Kim logterman
1k1
Inhoudsopgave
Olifanten
Slangen
Aap
Giraffe
Pinguïn
De Olifanten
Olifanten zijn grote zoogdieren uit de familie van de Elephantidae binnen de orde van de slurfdieren (Proboscidea). Traditioneel worden er twee soorten erkend, de Afrikaanse olifant (Loxodonta africana) en de Aziatische olifant (Elephas maximus), alhoewel er aanwijzingen zijn die doen vermoeden dat de Afrikaanse olifanten mogelijk bestaan uit twee aparte soorten, respectievelijk de savanneolifant (Loxodonta africana) en de bosolifant (Loxodonta cyclotis).
Olifanten komen verspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara en in het zuiden en zuidoosten van Azië. Zij zijn de enige nog levende soorten van de slurfdieren, uitgestorven zijn onder andere de mammoeten en mastodonten. Het zijn de grootste levende landdieren. De mannelijke Afrikaanse olifanten kunnen een hoogte van 4 m en een gewicht van 7000 kg bereiken. Deze dieren hebben verschillende onderscheidende kenmerken, zoals een Proboscis of slurf die wordt gebruikt voor vele doeleinden, met name voor het grijpen van voorwerpen. Hun snijtanden groeien uit tot slagtanden en dienen als hulpmiddelen voor het verplaatsen van objecten, het graven en als wapen tijdens gevechten. De grote oorflappen van de olifant worden gebruikt om de temperatuur van het lichaam te beheersen. Afrikaanse olifanten hebben grotere oren en een holle rug, terwijl Aziatische olifanten kleinere oren hebben een bolle of rechte rug.Om hun slagtanden wordt er bovenmatig veel op olifantengejaagd. Stropers schieten de olifanten voor het ivoor van hun slagtanden.
De slangen
Slangen (Serpentes) zijn een groep van aan hagedissen verwante reptielen die behoren tot de orde schubreptielen (Squamata). Alle soorten worden gekenmerkt door een naar verhouding zeer lang en dun lichaam en het ontbreken van ledematen. Slangen zijn duidelijk te onderscheiden van alle andere dieren en de meeste andere reptielen als krokodilachtigen, schildpadden en brughagedissen. Met sommige groepen van hagedissen is het onderscheid niet zo duidelijk.
Er zijn ongeveer 3150 verschillende soorten slangen beschreven,[1] waarvan ongeveer 15% giftig is. Slangen bewegen zich altijd voort op de buik en de huid is geheel bedekt met schubben. Andere typische kenmerken zijn het ontbreken van beweegbare oogleden en de aangepaste gepaarde organen als de longen en de nieren.
Slangen komen vrijwel wereldwijd voor en de verschillende soorten leven in uiteenlopende habitats. Omdat ze koudbloedig zijn, leven de meeste soorten in warmere streken. Een aantal soorten is aangepast aan het leven in extreem droge omgevingen, zoals woestijnen. Er zijn echter ook slangen die ondergronds leven en veel graven of juist sterk zijn aangepast aan een leven in waterige milieus zoals rivieren, meren en zelfs in de zee.
Slangen zijn door hun lang onbegrepen levenswijze en gedrag en hun vermeende, maar vaak overschatte giftigheid een symbool van het kwaad. In de Bijbel duikt de slang op als een vertegenwoordiger van de duivel in het verhaal van Adam en Eva.
Er is veel bekend over de levenswijze, de taxonomie en de voortplanting van slangen. Slangen werden ooit als zustergroep van de hagedissen beschouwd, maar inmiddels is bekend dat slangen evolutionair gezien zijn ontstaan uit een groep van hagedissen
De aap
De apen (Simiiformes, ook wel Simiae of Anthropoidea) zijn een infraorde uit de orde der primaten (Primates). Alle primaten die niet tot de infraorde van de apen behoren worden halfapen genoemd. Een groep halfapen, de spookdiertjes, wordt beschouwd als de nauwste verwant van de apen en samen worden ze geplaatst in de onderorde Haplorhini.
De apen zijn verdeeld in twee groepen (“parvordes”), de breedneusapen (Platyrrhini) uit Midden- en Zuid-Amerika en de smalneusapen (Catarrhini) uit Afrika en Azië. Deze parvordes worden soms als aparte infraordes gezien. Tot de smalneusapen behoren ook de mensapen en de mensen. In verscheidene talen wordt een onderscheid gemaakt tussen apen en mensapen (bijvoorbeeld het Engels: monkey (aap) en ape (mensaap)). Het Nederlands maakt dit onderscheid niet en met het woord aap worden ook mensapen aangeduid.
