen.

Mise en place lijst Afdeling in de keuken:

Aantal: Product: aantal Product:

Opmerkingen:

Hoofdstuk 5- Werkindeling binnen het groepje

Maak een indeling hoe je het werk gaat verdelen onder de teamleden binnen jou parti
Naam van de parti:
Namen: Gerecht: Gerecht: Opmerking:


Hoofdstuk 6- Stappenplan en tijdsplanning

Vul de lijst in maak hierin onderscheid in de stappen die je moet doorlopen tijdens de mise en place om tot een succesvolle avond te komen.
Stap 1: Eventuele opmerking: Tijd:

Stap 2: Eventuele opmerking: Tijd:

Stap 3: Eventuele opmerking: Tijd:

Stap 4: Eventuele opmerking: Tijd:


Hoofdstuk 6- Kritieke punten

Schrijf in de tabel wat de kritieke punten zijn van het gerecht en geef hierin aan waarom.
Kritieke punten: Wat is de reden voor het kritieke punt:


Hoofdstuk 7- Opmaak van het gerecht
Teken in het venster de opmaak van het gerecht en schrijf de namen van de ingredi??nten hierbij op.
Teken de opmaak van het gerecht

Hoofdstuk 8 ‘ Evaluatie met de groep (parti)
Tijdens de les heb je samengewerkt binnen je groepje hierin gingen er dingen goed en minder goed. Schrijf hieronder in de tabel wat wel goed ging en wat er minder goed ging.
Tips: Tops:



Voortbouwen op bestaande kennis/feedback en evalueren
Tijdens de les vonden de leerlingen dat ze doormiddel van vragen steeds meer geactiveerd werden om bestaande kennis te delen. Hierbij waren de formulieren van invloed op het leerproces dit kwam doordat ze aangezet worden om binnen het groepsproces mee te denken. De leerlingen gaven aan dat de docent niet te veel aanwezig was maar ze wel genoeg voor zag van feedback. Dit werd als prettig omschreven door de leerlingen. De docent was er wanneer je hem nodig had. Het vooral zelf ervaren was prettig daarnaast was het fijn dat de docent goed evalueerde wat goed en wat niet minder ging. Het op zoek gaan naar eigen oplossingen tijdens de les heeft er aan bijgedragen dat de evaluatie boeiend werd doordat de leerlingen zelf met oplossingen konden komen. Dit gaf meer zelfvertrouwen vonden de leerlingen.
.

your text in here…

Review this essay:

Name
Rating
Your review: (optional)

Latest reviews:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.