Apen leven voornamelijk in warmere streken, die veelal begroeid zijn met bomen. In de tropische regenwouden komen de meeste soorten voor. De meeste apen zijn dan ook goede klimmers, die een groot gedeelte van de dag in bomen doorbrengen. Slechts enkele soorten wagen zich op de open vlakte (bijvoorbeeld de huzaaraap) of in rotsachtige streken (verscheidene bavianen en makaken) of leven in koudere streken (bijvoorbeeld de Japanse makaak die in Japan tot boven de sneeuwgrens kan worden aangetroffen, of de stompneusapen uit de Himalaya). De gelada, een aan de bavianen verwante apensoort, leeft op de hogergelegen grasvlakten van het Ethiopisch Hoogland. Apen zijn over het algemene herbivoor, die voornamelijk van vruchten, noten, bladeren, stengels en boomsappen leven. Sommige soorten eten ook dierlijk materiaal, als insecten en vogeleieren. Vooral kleinere apensoorten als de klauwaapjes leven voor een groot gedeelte van insecten. De meeste apen zijn groepsdieren, die leven in grote troepen. Solitaire soorten, als de orang-oetans, zijn ver in de minderheid.
Apen zijn over het algemeen middelgrote boombewonende dieren. Bij veel soorten is de staart langer dan de rest van het lichaam. Bij enkele apen van de Nieuwe Wereld heeft deze staart zich ontwikkeld tot een grijpstaart. Bij mensapen ontbreekt de staart geheel. De benen zijn langer dan de armen, maar niet bij gibbons. Apen hebben relatief grote hersenen en een grote, bolvormige hersenkas, waarmee ze zich onderscheiden van de halfapen. Veel soorten worden als vrij intelligent beschouwd: ze zijn vindingrijk, speels en passen zich gemakkelijk aan veranderende omstandigheden aan. Ook zijn apen meer op hun zicht aangewezen dan de halfapen, die een beter ontwikkeld gehoor en reukzin hebben. De ogen staan recht naar voren gericht.
De kleinste apensoort is het dwergzijdeaapje (Cebuella pygmaea), de grootste de oostelijke gorilla (Gorilla beringei).
De giraffe
De giraffe of giraf (Giraffa camelopardalis) is een hoefdier met een zeer lange nek en lange en slanke poten. Het is het hoogste dier ter wereld: een volwassen giraffe kan een hoogte van rond de vijf meter bereiken. Het jong van een giraffe is al van de geboorte 2 meter.
Het woord “giraffe” komt van het Italiaanse woord giraffa dat ontleend is aan het Arabische woord zarāfa, wat op zijn beurt uit een Afrikaanse taal is ontleend. De Somalische naam voor het dier is geri, dat zou een kandidaat kunnen zijn. De Romeinen noemden de giraffe camelopardalis, wat letterlijk “kameelpanter” betekent. Deze benaming komt nog terug in het Afrikaans (kameelperd) en vroeger ook in het Nederlands (kameelpardel).
Samen met hun nauwste verwant, de veel kleinere okapi, die een kastanjebruin lichaam, gestreepte poten en een gevlekte kop heeft, vormen de giraffen de dierkundige familie Giraffidae.
De pinguïns
Pinguïns of vetganzen zijn een orde van niet-vliegende zeevogels die alleen voorkomen op het zuidelijk halfrond. De pinguïns behoren tot de orde Sphenisciformes, klasse Aves (vogels). Alle moderne pinguïns behoren tot de familie van de Spheniscidae, maar er zijn uitgestorven soorten die buiten deze kroongroep vallen.
De pinguïns zijn gemakkelijk te onderscheiden van andere vogels en ze zijn volledig aangepast aan extreme koude en het leven in de zee. Ze hebben bijvoorbeeld een warm verenkleed. Pinquïns gebruiken hun vleugels om door het water te vliegen net zoals andere vogels door de lucht vliegen. Ze kunnen wel met een snelheid tot 30 km per uur door het water vliegen. De naam “pinguïn”, die waarschijnlijk komt van het Keltische pen gwyn (witte kop), werd oorspronkelijk gebruikt voor de reuzenalk, de inmiddels uitgestorven tegenhanger (geen nauwe verwant) van de pinguïn op het noordelijk halfrond.